Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2019:10
Datum uitspraak:
08-01-2019
Datum publicatie:
08-01-2019
Zaaknummer(s):
2018-173
Onderwerp:
Onheuse bejegening
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Niet gebleken dat de bedrijfsarts klaagster onheus heeft bejegend, ook niet dat hij te ver is gegaan in zijn kritische houding. Wel is gebleken van miscommunicatie welke de bedrijfsarts niet heeft kunnen oplossen, maar geen tuchtrechtelijk verwijt. Klacht afgewezen. 

 

Datum uitspraak: 8 januari 2019

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster,

 

tegen:

 

C, bedrijfsarts,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.J. Berkhoff-Muntinga, werkzaam te Utrecht.

 

 

1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 31 juli 2018

- het verweerschrift met bijlagen

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 9 oktober 2018

- de brief van klaagster, ontvangen op 16 oktober 2018, met USB-stick.

 

De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 20 november 2018. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Verweerder is bijgestaan door zijn gemachtigde.

 

2.         De feiten

 

2.1       Klaagster werkt bij E als objectbeveiliger. In november 2016 heeft klaagster door een auto-ongeval whiplashklachten opgelopen. In februari 2017 heeft zij haar enkel gebroken. Klaagster is door beide gebeurtenissen (gedeeltelijk) uitgevallen voor haar werk. De aanvangsdatum van het verzuim is 24 november 2016.

 

2.2       Verweerder werkt als bedrijfsarts en doet onder meer de verzuimbegeleiding voor E.

 

2.3       Klaagster is vanaf december 2016 tot juli 2017 meerdere malen bij verweerder op het spreekuur geweest. Daarna is zij door een andere bedrijfsarts begeleid. In juni 2018 is het tweede spoor traject gestart.

 

2.4       Klaagster heeft op 16 juli 2018 bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd omdat zij haar eigen werk wilde hervatten.

 

2.5       Op 17 juli 2018 is klaagster opnieuw bij verweerder op het spreekuur gekomen.

 

2.6       Naar aanleiding van de klacht heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klaagster. Klaagster heeft het College een USB-stick met een opname van dat telefoongesprek toegestuurd.

 

3.         De klacht

 

Klaagster verwijt verweerder dat hij haar tijdens het spreekuur op 17 juli 2018 niet correct heeft bejegend. Zij heeft het gevoel dat het gesprek een (extreem) kruisverhoor was waarbij haar woorden in de mond zijn gelegd door verweerder. Ook stonden er fouten in het verslag van verweerder. Zo stond er een verkeerde datum in genoemd en heeft verweerder ten onrechte opgeschreven dat het beoordelingsgesprek bij het UWV was aangevraagd voor zijn voorganger.

 

4.         Het standpunt van verweerder

 

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 



5.         De beoordeling

 

5.1       Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. 

 

5.2       De belangrijkste klacht gaat over de communicatie en de bejegening van klaagster door verweerder tijdens het spreekuur van 17 juli 2018. Het college overweegt dat verwijten over mondelinge communicatie moeilijk te beoordelen zijn door het College, dat van de communicatie op die dag immers geen getuige is geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is lastig te reconstrueren. In dit geval heeft naar aanleiding van de klacht een telefoongesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder. Van de inhoud van dat gesprek heeft het College wel kennis kunnen nemen, omdat daarvan een geluidsopname is gemaakt. Zowel klaagster als verweerder hebben verklaard dat de communicatie tijdens het telefoongesprek representatief is voor hoe de communicatie tijdens het spreekuur verliep, waarbij klaagster heeft opgemerkt dat het tijdens het spreekuur nog een beetje erger was.

 

5.3       Verweerder heeft toegelicht dat hij ten behoeve van de WIA-aanvraag een actueel oordeel moest opstellen. Omdat hij klaagster geruime tijd niet had gezien wegens begeleiding door een andere bedrijfsarts, heeft hij kritische vragen gesteld over haar belastbaarheid en inzetbaarheid voor werk op dat moment en over het beloop van haar verzuim. Die kritische vragen heeft hij gesteld door vragen te stellen, door te vragen en, na samenvatting van de antwoorden, zo nodig verder door te vragen. Klaagster heeft toegelicht dat zij het spreekuur heeft ervaren als een kruisverhoor en dat zij de vragen niet kritisch, maar suggestief vond.

Het College overweegt dat verweerder als bedrijfsarts de taak heeft om werknemer en werkgever te adviseren. De bedrijfsarts beoordeelt op basis van het gesprek met de patiënt/werknemer en op basis van zorgvuldig onderzoek de medische gronden voor de arbeids(on)geschiktheid van de werknemer en geeft advies over belastbaarheid en de mogelijkheid tot werkhervatting. Het stellen van kritische vragen hoort bij het onderzoek dat de bedrijfsarts moet verrichten en bij zijn adviserende taak. Dat geldt temeer als werkgever en werknemer over de inzetbaarheid van mening verschillen, zoals in het geval van klaagster aan de orde was. Dat verweerder daarbij te ver is gegaan in zijn kritische houding, heeft het College niet kunnen vaststellen. Klaagster heeft bijvoorbeeld niet gesteld wat verweerder ten onrechte niet van haar heeft willen aannemen. Ook heeft zij niet duidelijk gemaakt wat verweerder ten onrechte, want gebaseerd op suggestieve vragen of antwoorden die haar in de mond zijn gelegd, heeft geconcludeerd. De geluidsopname van het telefoongesprek geeft, als voorbeeld van de communicatie tussen klaagster en verweerder, geen aanleiding tot een ander oordeel. Uit de opname blijkt dat klaagster en verweerder uitleggen wat zij bedoelen en wat hun wensen zijn en elkaar daarbij niet goed begrijpen, elkaar misverstaan. Hoewel het vervelend is dat het gesprek zo verloopt en ook verweerder er niet in slaagt om die misverstanden op te lossen, is van een onheuse bejegening, waarvan verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, naar het oordeel van het College geen sprake.

 

5.4       Dat verweerder in het actueel oordeel vermeldt dat klaagster een deskundigenoordeel heeft aangevraagd in verband met het oordeel van zijn voorganger, terwijl klaagster stelt dat zij dit voor zichzelf heeft gedaan, is naar het oordeel van het College een voorbeeld van de hierboven genoemde miscommunicatie.

Verweerder heeft erkend dat hij in het actueel oordeel ten onrechte een eerder spreekuur van de datum 4 juli 2018 heeft vermeld, terwijl dit 4 juli 2017 moest zijn. Deze fout heeft hij onmiddellijk verbeterd. Naar het oordeel van het College is hier sprake van een typefout. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

 

5.5       De conclusie is dan ook dat de klacht ongegrond is en zal worden afgewezen.

           

6.         De beslissing

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

wijst de klacht af.

 

Deze beslissing is gegeven door A.E.B. ter Heide, voorzitter, M.M. van ’t Nedereind, lid-jurist, J.G.M. van Eekelen, R.P. van Straaten en B. van Ek, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de

            aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens