Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGZCTG:2019:41
Datum uitspraak:
05-02-2019
Datum publicatie:
06-02-2019
Zaaknummer(s):
c2018.238
Onderwerp:
Onjuiste verklaring of rapport
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Klacht tegen huisarts. Klaagster verwijt verweerder dat hij ten onrechte in een verwijsbrief heeft geschreven dat klaagster last heeft van psychische klachten en paranoïde beelden en voorts dat hij klaagster ten onrechte naar een psycholoog heeft verwezen in plaats van naar een psychiater. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het beroep van klaagster wordt verworpen.

 

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2018.238 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, verbonden aan de stichting VvAA te Utrecht.

1.        Verloop van de procedure

A.  – hierna klaagster – heeft op 16 oktober 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C.  – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

9 mei 2018, onder nummer 17/382, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 januari 2019, waar zijn verschenen klaagster, en de huisarts, bijgestaan door mr. Peet voornoemd.  De zaak is ter terechtzitting over en weer bepleit.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klaagster was in 2008 als patiënt ingeschreven in de huisartsenpraktijk waar verweerder werkzaam is. Hij voert deze praktijk samen met een collega. Aan de praktijk zijn voorts meerdere (waarnemende) huisartsen verbonden.

2.2.     Klaagster is bij beschikking van 18 april 2011 door de kantonrechter onder curatele gesteld.

2.3.     Uit de door klaagster bij het klaagschrift gevoegde verwijsbrief van voornoemde huisartsenpraktijk wordt - voor zover van belang - het volgende overgenomen:

"  (…) 09.12.2008            C

S. Wil graag verwijzing psychotherapeut. Heeft eerder psychologische hulp gehad. Wil graag praten over complottheorieen gericht tegen patiente: rechters zijn tegen haar, ex-man heeft haar opgelicht. Wil nu naar psychotherapeut van broer op D. (…)

dossier: jarenlange psychische klachten, paranoide beelden, geen diagnose gesteld

E. verzoek verw Psychotherapie

Plan: Verwijsbrief

Gaarne uw evaluatie / behandeling ".

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

1.         ten onrechte in de verwijsbrief van 9 december 2008 heeft geschreven dat klaagster jarenlang last heeft van psychische klachten en paranoïde beelden;

2.         klaagster ten onrechte heeft verwezen naar de psycholoog in plaats van naar een psychiater.

Klaagster heeft onder andere aangevoerd dat de inhoud van de verwijsbrief van

9 december 2008 onjuist is. De in deze verwijsbrief vermelde gegevens worden tot op heden door veel opvolgend huisartsen en psychiaters overgenomen. Daardoor wordt onterecht de diagnose paranoïde wanen bij klaagster gesteld, welke diagnose ten grondslag ligt aan de ondercuratelestelling. Tijdens het vooronderzoek heeft klaagster onder andere nog verklaard dat de verwijsbrief afkomstig is uit verweerders praktijk en dat verweerder verantwoordelijkheid draagt voor de in zijn praktijk werkzame (waarnemend) huisartsen. Hij heeft een bewaarplicht van het medisch dossier van

17 jaar.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft primair aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht omdat uit de brief van de curator van 4 december 2017 blijkt dat deze geen toestemming aan klaagster heeft verleend de onderhavige klacht in te dienen. Subsidiair heeft verweerder de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.     Anders dan verweerder is het college van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. Vast staat dat de curator van klaagster, mevrouw E., hierna de curator, zoals blijkt uit haar brief van 4 december 2017, aan klaagster geen toestemming heeft verleend voor het indienen van de klacht tegen verweerder. Ten aanzien van de vraag of klaagster in dit geval desondanks als rechtstreeks belanghebbende kan worden beschouwd, geldt het volgende. Uit de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 7 december 2017

( zie ECLI:NL:TGZCTG:2017:328) volgt dat als hoofdregel moet gelden dat een patiënte die een mentor heeft of onder curatele staat, zonder toestemming van de mentor of de curator een tuchtklacht kan indienen. Op deze hoofdregel kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien aannemelijk is dat de patiënte ter zake van het al dan niet indienen van een klacht wilsonbekwaam is. Nu hiervan niet is gebleken, kan klaagster worden aangemerkt als klachtgerechtigde. Het college verklaart klaagster dan ook ontvankelijk in haar klacht.

5.2.      Het eerste en tweede klachtonderdeel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster reeds enkele jaren niet meer als patiënt staat ingeschreven in de huisartsenpraktijk en dat het medisch dossier destijds  is overgedragen aan de nieuwe huisarts van klaagster. Verweerder betwist dat hij de verwijsbrief van 9 december 2008 heeft geschreven. De naam van verweerder staat niet onder de verwijsbrief en de daarop getoonde handtekening is niet van hem. Omdat het medisch dossier is overgedragen aan de opvolgend huisarts van klaagster en omdat verweerder niet meer beschikt over het relevante gedeelte van het medisch dossier, is niet na te gaan wie van de aan de praktijk verbonden huisartsen de verwijsbrief heeft geschreven. Met verweerder is het college van oordeel dat de bewaarplicht (zoals omschreven in artikel 7:454 lid 3 BW) van klaagsters medisch dossier (na haar vertrek uit de praktijk van verweerder) is overgegaan op de opvolgend huisarts. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder destijds had moeten weten dat zich daarin gegevens bevonden die van uit goed hulpverlenerschap langer bewaard hadden moeten blijven. Nu ook klaagster, zoals zij heeft verklaard tijdens het vooronderzoek, niet beschikt over de voor de klacht relevante gegevens uit haar medisch dossier, is niet na te gaan wie van de aan de praktijk verbonden huisartsen de verwijsbrief heeft geschreven. Met betrekking tot de stelling van klaagster dat verweerder verantwoordelijk is voor het handelen van de in zijn praktijk werkzame (waarnemende) huisartsen, heeft verweerder onweersproken tijdens het vooronderzoek verklaard dat deze artsen onder eigen verantwoordelijkheid werken. Iedere arts draagt dan ook de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn eigen (persoonlijke) handelen. Nu verweerder betwist dat hij de verwijsbrief heeft geschreven en klaagster haar stellingen op dit punt niet nader heeft onderbouwd, missen beide klachtonderdelen feitelijke grondslag. Beide klachtonderdelen zijn ongegrond. Tot slot wordt ten overvloede opgemerkt dat het college in de stukken geen aanknopingspunten heeft gevonden voor klaagsters stelling dat de inhoud van de verwijsbrief, zoals hiervoor weergegeven onder punt 2.3., wordt overgenomen door opvolgende huisartsen en psychiaters en ten grondslag ligt aan de ondercuratelestelling van klaagster.  

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2 De huisarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de huisarts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.

4.4       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling  op 8 januari 2019 is dat debat voortgezet.

4.5       De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door:  A.D.R.M. Boumans, voorzitter, W.P.C.M. Bruinsma en

M.P. den Hollander, leden-juristen en M. van Bergeijk en F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en

M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 5 februari 2019.

            Voorzitter   w.g.                                           Secretaris  w.g.

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens