Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2018:75
Datum uitspraak:
22-05-2018
Datum publicatie:
22-05-2018
Zaaknummer(s):
2017-244
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Na het vallen van glas op de teen van klaagster, had de huisarts niet kunnen volstaan met de controle of de wond goed verzorgd was. Hij had ook moeten onderzoeken of er functieverlies was van pees of zenuw. Ook had de huisarts geen toestemming om de brief met medische informatie over klaagster ter kennis aan de (al dan niet) partner van klaagster te brengen, temeer omdat klaagster uitdrukkelijk verzocht om een vertrouwelijke afhandeling. Niet is gebleken dat de huisarts de brieven niet beantwoordde, omdat hij zowel telefonisch als persoonlijk contact met klaagster zocht. Eerste twee klachtonderdelen gegrond. Waarschuwing.  

 

Datum uitspraak: 22 mei 2018 

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster,

 

tegen:

 

C, huisarts,

werkzaam te B,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam te Zoetermeer.

 

 

1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 18 oktober 2017

- het medisch dossier, ontvangen van huidige huisarts van klaagster op 8 resp. 12 januari 2018

- het verweerschrift met bijlagen

- de brief van 3 april 2018, met bijlage, namens verweerder.

 

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 april 2018. De partijen, klaagster vergezeld door D, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerder heeft pleitnotities overgelegd.

 

 

2.         De feiten

 

2.1       Klaagster heeft op 13 februari 2017 thuis een ongeval gehad in de douchecabine door een gebarsten glazen douchedeur, waarvan het glas op haar rechterteen is gevallen. De ambulancedienst is bij haar thuisgekomen. De ambulancemedewerker heeft klaagsters verwondingen, ook die op haar teen, verzorgd en haar vervolgens doorgestuurd naar verweerder, destijds de huisarts van klaagster, na telefonisch contact met de assistente van verweerder.

 

2.2       Bij het consult kwam klaagster samen met D (hierna te noemen D). Verweerder heeft de wond bekeken, zag dat de randen met een zwaluwstaartje aan elkaar waren geplakt en vond de wond keurig verzorgd. Hij heeft klaagster geadviseerd om het rustig aan te doen en er werd een afwachtend beleid afgesproken. Van het consult zijn geen andere aantekeningen in het dossier opgenomen dan de term ‘wondprotocol’ en het e-mailadres van de ambulancedienst.  

 

2.3       Op 23 februari 2017 heeft klaagster de waarnemer van verweerder geconsulteerd. Deze heeft haar naar de afdeling Chirurgie van het ziekenhuis verwezen en vermeldde in het dossier:      ’S  Vorig week maandag douchecabne gebarsten en glas

                        S   kwam tpv voet terecht, daardoor wond lokaal. tot

                        S   nu toe pijnlijke en opgezette teen, koorts- kan

                        S   grote teen niet op en neer bewegen, doof gevoel

                        S   in teen, pijn bij erop staan. Lopen is moeizaam.

                        O  digit I rechts: gesloten wond tpv bais, lokaal wat

O  roodheid, drukpijn+ gevoel lijkt lokaal wat

O   verminderd, kan teen slecht extenderen, flexie

O   ook beperkt

E   teen klachten (corpus alienum glas)

            P   verw naar chirurg voor echo/exploratie, corpus

P   alienum teen? gevraagde termijn < 1 week. ‘.

2.4       Op 24 februari 2017 bezocht klaagster de polikliniek Chirurgie van het ziekenhuis. Er werd bij onderzoek een beeld gezien van een ‘partieel/onvolledig ruptuur’, met als voorlopige diagnose: ‘Peesruptuur hallicus longus rechts’. Op 28 februari 2017 is in het ziekenhuis de pees operatief gehecht.

 

2.5       Bij aangetekende brief van 28 maart 2017 aan verweerder heeft klaagster de gang van zaken sinds het ongeluk geschetst, verweerder aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van ‘een medische fout en nalatigheid’ en haar schadeposten opgesomd. Zij verzoekt in die brief voorts om toezending van haar dossier en schrijft aan het slot:

‘Omdat ik op dit moment met meerdere mensen verblijf in huis verzoek ik u de gegevens naar mij te mailen op[e-mail adres klaagster] en indien dit niet kan graag via de post op mijn bovenstaand woonadres, ook kan het gewoon persoonlijk worden opgehaald bij jullie.’.

 

2.6       Op 10 april 2017 heeft verweerder tevergeefs geprobeerd om klaagster en D op te bellen en daarna hun woonhuis bezocht en, toen hij daar niemand trof, twee briefjes in twee verschillende enveloppen achtergelaten, de ene met de naam van klaagster, de andere met de naam van D erop. In de enveloppe voor D zat behalve het briefje van verweerder ook een kopie van de brief van 28 maart 2017 van klaagster aan verweerder. Op 10 april 2017 heeft verweerder in het medisch dossier genoteerd dat hij op 5 april de aangetekende brief had ontvangen, alsmede:

‘P gebeld / partner D gebeld / geen gehoor / Visite gedaan om 18 uur en 21 uur geen gehoor / brief achtergelaten voor P en Partner met verzoek om een gesprek over de inhoud van de brief. Heden 10-04-2017 nog geen reactie gehad.’

 

2.7       Enkele weken later heeft klaagster zich laten uitschrijven bij de praktijk van verweerder en zich laten inschrijven bij een andere huisarts.

 

3.         De klacht

 

De klacht luidt – zakelijk weergegeven –

1)     dat verweerder klaagster ten onrechte niet meteen op 13 februari 2017 heeft doorgestuurd, omdat een peesruptuur het liefst binnen 2 dagen moet worden geopereerd en klaagster door de nalatigheid van verweerder pas na 2 weken kon worden geopereerd; als gevolg hiervan heeft klaagster schade geleden, waarvoor zij verweerder aansprakelijk houdt;  

2)     dat verweerder haar privacy en zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door een kopie van haar brief aan hem naar haar medebewoner te sturen ondanks haar verzoek dit niet te doen;

3)     dat verweerder haar brieven niet heeft beantwoord.

 

4.         Het standpunt van verweerder

 

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

 

5.1       Het klaagschrift gaat uitvoerig in op aansprakelijkheid en schade. Het College oordeelt daarover niet. Voor zover de klacht daarop betrekking heeft, zal klaagster dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

5.2       Nu het ging om op de teen van klaagster gevallen glas, was niet voldoende dat verweerder op 13 februari 2017 controleerde of de wond goed verzorgd was. Hij had ook moeten onderzoeken of er functieverlies was van pees of zenuw, wat een zeer eenvoudig onderzoek is. Dat klaagster de trap had moeten nemen om uit haar huis te komen is geen omstandigheid die dit overbodig maakte. Dat geldt ook voor de stelling van verweerder dat klaagster uit zichzelf niet sprak over functieverlies. Het lag op zijn weg als arts om het initiatief te nemen. Op dit punt heeft verweerder in strijd gehandeld met de zorg die hij jegens klaagster behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Het eerste klachtonderdeel is dan ook gegrond.

 

5.3       Op grond van de wet en de Gedragsregels voor artsen van de KNMG heeft de arts een zwijgplicht. Deze heeft niet alleen betrekking op puur medische informatie maar strekt verder. Verweerder had de brief van 28 maart 2017 van klaagster niet aan D mogen geven. Er waren geen omstandigheden aanwezig die een uitzondering op de zwijgplicht rechtvaardigden. Klaagster had verweerder ook geen toestemming gegeven om de brief ter kennis van D te brengen. Zij had aan het slot van haar brief – zoals hiervoor geciteerd onder paragraaf 2.6 -  veeleer uitdrukkelijk verzocht om een vertrouwelijke afhandeling. Verweerder heeft aangevoerd dat de brief niet onder de zwijgplicht viel omdat D, die door verweerder wordt omschreven als de partner van klaagster, zelf ook bij het consult aanwezig was geweest. Zeker nu de inhoud van de brief veel meer informatie bevat dan alleen die over de wond aan de teen van klaagster faalt dit verweer. Het College laat in het midden of D destijds al dan niet door verweerder mocht worden aangemerkt als de partner van klaagster. Verweerder behoorde ook tegenover een eventuele partner informatie over klaagster geheim te houden. Het College heeft begrip voor de poging van verweerder om een beroep te doen op D, die hij ook kende uit het welzijnswerk, om te bemiddelen tussen klaagster en hem, maar dat mocht hij niet doen zonder voorafgaande toestemming van klaagster. Het tweede klachtonderdeel is dus ook gegrond.

 

5.4       Het derde klachtonderdeel – het niet beantwoorden van brieven - zal worden afgewezen. Ten eerste is er sprake van slechts één brief en ten tweede heeft verweerder de brief van klaagster beantwoord door zowel telefonisch als persoonlijk contact met haar te zoeken en toen dit niet lukte een briefje bij haar thuis achter te laten. Het was daaruit duidelijk dat verweerder naar aanleiding van de brief van klaagster contact met haar zocht om over haar brief te spreken. Dat stuit bij het College niet op bezwaar.  

 

5.5       De klacht is dus op twee onderdelen gegrond en zal voor het overige worden afgewezen. Het College acht het opleggen van de lichtste tuchtmaatregel, een waarschuwing, voldoende en passend bij de situatie.

 

6.         De beslissing

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

verklaart klaagster in de klacht niet-ontvankelijk, voor zover deze betrekking heeft op aansprakelijkheid en schade;

 

verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;

 

legt op de maatregel van waarschuwing; en

 

wijst de klacht voor het overige af.

 

Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Sarlemijn, voorzitter, mr. E.M. Deen, lid-jurist, prof.dr. R.J. Stolker, dr. G.J. Dogterom en J.G.M. van Eekelen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens