Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:181
Datum uitspraak:
30-10-2018
Datum publicatie:
18-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/633461 / DW RK 17/783
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De gerechtsdeurwaarder erkent dat hij in de periode waarin hij de incasso medio 2015 (als herincasso) weer heeft opgepakt, tot 4 augustus 2015, het moment waarop hij loonbeslag heeft gelegd, klaagster niet heeft gevraagd naar haar bronnen van inkomsten, omdat hij dit reeds gedaan heeft in 2008, 2011 en 2012, maar dat klaagster hierop niet of volstrekt onvoldoende heeft gereageerd. De kamer overweegt dat dit geen reden is om bij een nieuw voornemen tot het leggen van beslag niet naar de inkomstengegevens van klaagster te vragen, teneinde de juiste beslagvrije voet te kunnen berekenen. De gerechtsdeurwaarder had in de onderhavige situatie niet slechts af mogen gaan op de wettelijke norm. De gerechtsdeurwaarder is vervolgens niet tegemoetgekomen aan het verzoek van klaagster om de berekening van de aanvankelijke en de aangepaste beslagvrije voet inzichtelijk te maken. De gerechtsdeurwaarder heeft klaagster tevens geen uitleg gegeven met betrekking tot de berekening van de rente, niet inzichtelijk gemaakt hoe de rente is berekend en klaagster bovendien onjuist geïnformeerd met betrekking tot de hoogte van de rente die in het vonnis van 21 juni 1996 is toegewezen. Nadat klaagster de gerechtsdeurwaarder erop gewezen had dat in het vonnis staat dat de wettelijke rente berekend moet worden, heeft de gerechtsdeurwaarder per e-mail, zonder nadere uitleg of excuses, erkend dat een onjuist rentepercentage is gehanteerd en heeft in dezelfde e-mail opnieuw opgave gedaan van het (opnieuw berekende) verschuldigde rentebedrag. Tussen partijen staat vast dat ook dit bedrag onjuist is berekend. De gerechtsdeurwaarder heeft toegelicht dat het gecorrigeerde rentebedrag te hoog is berekend, veroorzaakt door een menselijke fout bij de correctie van de rente. De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder met deze tweede misslag ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. Het verweer dat er is vertrouwd op de juistheid van de gegevens in het computersysteem gaat niet op. Klacht op deze onderdelen gegrond, klacht voor het overige ongegrond. Voor het gegronde deel van de klacht wordt de maatregel van berisping opgelegd.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 30 oktober 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/633461 / DW RK 17/783 LV/WdJ ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

 

tegen:

 

mr. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ]

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 2 augustus 2017, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (een medewerkster van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen per e-mail op

29 augustus 2017, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2018 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 30 oktober 2018.

 

1. Feiten en omstandigheden

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis van 21 juni 1996 ten laste van klaagster, dat aan klaagster is betekend op 2 augustus 1996.

-           De vordering is in augustus 1995 door [ ] (hierna: [ ]) overgedragen aan [ ] (hierna: [ ]), gerechtsdeurwaarder te [ ].

-           Op 12 december 2003 heeft [ ] deze zaak met [ ] afgerekend. Blijkens zijn afrekening bedraagt de rente tot die datum € 2.357,40 en is er

€ 907,60 geïncasseerd.

-           In augustus 2008 heeft [ ] de nog openstaande vordering op klaagster overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder.

-           Op 14 augustus 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) ten laste van klaagster.

-           Op 17 juni 2011 is de uitkering van klaagster van het UWV beëindigd, waardoor het derdenbeslag is komen te vervallen.

-           Op 4 augustus 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd onder het openbaar lichaam [ ] ten laste van klaagster.

-           Op 29 mei 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster per brief medegedeeld dat zij terecht heeft gesteld dat een verkeerde rente is gehanteerd en dat deze derhalve is aangepast naar de wettelijke rente. In de brief heeft de gerechtsdeurwaarder de verschuldigde wettelijke rente berekend op een bedrag van € 3.820,95.

-           Na indiening van de klacht heeft de gerechtsdeurwaarder op 18 augustus 2017 aan klaagster laten weten dat de rente nogmaals opnieuw is berekend, met als uitkomst dat klaagster een bedrag van € 3.095,38 krijgt terugbetaald.

 

2. Klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: niet heeft gevraagd naar haar inkomen en leefomstandigheden en hier ook geen rekening mee heeft gehouden bij het berekenen van de beslagvrije voet;

b: nooit een poging ondernomen heeft om de vordering te verhalen op de daadwerkelijke schuldenaar, de heer [ ], die haar handtekening heeft vervalst;

c: geen berekening van, noch toelichting op de beslagvrije voet verstrekt wanneer zij daar om vraagt;

d: een verkeerd bedrag berekent aan rente en desgevraagd de berekening van de rente, de aflossingen en doorbetalingen niet aan haar overlegt;

e: haar heeft willen misleiden met een aanbod tot finale kwijting;

f: ten onrechte beslag heeft gelegd op haar vakantiegeld;

g: executiekosten in rekening brengt die te hoog zijn;

h: niet volgens de wet heeft gehandeld.

 

3. Verweer

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. Beoordeling

4.1 Gerechtsdeurwaarders zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 De klacht is ingediend tegen een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ] te [ ]. Het verweer is afkomstig van mr. [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], die in het verweerschrift aangeeft dat het dossier van klaagster door hem inhoudelijk is behandeld. De kamer beschouwt de klacht als zijnde tegen hem gericht. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a erkent de gerechtsdeurwaarder dat hij in de periode waarin hij de incasso medio 2015 (als herincasso) weer heeft opgepakt, tot

4 augustus 2015, het moment waarop hij loonbeslag heeft gelegd, klaagster niet heeft gevraagd naar haar bronnen van inkomsten. De gerechtsdeurwaarder voert aan dat hij dit reeds gedaan heeft op 28 augustus 2008, 24 september 2008, 3 september 2011 en

2 februari 2012, maar dat klaagster hierop niet of volstrekt onvoldoende heeft gereageerd. De kamer overweegt dat dit geen reden is om bij een nieuw voornemen tot het leggen van beslag niet naar de inkomstengegevens van klaagster te vragen, teneinde de juiste beslagvrije voet te kunnen berekenen. De gerechtsdeurwaarder had in de onderhavige situatie niet slechts af mogen gaan op de wettelijke norm. Temeer nu er in dit geval een aantal jaren tussen het laatste verzoek om inlichtingen in 2012 en het loonbeslag in 2015 ligt en de gerechtsdeurwaarder op basis van historische gegevens bekend was met de persoonlijke situatie van klaagster.  De klacht is in zoverre terecht voorgesteld.

 

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder belast is met de executie van een vonnis, waarvoor klaagster hoofdelijk aansprakelijk is. Dit houdt in dat de gehele vordering op klaagster verhaald kan worden, ongeacht of de heer [ ] ook aansprakelijk is ten aanzien van dezelfde vordering. Het standpunt dat de heer [ ] de daadwerkelijke schuldenaar is omdat hij de handtekening van klaagster heeft vervalst, had in de procedure die tot het vonnis heeft geleid naar voren moeten worden gebracht. De gerechtsdeurwaarder heeft niet de bevoegdheid het vonnis te heroverwegen. Uitgangspunt is vervolgens dat de gerechtsdeurwaarder te allen tijde verplicht is om, in het gehele arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen, de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is te verrichten, wanneer hierom wordt verzocht. Deze zogeheten ministerieplicht neemt niet weg dat de gerechtsdeurwaarder een eigen verantwoordelijk heeft om bij een opdracht tot het leggen van executoriaal beslag marginaal te toetsen of de desbetreffende titel voldoende grond biedt voor het te leggen beslag. De gerechtsdeurwaarder heeft met de tenuitvoerlegging van het vonnis ten laste van klaagster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Indien klaagster het niet eens is met de vordering en van mening is dat deze verhaald dient te worden op de heer [ ], ligt het op haar weg om hiertoe een procedure aan te spannen bij de civiele rechter. Het tuchtrecht is hiervoor niet de juiste weg.

 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat klaagster de  gerechtsdeurwaarder per e‑mail van 20 januari 2017 heeft verzocht uit te leggen hoe de beslagvrije voet wordt toegepast en om deze met terugwerkende kracht aan te passen naar € 1.769,78. Klaagster heeft dit verzoek onderbouwd met een eigen berekening aan de hand van de rekentool van de KBvG. Bij brief van 27 januari 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder uitgelegd dat de beslagvrije voet destijds is vastgesteld door middel van de echtparennorm minus de inkomsten uit het nabestaandenpensioen van klaagster van € 79,17 per maand, hetgeen uitkomt op € 1.156,19. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat de beslagvrije voet is verhoogd naar

€ 1.384,90 per maand zonder verder in te gaan op de door klaagster overgelegde berekening. De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder daarmee het gemotiveerde verzoek van klaagster om verhoging van de beslagvrije voet tot een bedrag van € 1.769,78, volledig onbesproken heeft gelaten.

Bij brief van 1 april 2017 heeft klaagster nogmaals verzocht om een specificatie van en toelichting op de gehanteerde beslagvrije voet, voor en na de aanpassing. De gerechtsdeurwaarder heeft hierop per e-mail van 10 april 2017 de uitleg van de aanvankelijke beslagvrije voet, zoals uiteengezet in de brief van 27 januari 2017 herhaald. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat hij de berekening van de aangepaste beslagvrije voet (ad € 1.384,90) bijgaand aan klaagster doet toekomen. Deze berekening heeft de gerechtsdeurwaarder echter niet overgelegd. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat de gerechtsdeurwaarder aan het verzoek van klaagster om de berekening van de aanvankelijke en de aangepaste beslagvrije voet inzichtelijk te maken, tegemoet is gekomen. De klacht is ook op dit onderdeel terecht voorgesteld.

 

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d erkent de gerechtsdeurwaarder dat er een verkeerd percentage voor de berekening van de vertragingsrente is gehanteerd. Een gerechtsdeurwaarder die een vergissing begaat of een rekenfout maakt, maakt zich in het algemeen daarmee niet zonder meer schuldig aan handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk dient te worden bestraft. Dit kan anders zijn wanneer de vergissing of fout klaarblijkelijk het gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. De gerechtsdeurwaarder stelt dat [ ] de dossiergegevens grotendeels elektronisch heeft aangeleverd, waarop de gerechtsdeurwaarder deze elektronisch heeft ingelezen. Hierbij is het verkeerde rentepercentage in het dossier opgenomen. Dit kan verklaren dat er een fout is gemaakt bij de renteberekening. Op 1 april 2017 heeft klaagster per e‑mail onder andere verzocht om een specificatie van de betaalde rente. De gerechtsdeurwaarder heeft hierop per e-mail van 10 april 2017 geantwoord dat in het vonnis van 21 juni 1996 een contractuele rente van 13,2% per jaar is toegewezen en dat er geen specificatie van de rente overgelegd kan worden, omdat de betalingen in de periode van 27 augustus 2009 tot en met juni 2011 zijn opgenomen in een gearchiveerd dossier. Klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder vervolgens op 19 april 2017 verzocht om een kopie van het vonnis waaruit zou blijken dat een rentepercentage van 13,2% in rekening gebracht mag worden. Voorts heeft klaagster nogmaals verzocht om een specificatie van de berekende rente en aangevoerd de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat een deel van de betalingen zich in het archief zou bevinden geen acceptabel excuus te vinden. In reactie heeft de gerechtsdeurwaarder op 1 mei 2017 per e-mail de verzochte kopie van het vonnis van 21 juni 1996 aan klaagster gestuurd. Daarbij heeft hij ten onrechte medegedeeld dat uit dat vonnis blijkt dat een rentepercentage van 13,2% per jaar is toegewezen en tevens dat hij niet bij machte is een overzicht van de berekende rente te overleggen. De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder, nadat klaagster op 1 april 2017 heeft verzocht om uitleg met betrekking tot de berekening van de rente, niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de rente is berekend en klaagster bovendien onjuist heeft geïnformeerd met betrekking tot de hoogte van de rente die in het vonnis van 21 juni 1996 is toegewezen. Dit is op zichzelf reeds tuchtrechtelijk laakbaar en het navolgende komt daar nog bij.

 

4.7 Klaagster heeft vervolgens per e-mail van 22 mei 2017 onder meer gesteld dat volgens haar in het vonnis staat dat de wettelijke rente berekend moet worden. De gerechtsdeurwaarder heeft hierop bij e-mail van 29 mei 2017, zonder nadere uitleg of excuses, erkend dat een onjuist rentepercentage is gehanteerd en heeft in dezelfde

e-mail opnieuw opgave gedaan van het (opnieuw berekende) verschuldigde rentebedrag, ter hoogte van € 3.820,95. Tussen partijen staat vast dat ook dit bedrag onjuist is berekend, klaagster heeft uiteindelijk een aanzienlijk bedrag terugbetaald gekregen. De gerechtsdeurwaarder heeft toegelicht dat het gecorrigeerde rentebedrag te hoog is berekend, veroorzaakt door een menselijke fout bij de correctie van de rente (‘vinkje niet weg gehaald’). De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder met deze tweede misslag ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. Het verweer dat er is vertrouwd op de juistheid van de gegevens in het computersysteem gaat niet op. Los van het feit dat fouten die voortkomen uit het werken met een bepaald computersysteem binnen de risicosfeer van de gerechtsdeurwaarder vallen, is in onderhavige zaak gebleken dat de gerechtsdeurwaarder met de e-mail van 29 mei 2017 nu juist heeft medegedeeld een fout (waarvan hij stelt dat deze is veroorzaakt door het werken met een bepaald computersysteem) te corrigeren. In dat geval dient de gerechtsdeurwaarder de uitkomst van de herberekening te controleren en niet zonder meer te vertrouwen op de gegevens in het computersysteem.De klacht is ook op dit onderdeel terecht voorgesteld.

 

4.8 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de kamer dat uit het bovenstaande volgt dat de gerechtsdeurwaarder klaagster onvoldoende specificatie en toelichting heeft verschaft over de berekende rente en klaagster tweemaal uitdrukkelijk onjuist heeft geïnformeerd. Onder deze omstandigheden heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster bij brief van 27 januari 2017 een aanbod ter finale kwijting gedaan en ‑ nadat het aanbod ter finale kwijting was vervallen – bij brief van 29 mei 2017 aangeboden het dossier te sluiten. Klaagster heeft daardoor onder druk gestaan om de zaak te sluiten op een manier die voor haar ernstig nadelig zou zijn geweest. Bij brief van 18 augustus 2017, nadat klaagster onderhavige klacht had ingediend, heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster immers medegedeeld dat hij het dossier grondig tegen het licht heeft gehouden, waarna hij heeft geconcludeerd dat klaagster volgens hem restitutie toekomt van € 3.095,38. Daarmee is echter niet vast komen te staan dat de gerechtsdeurwaarder klaagster bewust heeft misleid, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de gerechtsdeurwaarder zich er op dat moment van bewust was dat de herberekening nog altijd niet klopte. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is op dit punt dan ook niet gebleken.

 

4.9 Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de kamer dat de Hoge Raad in zijn arrest van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3068) heeft bepaald dat indien het maandelijkse inkomen in de maanden waarin het vakantiegeld wordt opgebouwd steeds boven de beslagvrije voet uitkomt, de jaarlijkse uitbetaling van het vakantiegeld geheel vatbaar is voor beslag. Dit is anders in de gevallen waarin het maandelijkse inkomen in die maanden steeds beneden de beslagvrije voet is gebleven of waarin de schuldenaar in de periode waarin het vakantiegeld werd opgebouwd een wisselend inkomen heeft genoten, waardoor het inkomen in sommige maanden beneden de beslagvrije voet bleef en in andere maanden daar bovenuit kwam. Het vakantiegeld is in de genoemde gevallen slechts vatbaar voor beslag voor zover het als maandelijkse aanspraak tezamen met het daadwerkelijk in die maanden genoten inkomen zou zijn uitgekomen boven de beslagvrije voet in die maanden, telkens per maand beoordeeld. Hierbij tellen ook de maanden mee waarin er nog geen beslag op het inkomen lag. Doorslaggevend is of er beslag op het inkomen rust in de maanden waarin de uitbetaling van het vakantiegeld plaatsvindt. Indien klaagster het niet eens is met de inhouding van het vakantiegeld, dan staat het haar vrij een executiegeschil op te starten bij de voorzieningen­rechter. Het tuchtrecht is niet de juiste weg om een dergelijk geschil inhoudelijk te beoor­delen.

 

4.10 Ten aanzien van klachtonderdeel g overweegt de kamerdat de met de betekening van de diverse ambtshandelingen gepaard gaande kosten berusten op door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders neergelegde tarieven. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder andere of hogere kosten in rekening heeft gebracht. Het in rekening brengen van deze kosten is niet tuchtrechtelijk laakbaar.

 

4.11 Ten aanzien van klachtonderdeel h overweegt de kamer dat deze enkele niet nader door klaagster onderbouwde stelling onvoldoende is om tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast te stellen. Klaagster volstaat met een algemene stelling zonder toelichting of onderbouwing. Dit klachtonderdeel voldoet aldus niet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld.

4.12 Gezien de gegrond verklaarde klachtonderdelen acht de kamer de maatregel van berisping passend en geboden. De kamer acht een geldboete niet passend, nu niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder in deze zaak financieel voordeel heeft behaald of beoogd.

 

4.13Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klachtonderdelen a, c, en d gegrond;

-       verklaart de klachtonderdelen b, e, f, g, en h ongegrond;

-       legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. L. Voetelink, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. C.W. Inden en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens