Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:17
Datum uitspraak:
15-01-2019
Datum publicatie:
15-01-2019
Zaaknummer(s):
2018-113b
Onderwerp:
Overige klachten
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts in opleiding. Omdat de lezingen uiteenlopen, kan het College niet vaststellen hoe het gesprek precies is verlopen. Verder had de huisarts in opleiding met de informatie die zij had geen aanwijzingen om klaagster door te verwijzen. Klacht afgewezen. 

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster,

 

tegen:

 

C, huisarts in opleiding,

werkzaam te D,

verweerster,

gemachtigde: mr. E. van der Linde, werkzaam te Utrecht.

 

 

1.           Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2018

- het verweerschrift met bijlagen

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 24 oktober 2018.

 

1.2       Het College heeft de klacht op 4 december 2018 in raadkamer behandeld.  

 

2.          De feiten



2.1             Klaagster heeft op 8 februari 2018 telefonisch contact opgenomen met de spoed

huisartsenpost E met hoofdpijnklachten. Klaagster werd in eerste instantie te woord gestaan door de triagiste. Op enig moment heeft de triagiste overleg gehad met verweerster en heeft verweerster het gesprek overgenomen. Op dat moment nam ook de vader van klaagster het gesprek voor klaagster over.

 

 

2.2             Over het gesprek op 8 februari 2018 staat het volgende genoteerd in het

waarneembericht:

 

“(…) heeft al weken hoofdpijn, pijn achter de ogen, koorts, 35.3, via oor. eet en drinkt slecht, is constant miss, vandaag 1x geplast vandaag. Hulpvraag: wil oorzaak van hoofdpijn weten. Voorgeschiedenis: bloedarmmoeder Medicatie: etoricoxib Algemeen: 3 wkn geleden gevallen met scooter op hoofd, van de week kies laten trekken, alles is bekend bij ha, pijn is ondragelijk, wordt niet serieus genomen door ha. dr C neemt tel over.

Bij overname telefoon vader aan de telefoon. Vindt dat de hoofdpijn te lang duurt en dat er nu iets moet gebeuren. Geen alarmsymptomen.

(…)

Uitleg gegeven dat er nu geen acute reden is om haar te beoordelen. Wij kunnen nu geen bloed prikken etc. Geen alarmsymptomen. Advies: morgenochtend contact met eigen HA.

 

3.          De klacht



3.1.      Klaagster verwijt verweerster

 

1.     dat zij klaagster en haar klachten in de avond van 8 februari 2018 niet serieus heeft genomen;

2.     dat zij de medische situatie van klaagster heeft onderschat;

3.     dat er, ondanks verschillende toezeggingen en pogingen daartoe, geen gesprek heeft plaatsgevonden met de betrokkenen van de huisartsenpost van de bewuste avond.

 

4.       Het standpunt van verweerster

 

4.1.      Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

 

5.         De beoordeling



5.1       Ten aanzien van klachtonderdeel 1:

 

5.1.1   Het College stelt voorop dat klaagster gesproken heeft met de triagiste en dat de vader

van klaagster gesproken heeft met verweerster. Klaagster stelt dat zij tijdens het gesprek op 8

februari 2018 niet netjes te woord is gestaan, dat verweerster geïrriteerd heeft gereageerd op

vragen en dat verweerster gezegd heeft dat zij hooguit een pijnstiller kon voorschrijven.

Verweerster stelt dat zij het betreurt dat klaagster zich niet serieus genomen voelde en dat zij

geïrriteerd is overgekomen op de vader van klaagster. Dit is niet haar bedoeling geweest.

Verder stelt zij dat zij niet heeft gezegd dat klaagster “hooguit een pijnstiller”

voorgeschreven zou kunnen krijgen, maar dat zij aan de vader van klaagster uitgelegd heeft

dat zij op dat moment geen alarmsymptomen heeft gehoord en dat zij in de avonduren geen

diagnostiek in kon zetten. Om klaagster toch zo comfortabel als mogelijk de nacht door te

kunnen laten komen heeft verweerster aangeboden om extra pijnstilling voor te schrijven.

De lezingen van partijen over het gesprek op 8 februari 2018 verschillen. Voor het College is

niet vast te stellen hoe het gesprek precies is verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden

vastgesteld of verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op

het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van

verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten

gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan

ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord

van klaagster en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.

 

5.2       Ten aanzien van klachtonderdeel 2:

 

5.2.1    Het College wijst eropdat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel

handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een

antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven

binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de

stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen

toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Verweerster diende op

8 februari 2018 te beoordelen of de klachten van klaagster dusdanig spoedeisend waren dat

een beoordeling (door de eigen huisarts) de volgende dag, niet kon worden afgewacht. Het

College is van oordeel dat met de informatie die verweerster op 8 februari 2018 had, er voor

haar geen aanwijzingen waren die maakten dat zij tot een doorverwijzing had dienen te

besluiten. Onweersproken is dat het om al langer bestaande hoofdpijn ging, waarvoor de

eigen huisarts was bezocht en waarvoor ook recent voor het telefonisch contact met

verweerster, contact met de huisarts was geweest. Gelet hierop en in samenhang met het

ontbreken van alarmsymptomen zoals neurologische uitvalsverschijnselen en/of aanhoudend

braken, is het College van oordeel dat verweerster in redelijkheid tot het door haar gegeven

advies kon komen.

 

5.3       Ten aanzien van klachtonderdeel 3:

 

5.3.1    De klacht zoals omschreven onder nummer 3 heeft klaagster na het mondelinge

vooronderzoek op 24 oktober 2018 ingetrokken, zodat het College over dit klachtonderdeel

geen beslissing meer hoeft te geven.

 

5.4.      Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk

ongegrond worden afgewezen.

 

6.       De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven op 15 januari 2019 door  W.N.L. Donker, voorzitter, E.P. de Beij, lid-jurist, H. Baak, I. Dawson en R.J. Stolker, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens