Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2019:4
Datum uitspraak:
11-01-2019
Datum publicatie:
11-01-2019
Zaaknummer(s):
2018/337
Onderwerp:
Geen of onvoldoende zorg
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
 Klacht tegen de bedrijfsarts. Klaagster verwijt debedrijfsarts, kort samengevat, dat zij 1) klaagstermedisch en menselijk gezien niet goed heeftbehandeld, waardoor klaagster in een depressieterecht is gekomen, 2) te laat medische gegevensheeft opgevraagd en voorts brieven vanbehandelaars naast zich neer heeft gelegd,waardoor ze niet de juiste conclusie heeft kunnentrekken, 3) alleen maar naar de werkgever heeftgeluisterd en klaagster onder druk heeft gezet omweer te gaan werken 4) aan klaagster heeftgevraagd of zij geen uitzaaiingen heeft, want danzou zij een IVA uitkering kunnen aanvragen, 5)geen actie heeft ondernomen op de loonstop, 6)klaagster verboden heeft om contact met haar opte nemen.  deels gegrond, waarschuwing

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 10 augustus 2018 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: C

 

tegen

 

D,

bedrijfsarts,

werkzaam te E,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift met de bijlagen;

-                     het verweerschrift;

-                     de aanvullende stukken binnengekomen op 17 oktober (verweerster), 23 oktober (klaagster), 2 november (verweerster) en 29 november 2018 (klaagster);

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                     het proces-verbaal van het op 22 oktober 2018 gehouden vooronderzoek;

 

De klacht is op een openbare zitting behandeld.

Partijen waren aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door de heer C (haar echtgenoot) en verweerster door mr. Peet voornoemd.

 

2.         De feiten

2.1       Klaagster is in oktober 2002 in dienst getreden bij [werkgever 1]. Klaagster was daar werkzaam als administratief medewerkster voor 32 uur per week. Sinds 2 mei 2016 is klaagster vanwege lichamelijke en psychische klachten arbeidsongeschikt.

 

2.2.      Per 1 maart 2017 is werkgever 1 overgenomen door werkgever 2. Omdat werkgever 2 de arbeidsovereenkomst met klaagster aanvankelijk niet van werkgever 1 wilde overnemen, heeft klaagster in de eerste periode na de bedrijfsovername (maart-april 2017) geen salaris ontvangen.

 

2.3       Verweerster is vanaf de bedrijfsovername op 1 maart 2017 de bedrijfsarts van klaagster. Daarvoor was klaagster onder behandeling bij een andere bedrijfsarts. In mei 2017 heeft verweerster kennisgenomen van het dossier van klaagster en half mei heeft zij voor het eerst (telefonisch) contact gehad met klaagster. Op 30 mei 2017 is klaagster op het spreekuur van verweerster geweest. Er heeft onderzoek plaatsgevonden waarbij (geringe) belastbaarheid voor arbeid is vastgesteld. Klaagster heeft vervolgens een dagdeel (inclusief reistijd) werkzaamheden verricht die naar haar mening onvoldoende aansloten op haar belastbaarheid. Daarna heeft zij zich opnieuw ziekgemeld.

 

2.4       Op 15 juni 2017 heeft klaagster bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd, omdat zij van mening was volledig arbeidsongeschikt te zijn. Bij brief van 19 juli 2017 laat het UWV aan klaagster weten dat het UWV van oordeel is dat klaagster op 16 juni 2017 niet geschikt was om aan het werk te gaan.

 

2.5       Werkgever 2 had per 16 juni 2017 met directe ingang een loonopschorting aangezegd omdat werkgever 2 van mening was dat klaagster weldegelijk in staat was (aangepaste) werkzaamheden te verrichten. Ongeveer twee maanden later is het (achterstallige) loon alsnog aan klaagster uitbetaald en is de loonuitbetaling hervat.

 

2.6       Door F is er een arbeidsdeskundig expertise onderzoek uitgevoerd (rapport d.d. 6 juli 2017). Uit dit rapport blijkt onder meer dat re-integratiebelemmerende factoren (waaronder de conflictsituatie tussen klaagster en haar werkgever) zo snel mogelijk opgelost moeten worden, dat werkgever 2 geen zicht heeft op het functioneren van klaagster en dat daar vanuit de overname ook weinig over bekend is.

 

2.7       Bij brief van 24 december 2017 heeft verweerster van de huisarts van klaagster de belangrijkste medische brieven van specialisten ontvangen.

 

2.8       Er heeft een arbeidsdeskundig onderzoek door een arbeidsdeskundige van het UWV plaatsgevonden. Uit de samenvatting van het rapport d.d. 27 maart 2018 blijkt onder meer het volgende:

                       De mate van arbeidsongeschiktheid van [klaagster] is vastgesteld op 100,00%.

                        …

Het loonverlies ten opzichte van het eigen werk is 100%. Daarom is [klaagster] voor 80-100% arbeidsongeschikt.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

1)         een hele verkeerde werkhouding ten opzichte van klaagster heeft en haar medisch en menselijk gezien niet op de juiste manier heeft behandeld;

2)         door haar toedoen ervoor heeft gezorgd dat klaagster in een depressie terecht is gekomen;

3)         te laat en alleen bij de huisarts medische gegevens heeft opgevraagd waardoor ze niet de juiste conclusie heeft kunnen trekken;

4)         brieven van de huisarts en de psycholoog naast zich neer heeft gelegd en niet heeft gereageerd op terugbelverzoeken van het re-integratiebureau;

5)         enkel naar de werkgever heeft geluisterd en niet bij de werkgever en het re-integratiebureau aan de bel heeft getrokken dat er iets anders had moeten gebeuren;

6)         heeft gevraagd aan klaagster of zij uitzaaiingen had, want dan zou zij een IVA-uitkering kunnen aanvragen en zou ze overal vanaf zijn;

7)         in samenspraak met werkgever heeft bewerkstelligd dat klaagster geen telefonisch contact mocht opnemen met verweerster en ook niet per e-mail;

8)         geen actie heeft ondernomen op de loonstop;

9)         klaagster in samenspraak met de werkgever onder druk heeft gezet om weer te gaan werken, omdat de werkgever anders een hogere premie zou moeten betalen;

10)       klaagster een jaar van herstel en dus in principe haar werkplek heeft afgenomen.

 

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

5.1.      Klaagster stelt onder 1) dat verweerster ten opzichte van haar een hele verkeerde werkhouding heeft gehad en haar medisch en menselijk gezien niet op de juiste manier heeft behandeld. Klaagster heeft dit klachtonderdeel niet specifiek en niet feitelijk onderbouwd. Zowel de door klaagster ingediende stukken, als hetgeen ter zitting door partijen is verklaard biedt onvoldoende houvast om tot de conclusie te komen dat deze stelling van klaagster juist is. Het college wijst klachtonderdeel 1 dan ook af.

 

5.2.      Blijkens de in het geding gebrachte stukken kampte klaagster al voor haar eerste contact met verweerster in mei 2017 met depressie althans was zij onder behandeling van een psycholoog. Ook was klaagster bij haar eerste contact met verweerster al een jaar arbeidsongeschikt. Op het moment dat klaagster en verweerster elkaar leerden kennen was er bij klaagster al sprake van meerdere probleemgebieden en meerdere van die factoren kunnen de oorzaak van een eventuele depressie van klaagster zijn. Op grond van de stukken en het geen ter zitting is besproken kan het college niet vaststellen dat klaagster in een depressie is gekomen door toedoen van verweerster. Het college wijst klachtonderdeel 2 dan ook af.

 

5.3.      Het dossier onderbouwt de stelling van klaagster onder 3) dat verweerster te laat informatie bij de huisarts heeft opgevraagd niet. Verweerster heeft ter voorbereiding op het eerste consult met klaagster relevante stukken ontvangen van de eerdere bedrijfsarts van klaagster. Verder heeft klaagster haar verhaal helder aan verweerster verteld. Op basis hiervan heeft verweerster, naar het oordeel van het college, een begrijpelijke conclusie getrokken. Er is op grond van latere informatie ook niet gebleken dat deze conclusie onjuist was. Er is dan ook geen aanleiding om te oordelen dat verweerster eerder aanvullende informatie had dienen op te vragen. Het college wijst om die reden ook klachtonderdeel 3 af.

 

5.4.      Klaagster verwijt verweerster onder 4) dat zij brieven van de huisarts en de psycholoog naast zich neergelegd heeft. Daarvan is echter niet gebleken. Dat verweerster niet heeft gereageerd op terugbelverzoeken van het re-integratiebureau kan op grond van het voorliggende dossier en hetgeen ter zitting is besproken door het college niet worden vastgesteld. Het college wijst klachtonderdeel 4 dan ook af.

 

5.5.      Onder 5) verwijt klaagster verweerster dat zij enkel naar de werkgever heeft geluisterd en niet bij de werkgever en het re-integratiebureau aan de bel heeft getrokken dat er iets anders had moeten gebeuren. Ook deze conclusie valt niet te trekken uit het dossier en uit hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht. Op bepaalde momenten heeft verweerster weldegelijk contact opgenomen met de werkgever (bijvoorbeeld in het kader van de loonopschorting) en heeft zij ten behoeve van werknemer vervoer geregeld (regiotaxi). Dit blijkt onder meer uit de terugkoppelingsbrieven van verweerster aan de werkgever. Werkgever en klaagster hebben blijkens de terugkoppelingsbrieven ook samen een plan van urenopbouw gemaakt, zo blijkt uit de terugkoppelingsbrief van 17 juli 2017. Daarnaast kan door het college niet worden vastgesteld dat verweerster alleen naar werkgever heeft geluisterd; verweerster heeft weldegelijk ook weerwoord tegen de werkgever gevoerd en de belangen van klaagster richting de werkgever behartigd. Het college wijst om die reden ook klachtonderdeel 5 af.

 

5.6.      De lezingen van partijen over wat gezegd zou zijn in het kader van de IVA-uitkering lopen uiteen. Dat brengt, voor wat betreft het onder 6) aangevoerde, mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Het college wijst klachtonderdeel 6 dan ook af.

 

5.7.      Klaagster verwijt verweerster onder 7) dat zij in samenspraak met de werkgever heeft bewerkstelligd dat klaagster geen telefonisch contact mocht opnemen met verweerster en ook niet per e-mail. Ter zitting heeft verweerster verklaard dat het inderdaad een afspraak tussen haar en de werkgever is dat alle contacten via de werkgever verlopen en dat werknemers niet rechtstreeks met haar per telefoon of e-mail communiceren. Een werknemer kan bij de werkgever aangeven dat hij/zij gebeld wil worden en dan belt verweerster terug. Het college stelt voorop dat het van groot belang is dat een werknemer zonder tussenkomst van de werkgever contact kan opnemen met de bedrijfsarts. Een afspraak als door verweerster met de werkgever gemaakt is daarmee geheel in strijd en met een dergelijke afspraak had verweerster dan ook niet behoren in te stemmen. Het college stelt vast dat verweerster actief aan deze afspraak heeft meegewerkt door het gebruik van briefpapier zonder contactgegevens (telefoonnummer/e-mailadres). Dit is nog bezwaarlijker nu ter zitting is gebleken dat de contactgegevens van verweerster door klaagster ook niet op een andere manier te achterhalen waren. Verweerster had zonder tussenkomst van de werkgever bereikbaar moeten zijn voor klaagster en eventuele andere werknemers. Het college acht klachtonderdeel 7 dan ook gegrond.

 

5.8.      Klaagster verwijt verweerster onder 8) dat zij geen actie heeft ondernomen tegen de loonstop. Verweerster heeft zowel schriftelijk als ter zitting verklaard weldegelijk contact opgenomen te hebben met de werkgever om de loonstop te bespreken en heeft haar best gedaan om dit van tafel te krijgen (hetgeen uiteindelijk ook gelukt is). Het college wijst klachtonderdeel 8) dan ook af.

 

5.9.      De stelling van klaagster onder 9) dat verweerster haar in samenspraak met de werkgever onder druk heeft gezet om weer te gaan werken, omdat de werkgever anders een hogere premie zou moeten betalen vindt geen steun in het dossier. Het lag op de weg van klaagster om deze door verweerster uitdrukkelijk betwiste stelling nader te onderbouwen maar dat heeft zij niet gedaan. Het college wijst klachtonderdeel 9 dan ook af.

 

5.10.    Het college kan niet vaststellen dat verweerster klaagster, zoals onder 10) gesteld, een jaar van herstel en dus haar werkplek heeft afgenomen. Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel geldt dat er meerdere problemen waren en meerdere factoren de oorzaak kunnen zijn van het feit dat klaagster arbeidsongeschikt is gebleven. Het college wijst klachtonderdeel 10 dan ook af.

 

5.11.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerster heeft ten aanzien van klachtonderdeel 7 gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten.

 

5.12.    Het college acht het zorgwekkend dat verweerster actief heeft meegewerkt aan een afspraak waarbij zij voor werknemers niet zonder tussenkomst van de werkgever benaderbaar is en dat verweerster pas door het instellen van deze klacht tot het inzicht is gekomen dat een dergelijk afspraak niet behoort te worden gemaakt. Daar staat tegenover dat verweerster inmiddels haar handelwijze heeft aangepast en duidelijk heeft gemaakt dat zij verbetermaatregelen ten aanzien van de bereikbaarheid heeft genomen. Dit alles afwegende maakt dat het college het passend acht verweerster hiervoor de maatregel van een waarschuwing op te leggen.

 

5.13.    Hoewel het geen klachtonderdelen betreffen en het college die derhalve bij de oplegging van de maatregel ook niet heeft betrokken, hecht zij er nog aan het volgende op te merken.

Ten eerste acht het college het principieel onjuist dat het verstrekken van een machtiging aan de bedrijfsarts om medische informatie bij andere hulpverleners op te vragen, gebeurt door het bij de werkgever invullen van die machtiging die die deze vervolgens doorzendt aan de bedrijfsarts. Verweerster had op deze gang van zaken, zoals die blijkbaar bij werkgever 2 geregeld was, moeten ingrijpen om de privacy en de belangen van klaagster en andere werknemers te waarborgen.

Ten tweede is het college van oordeel dat verweerster explicieter had kunnen opschrijven wat de bedoeling was in het kader van de re-integratie van klaagster. Als zij werkgever 2 bedoelde te informeren dat “koffie drinken/contact houden” op dat moment het hoogst haalbare is (zoals verweerster ter zitting heeft aangegeven) dan is die bedoeling niet te lezen in de woorden “opbouw in uren en taken” zonder nadere toelichting. Wat verweerster ter zitting heeft aangegeven bedoeld te hebben is derhalve niet met zoveel woorden terug te vinden in de terugkoppelingen aan de werkgever. Het college hecht er dan ook aan verweerster te adviseren in haar terugkoppeling haar woorden zorgvuldiger te kiezen.

 

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart klachtonderdeel 7 gegrond;

-         legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-         wijst de klacht voor het overige af.

 

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde (TBV) ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Aldus beslist door:

A. van Maanen, voorzitter,

P.G.J. Koch, C.W.M. Hosmus, en E.G. van der Jagt, leden-arts,

C. van Glabbeek, lid-jurist,

bijgestaan door M.G. Verkerk, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

 

WG  secretaris                                                                       WG  voorzitter

Meer informatie

Acties

Meta gegevens