Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:6
Datum uitspraak:
11-01-2019
Datum publicatie:
11-01-2019
Zaaknummer(s):
2018/155
Onderwerp:
Onheuse bejegening
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
 Klaagster verwijt verweerster (chirurg) eenonheuse bejegening en het verzaken van dezorgplicht. Klaagster heeft het gevoel datverweerster een persoonlijke hetze tegen haar isgestart. Ongegrond

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 24 april 2018 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

 

tegen

 

C,

chirurg,

werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                     de op 30 november 2018 binnengekomen e-mail van klaagster. 

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

De klacht is op een openbare zitting behandeld.

Klaagster was afwezig met bericht van verhindering. Verweerster was aanwezig en werd bijgestaan door mr. Brouwer voornoemd.

 

2.         De feiten

2.1       In mei 2017 heeft klaagster (ook) een tuchtklacht tegen verweerster ingediend. Inmiddels is deze klacht in hoger beroep door het Centraal Tuchtcollege behandeld en is het beroep op 12 juni 2018 verworpen.[1]

 

2.2       Op 14 februari 2018 is klaagster op consult geweest bij verweerster voor een reguliere controle, waarbij onder meer de uitslag van de mammografie zou worden besproken. Ten tijde van het consult was de onder 2.1 genoemde klachtprocedure nog aanhanging.

 

2.3       Bij binnenkomst stonden zowel verweerster als een co-assistente bij de deur om klaagster binnen te laten. Klaagster wilde niet dat de co-assistente aanwezig was en heeft verweerster verzocht de co-assistente te laten vertrekken. Verweerster heeft dit geweigerd en heeft de (goede) uitslag van de mammografie aan klaagster medegedeeld en heeft klaagster achter een gordijn verder onderzocht.

 

2.4       Klaagster heeft emotioneel gereageerd en was ook bij het verlaten van de spreekkamer nog boos en heeft haar boosheid ook voor iedereen hoorbaar geuit in de wachtruimte.

 

2.5       Op 5 maart 2018 heeft klaagster een waarschuwing in verband met grensoverschrijdend gedrag (een gele kaart) van het ziekenhuis ontvangen voor haar gedrag op 14 februari 2018.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in:

1) dat verweerster klaagster tijdens het consult op 14 februari 2018 onheus heeft bejegend en haar zorgplicht heeft verzaakt;

2) dat klaagster ten onrechte een gele kaart van het ziekenhuis heeft ontvangen.

 

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

5.1       Verweerster heeft verklaard dat zij gezien de destijds lopende klachtprocedure na overleg met de ziekenhuisjurist, haar collega-chirurgen, D en haar gemachtigde had besloten om klaagster niet meer alleen te spreken. Verweerster heeft ter zitting verklaard zich onveilig te voelen bij klaagster, onder meer omdat klaagster met privégegevens van verweerster komt die niet makkelijk openbaar te vinden zijn.

 

5.2       Een co-assistente wilde op de ochtend van 4 februari 2018 met de poli van verweerster meelopen en zodoende was zij ook aanwezig bij het consult met klaagster. Volgens verweerster heeft zij, toen klaagster bezwaar maakte tegen de aanwezigheid van de co-assistente, klaagster uitgelegd dat het haar besluit en haar beleid was. Klaagster werd direct boos en begon te huilen. Verweerster heeft verklaard op dat moment gedacht te hebben er goed aan te doen om door te gaan met het consult, omdat zij op dat moment geen mogelijkheid zag om de reden van de aanwezigheid van de co-assistente nader aan klaagster uit te leggen; klaagster was op dat moment niet voor rede vatbaar was volgens verweerster. Verweerster zegt klaagster de keuze te hebben gegeven of ze het consult al dan niet wilde voortzetten.

 

5.3       Verweerster had gezien dat klaagster een stapel papieren van de lopende tuchtzaak bij zich droeg en dat klaagster had aangegeven daarover met verweerster – zonder iemand erbij – te willen praten. Verweerster heeft toegelicht dat zij toen aan klaagster antwoordde dat klaagster voor een medisch consult kwam en niet om over een procedure te praten.

Vervolgens heeft verweerster aan klaagster de goede uitslag van de mammografie medegedeeld en heeft er achter een gordijn lichamelijk onderzoek plaatsgevonden waarbij de co-assistente niet heeft meegekeken. Tijdens het lichamelijk onderzoek leek klaagster weer tot rust te zijn gekomen.

 

5.4       Verweerster heeft verklaard dat klaagster na het onderzoek niet meer wilde gaan zitten en begon te schreeuwen en allerlei beledigingen richting verweerster uitte. Daarna zou verweerster enkel nog aan klaagster gevraagd hebben of een volgende controle moest worden afgesproken, of dat klaagster zou kiezen voor het reguliere bevolkingsonderzoek. Vervolgens zou klaagster de spreekkamer boos hebben verlaten en zou zij in de wachtkamer nog geschreeuwd hebben tegen verweerster dat zij elkaar wel in de rechtbank zouden zien. Er is geen nieuwe afspraak gemaakt en ook niet besproken dat dit via het bevolkingsonderzoek kan.

 

5.5       Mede gelet op het feit dat (i) klaagster papieren over de lopende tuchtprocedure bij zich had en naar overtuiging van verweerster met de intentie naar het consult kwam om het daarover met klaagster te hebben, (ii) klaagster kennelijk rustig was tijdens het lichamelijk onderzoek dat achter het gordijn plaatsvond, en (iii) verweerster handelde op advies van onder meer de ziekenhuisjurist en de D, oordeelt het college dat verweerster valide redenen had om de co-assistente in dit specifieke geval in de spreekkamer aanwezig te laten. Het college acht de afwegingen van verweerster daaromtrent plausibel en verdedigbaar en acht het in dit specifieke geval niet ondenkbaar dat verweerster haar afwegingen hieromtrent heeft laten prevaleren boven het bepaalde in art. 7:459 BW.

Het college merkt daarbij op dat zij de keuze voor de aanwezigheid van een jonge co-assistente boven een (ervaren) collega-chirurg of verpleegkundige opmerkelijk en ongelukkig acht. Van schending van haar zorgplicht door verweerster is echter niet gebleken. Concluderend is het college van oordeel dat verweerster niet verwijtbaar heeft gehandeld en wijst het eerste klachtonderdeel dan ook af.

 

5.6       Verweerster heeft van het gedrag van klaagster op 14 februari 2018 verslag gedaan bij de ziekenhuisjurist. De jurist heeft vervolgens overlegd met de E die vervolgens besloot om volgens het agressieprotocol een gele kaart uit te delen. Verweerster geeft aan niet betrokken te zijn geweest bij het besluit om een gele kaart te verstrekken en daar dus ook niet voor verantwoordelijk voor te zijn. Dit verweer gaat naar het oordeel van het college op. Klaagster heeft zich blijkbaar niet alleen in de spreekkamer maar ook daarbuiten op ongepaste wijze gedragen. Dat de E van het ziekenhuis heeft besloten tot het opleggen van een gele kaart, ligt buiten de invloedsfeer van verweerster en kan haar dan ook niet tuchtrechtelijk worden verweten. Het college wijst dit klachtonderdeel dan ook af.

 

5.7       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is.

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

 

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

6. De beslissing

Het college:

-         wijst de klacht af.

 

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Aldus beslist door:

R.A. Dozy, voorzitter,

R.A. Christiano, H.L. de Boer en J.F. Hamming, leden-arts,

C. van Glabbeek, lid-jurist,

bijgestaan door D. Pieterse, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

WG  secretaris                                                                       WG  voorzitter

 

 




[1]Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 12 juni 2018,C2017.491

Meer informatie

Acties

Meta gegevens