Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:184
Datum uitspraak:
05-06-2018
Datum publicatie:
04-02-2019
Zaaknummer(s):
632577
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Artikel 231 en 430 RvVoor executie is een grosse nodig.De gerechtsdeurwaarder moet marginaal toetsen of het vonnis een dagtekening, grosse en aan het hoofd: in naam des Konings bevat, alvorens te betekenen.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 5 juni 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beschikking van 4 juli 2017 met zaaknummer C/13/617753 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/632577 / DW RK 17/726  ingesteld door:

 

,

wonende te

klager,

 

tegen:

 

,

(voormalig) gerechtsdeurwaarder te ,

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 1 november 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.Bij verweerschrift, ingekomen op 9 november 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 4 juli 2017 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 4 juli 2017. Bij brief, ingekomen op 17 juli 2017, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klager heeft op 21 juli 2017 en 29 maart 2018 het verzetschrift aangevuld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 april 2018 alwaar klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft bericht niet ter zitting te zullen verschijnen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 5 juni 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

en arrest in opdracht van ., voorheen genaamd  (de opdrachtgever, hierna: ) aan klager betekend met gelijktijdig bevel om aan de inhoud te voldoen.

gebrachte nakosten ad 199,00.

voorgelegd aan zijn opdrachtgever.

tegemoet gekomen aan het bezwaar van klager en is uit kostenoverwegingen

besloten geen bevelschrift te laten uitvaardigen voor de nakosten.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij:

a: ongegrond of onrechtmatig bij exploot van 17 september 2014 een grosse van

het vonnis van 7 oktober 2010 en het arrest van 13 mei 2014 aan klager heeft

betekend teneinde op onrechtmatige wijze gelden namens  van klager

te verkrijgen middels een gedwongen betalingsregeling onder dreiging van

beslaglegging op de inboedel, terwijl klager helemaal niet is veroordeeld tot

enige prestatie aan of namens ;

b: zonder rechtsgeldige titel ten onrechte een bedrag van € 199,00 aan nasalaris

in rekening heeft gebracht, temeer nu klager de hoogte van het nasalaris heeft

betwist.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1. Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts

deurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders en

degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25,

eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar-

derswet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in

strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig

handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts

deurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder

niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder

een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2. Dat is niet het geval. Klager stelt zich op het standpunt dat hij geen enkele

rechtsverhouding heeft met , dat hij daarom niets aan  verschuldigd

is, dat de grosse niet voldoet aan de wettelijke bepalingen en dat de

gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar handelt door de executie niet te staken.

Dit is een klacht die gaat over de tenuitvoerlegging van een aan de

gerechtsdeurwaarder ter hand gestelde executoriale titel. Enig tuchtrechtelijk

laakbaar handelen is daarbij niet gebleken. Bij een geschil met betrekking tot de

(verdere) tenuitvoerlegging van een executoriale titel geeft artikel 438 van het

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een algemene regeling. Op grond van deze

bepaling dienen geschillen met betrekking tot de executie te worden voorgelegd aan

de bevoegde (executie)rechter. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg.

4.3. De gerechtsdeurwaarder is ingevolge artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet

in beginsel verplicht om ambtshandelingen, waartoe hij bevoegd is, te verrichten

indien hierom wordt verzocht. Op het moment dat de gerechtsdeurwaarder een

opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling ontvangt en geen sprake is van

uitsluiting van bevoegdheid, ontstaat daarmee automatisch de verplichting tot het

verrichten van die ambtshandeling.

4.4. Klager stelt verder dat sprake is van een gedwongen betalingsregeling, omdat de

gerechtsdeurwaarder zou dreigen met beslag op zijn inboedel. In het onderhavige

geval is een vonnis en een arrest ten laste van klager gewezen. Dit zijn executoriale

titels. De gerechtsdeurwaarder is op grond van die executoriale titels gerechtigd tot

het treffen van beslagmaatregelen. Klager staat op grond van artikel 3:276 BW met

zijn hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond

van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager.

Dat een dergelijke aankondiging voor klager dreigend over komt, maakt niet dat het

niet een maatregel is die de gerechtsdeurwaarder mag treffen. Een betalingsregeling

is een mogelijkheid voor een schuldenaar om zonder (meer) bijkomende kosten de

vordering te kunnen voldoen. Het aanbieden van een betalingsregeling is geen

verplichting van de schuldeiser of de gerechtsdeurwaarder. Dat klager een

betalingsregeling als gedwongen ervaart vanwege dreiging van beslag maakt, gelet

op het hierboven gestelde, niet dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar

handelt.

4.5. Met betrekking tot het door klager gestelde omtrent de nakosten

(klachtonderdeel b) overweegt de voorzitter dat de partij die beschikt over een vonnis

waarin ten laste van zijn wederpartij een kostenveroordeling is uitgesproken. Uit

hoofde van dat vonnis beslag kan leggen voor de nakosten, zonder dat de nakosten

bij voorbaat in het vonnis, arrest of nadien bij bevelschrift door de rechter zijn

begroot. Enkel wanneer bij de executie over de hoogte van de nakosten een geschil

ontstaat, dienen de nakosten door de rechter te worden begroot (Hoge Raad 19 maart

20 10, RvdW 2010. 434). Nu de gerechtsdeurwaarder beschikt over het vonnis van

7 oktober 2010 en het arrest van 13 mei 2014, waarin klager is veroordeeld in de

proceskosten, mocht hij overgegaan tot het in rekening brengen van nakosten. Na het

bezwaar van klager is de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder klager blijkens

de brief van 2 november 2016 tegemoet gekomen. De nakosten zijn uit

kostenoverwegingen geschrapt. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dan ook niet

gebleken.

4.6. De door klager geformuleerde klachten tegen de inhoud van het vonnis en het

arrest kunnen niet leiden tot het oordeel dat de executerende gerechtsdeurwaarder

klachtwaardig heeft gehandeld. Voor de klachten van klager omtrent de handelswijze

van de betreffende rechtbank en het betreffende gerechtshof, verwijst de voorzitter

klager naar die betreffende instanties voor het indienen van een klacht.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager het volgende aangevoerd, hetgeen hier in samengevatte vorm is weergegeven:

- De gerechtsdeurwaarder heeft de tuchtrechtelijke norm geschonden door het vonnis van 7 oktober 2010 aan hem te betekenen en te executeren. Klager heeft immers geen rechtsverhouding met . Dit blijkt onder meer uit het Uniform Pensioen Overzicht 2015 en 2016. In het arrest van 13 mei 2014 van het gerechtshof wordt verwezen naar een niet bestaande ontslagbrief van 26 maart 2002 en naar een niet bestaande arbeidsovereenkomst tussen  en klager. Klager is door de rechtbank niet veroordeeld tot enige prestatie aan . Het vonnis van 7 oktober 2010 en het arrest van 13 maart 2014 zijn niet in executoriale vorm opgemaakt omdat de grosse ontbreekt. De gerechtsdeurwaarder heeft niet voldoende gecontroleerd op de aanwezigheid van de woorden uitgifte voor grosse.

- De beslissing van de voorzitter is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand gekomen door te verwijzen naar artikel 11 van de gerechtsdeurwaarderwet. De gerechtsdeurwaarder heeft nooit een rechtsgeldige opdracht van  gekregen om het vonnis en het arrest te executeren.  heeft namelijk kenbaar gemaakt geen rechtsgeldige opdracht aan de gerechtsdeurwaarder te hebben gegeven. De gerechtsdeurwaarder was dan ook niet op grond van artikel 11 van de gerechtsdeurwaarderswet gehouden om het vonnis van 7 oktober 2010 van de rechtbank en het arrest van 13 maart 2014 namens  aan hem te betekenen en te executeren.

- Bij betwisting van de nakosten moet ingevolge vaste rechtspraak uitsluitend de

weg van artikel 237 lid 4 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) gevolgd worden. De gerechtsdeurwaarder heeft zich (vooralsnog) ondanks de betwisting van de nakosten niet bereid getoond om een bevelschrift bij de rechtbank te (laten) vragen.

- De beslissing van de Kamer van 4 juli 2017 is in strijd met artikel 6 EVRM

tot stand gekomen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat klager groot nadeel heeft ondervonden in zijn processuele positie omdat hij ondanks het in artikel 6 EVRM gewaarborgd recht op hoor en wederhoor, desgevraagd niet in de gelegenheid gesteld is om kennis te nemen van een afschrift van de rechtsgeldige opdracht die Genpact aan de gerechtsdeurwaarder zou hebben gegeven om ambtshandelingen namens

Genpact te verrichten.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Vooropgesteld wordt dat klager voor zover hij nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd hij daarin niet kan worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de Kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Hetzelfde geldt voor het aanvoeren van nieuwe feiten, die niet bekend waren bij het nemen van de beslissing door de voorzitter.

 

7.2 Gebleken is dat het arrest van het gerechtshof van 13 mei 2014 zoals gesteld door klager niet is uitgegeven voor grosse. Op grond van het bepaalde in artikel 231 en 430 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) is voor executie onder meer een grosse van een titel nodig met aan het hoofd de woorden ‘in naam des konings’. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 231 Rv dient ieder afschrift dat in executoriale vorm (grosse) wordt opgemaakt tevens voorzien te zijn van een dagtekening en de vermelding van de hoeveelste grosse het betreft. De gerechtsdeurwaarder is gehouden een vonnis marginaal op deze vereisten te toetsen alvorens dit te betekenen. Klager heeft kenbaar gemaakt aan de gerechtsdeurwaarder dat het arrest van het gerechtshof van 13 maart 2014 niet aan deze vereisten voldoet. De gerechtsdeurwaarder heeft op 17 juni 2015 aan klager laten weten dat de grosse stempel wellicht is weggevallen bij het kopiëren, maar dat hij daarin als gerechtsdeurwaarder voor klager niets kon betekenen. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager meegedeeld niet in te zien waarom klager is benadeeld en heeft hij geweigerd een en ander te herstellen. Het had echter op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om in overleg te treden met zijn opdrachtgever teneinde een nieuwe correcte grosse te verkrijgen (vgl. Kamer voor Gerechtsdeurwaarders 20 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:YB0900). Het verzet slaagt daarom in dit onderdeel. De Kamer ziet echter geen aanleiding aan de gerechtsdeurwaarder een maatregel op te leggen. De overweging van de Kamer is daarbij dat de gerechtsdeurwaarder inmiddels is gedefungeerd, hetgeen betekent dat hij het beroep van gerechtsdeurwaarder niet meer uitoefent. Het opleggen van een maatregel heeft daardoor geen toegevoegde waarde.

 

7.3 Klager heeft gesteld dat de beslissing van de voorzitter in strijd met artikel 6 EVRM is omdat er geen hoor en wederhoor is toegepast. De procedure, neergelegd in artikel 39 van de Gerechtsdeurwaarderswet, gaat ervan uit dat de voorzitter van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders bij wijze van versnelde behandeling de klachten zonder nader onderzoek kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond kan verklaren. De term “zonder nader onderzoek” impliceert dat na enig onderzoek de voorzitter, indien voldoende overtuigd, tot deze uitspraak kan komen. Hij is niet wettelijk verplicht de belanghebbenden eerst te horen.  Dit is door de Kamer aldus procedureel ingevuld dat de gerechtsdeurwaarder altijd om een reactie op de klacht wordt verzocht waarna de voorzitter beslist hoe de procedure verder verloopt. De voorzitter kan vervolgens beslissen enig onderzoek te verrichten en daaruit kan voort vloeien dat hij belanghebbenden voordat uitspraak wordt gedaan kan horen. Nu het de voorzitter vrij staat om al dan niet enig onderzoek te verrichten, kan dit onderdeel van het verzet niet leiden tot gegrondverklaring daarvan. Voor zover klager heeft bedoeld te betogen dat hij op grond van het bepaalde in artikel 6 EVRM recht heeft op inzage van de opdracht van  aan de gerechtsdeurwaarder overweegt de Kamer dat de gerechtsdeurwaarder niet is gehouden stukken in het geding te brengen die zijn rechtsverhouding met de opdrachtgever behelzen.

 

7.4 De Kamer overweegt voorts dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht voor de overige onderdelen de juiste maatstaf heeft toegepast. De in verzet tegen de beslissing van de voorzitter aangevoerde gronden leveren dan ook geen nieuwe gezichtspunten op. De door klager overgelegde stukken maken dit niet anders. De Kamer is het met de overige onderdelen van de beslissing van de voorzitter eens en het verzet tegen die beslissing dient dus voor het overige ongegrond te worden verklaard.

 

7.5 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet gegrond zoals overwogen in 7.2; 

-       verklaart het verzet voor het overige ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, plaatsvervangend-voorzitter,

mr. E. Diepraam en mr. J.N. Reijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

Tegen deze beslissing kan door de (voormalig) gerechtsdeurwaarder binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens