Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:99
Datum uitspraak:
25-06-2019
Datum publicatie:
25-06-2019
Zaaknummer(s):
2019-002a
Onderwerp:
Niet of te laat verwijzen
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Ongegronde klacht tegen een huisarts. Door overleg te hebben met een uroloog naar aanleiding van de klachten die klager aangaf en dit overleg terug te koppelen naar klager, heeft de huisarts juist gehandeld. Door klager bij het tweede (telefonisch) contact medicatie voor te schrijven en hem te adviseren een afspraak te maken voor het spreekuur, heeft de huisarts conform de NHG richtlijn ‘Mictieklachten bij mannen’ gehandeld. Klacht ongegrond verklaard. 

 

Datum uitspraak: 25 juni 2019

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klager,

 

tegen:

 

C, huisarts,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. drs. E.E. Rippen, werkzaam te Utrecht.

 

 

1.                 Het verloop van de procedure

 

1.1             Het verloop van de procedure blijkt uit:

-         het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2019;

-         een uitdraai uit het EMD van klager, ontvangen op 11 februari 2019;

-         het verweerschrift met bijlagen.



1.2             De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 15 mei 2019. Beklaagde, bijgestaan door haar gemachtigde, is verschenen en heeft haar standpunt mondeling toegelicht. Klager is met kennisgeving vooraf niet verschenen.



1.3             De klacht is behandeld tezamen met een andere, met de klacht samenhangende zaak zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Die zaak is bekend onder dossiernummer 2019-002b.



 

2.                 De feiten

 

2.1             Klager, geboren in 1953, is patiënt in de praktijk van huisarts D (beklaagde in zaak 2019-002b), hierna: de andere huisarts). Beklaagde is sinds 2015 twee dagen per week werkzaam in deze praktijk.

 

2.2             Op 11 mei 2018 is klager bij beklaagde op het spreekuur geweest. Klager had daarvoor via de website een afspraak gemaakt en daarbij als klacht vermeld ‘Gewrichtspijn onder voet’. Aan het eind van het consult heeft klager aan beklaagde verteld dat hij bij seksueel contact geen ejaculaat meer had. Desgevraagd vertelde klager dat zijn seksuele functioneren verder naar wens was. Eveneens vertelde klager dat hij geen mictieklachten had, mogelijk plaste hij moeizamer. Naar aanleiding van deze klachten heeft beklaagde diezelfde dag contact opgenomen met een uroloog. Beklaagde heeft eveneens diezelfde dag telefonisch aan klager doorgegeven dat de uroloog haar had verteld dat geen verdere actie nodig was. Daarbij heeft beklaagde klager geadviseerd bij toename van klachten terug te komen naar het spreekuur.

 

2.3             Op 6 september 2018 heeft klager via het telefonisch spreekuur met de andere huisarts D gesproken. Hierover is het volgende opgenomen in het huisartsenjournaal:

S

S

E

P

SU heeft vragen mbt plassen: gaat wat minder, moet wat vaker en soms ook in de nacht. Geen opvallende obstructie klachten, meet LUTS.

klachten mictie

exp: bij meer klachten SU

 

2.4             Op 21 september 2018 heeft klager via het telefonisch spreekuur met beklaagde gesproken. Hierover is het volgende opgenomen in het huisartsenjournaal:

S

E

P

P

P

klachten idem; advies naar SU te komen (RT, urine mee, glucose?)

Symptomen/klachten prostaat

klachten verstoren de nachtrust behoorlijk; gezien vakantie praktijk toch wat voorgeschreven. komt naar het SU

R/15 st alfuzosin hcl tabl mga 10 (A 1T)

 

2.5             Op 25 september 2018 is klager in verband met vakantie van de huisartsenpraktijk bij een waarnemer geweest. Deze heeft besloten tot laboratoriumonderzoek van het bloed van klager. Op 26 september 2018 heeft de waarnemer de uitslagen van dit onderzoek ontvangen en is klager doorverwezen naar de uroloog. Klager is in het najaar van 2018 gediagnostiseerd met een gemetastaseerd prostaatcarcinoom.



3.                 De klacht

 

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen aandacht voor klager te hebben, hem te lang te laten wachten en hem niet door te verwijzen naar de uroloog.

 

4.                 Het standpunt van beklaagde

 

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.                 De beoordeling

 

5.1             Het College heeft in het dossier gelezen dat klager momenteel ernstig ziek is. Het College heeft oog voor deze ernstige situatie, maar kan dit niet betrekken bij de beoordeling. Het College moet toetsen of beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

 

5.2             Het College stelt voorop dat voor de beoordeling van het handelen van beklaagde de NHG Richtlijn “Bemoeilijkte mictie bij oudere mannen” actualisering november 2004 en, vanaf oktober 2014, de NHG Richtlijn “Mictieklachten bij mannen” M42 (oktober 2014) van belang zijn. Voor zover hier relevant luiden de richtlijnen als volgt:

NHG Richtlijn “Bemoeilijkte mictie bij oudere mannen” actualisering november 2004:

Richtlijnen beleid

Voorlichting

- Leg uit dat aspecifieke mictieklachten vaak voorkomen en dat de oorzaak daarvan onbekend, maar meestal onschuldig, is.

- Benadruk dat prostaatvergroting meestal niet de oorzaak van mictieklachten is.

- Leg uit dat prostaatkanker zelden de oorzaak van mictieklachten is.

- Bespreek het beloop van mictieklachten: ongeveer eenderde van de mannen ervaart spontane verbetering, eenderde ondervindt geen verandering en eenderde ervaart klachtentoename.

 

5.3             Beklaagde heeft met klager aan het einde van het consult op 11 mei 2018 gesproken over het ontbreken van ejaculaat, met mogelijk moeizamer plassen. Deze klachten heeft beklaagde voldoende uitgevraagd bij klager. Zij heeft dit nog diezelfde dag overlegd met een uroloog en diens advies – geen verdere actie geboden – gelijk teruggekoppeld aan klager. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde daarmee juist gehandeld.

 

5.4             Het tweede contact tussen klager en beklaagde was telefonisch op 21 september 2018. Beklaagde heeft klager toen medicatie voorgeschreven. Beklaagde heeft bij klager erop aangedrongen naar het spreekuur te komen en hem verteld dat hij in de daarop volgende week, waarin de praktijk wegens vakantie was gesloten, bij een waarnemer terecht kon. Tijdens de zitting heeft beklaagde verklaard dat zij tevens direct een afspraak met klager heeft ingepland op het spreekuur op maandag 1 oktober 2018, wat in verband met vakantie van de praktijk de eerst mogelijke datum was.

Het door beklaagde ingezette beleid: advies om naar het spreekuur te komen en daarvoor gelijk een afspraak te maken, alsmede het voorschrijven van medicatie, is conform de onder 5.2 weergegeven NHG richtlijn.

 

5.5             De conclusie is dat beklaagde niet kan worden verweten dat zij heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van klager behoorde te betrachten.



5.6             De klacht zal als ongegrond worden afgewezen.

 

 

6.         De beslissing

Het College:



-          wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, P.M. van Dijk-de Keuning, lid-jurist, M. Bezemer, E.A. Dubois, B.J. Bouma, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2019.

 

 

 

voorzitter                                                                                           secretaris



Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de

            aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen. Degene die beroep instelt, is € 50,- griffierecht verschuldigd aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht van het Centraal Tuchtcollege. Als degene die in beroep is gegaan geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht terugbetaald.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens