Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:180
Datum uitspraak:
30-10-2018
Datum publicatie:
18-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/626539 / DW RK 17/363
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De gerechtsdeurwaarder heeft niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door verdere executiemaatregelen te treffen, nu de betalingsregeling was vervallen, omdat de regeling vanwege het ontbreken van gegevens niet kon worden herzien. Dat klager de oorspronkelijke betalingsregeling eenzijdig heeft voortgezet maakt dit niet anders. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn beantwoordt. De termijn van reageren is in dit geval niet dusdanig lang dat de gerechtsdeurwaarder hier een tuchtrechtelijk laakbaar verwijt kan worden gemaakt.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 30 oktober 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/626539 / DW RK 17/363 LV/WdJ ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klager,

gemachtigde: [ ],

 

tegen:

 

[ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 3 april 2017, heeft (de gemachtigde van) klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij brief met bijlagen, ingekomen op 12 april 2017. Bij verweerschrift, ingekomen 7 juli 2017, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2018 alwaar klager en zijn gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 30 oktober 2018.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           De gerechtsdeurwaarder is belast met een dwangbevel van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) ten laste van klager.

-           Op 20 oktober 2015 is de gerechtsdeurwaarder een betalingsregeling voor de duur van een jaar met klager overeengekomen.

-           Teneinde de betalingsregeling te kunnen herzien heeft de gerechtsdeurwaarder in oktober 2016 aan klager verzocht om een inkomsten en uitgaven formulier in te vullen en retour te zenden.

-           Omdat klager het formulier niet heeft geretourneerd, is de betalingsregeling komen te vervallen en is de gerechtsdeurwaarder aangevangen met de executie van het dwangbevel.

-           Op 23 november 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder een poging beslag op de inboedel van klager verricht. Hiervan is afgezien, omdat klager niet meer op het betreffende adres verbleef.

-           Nadat klager telefonisch contact met de gerechtsdeurwaarder heeft opgenomen en een aanbetaling heeft verricht, is opnieuw een betalingsregeling overeengekomen.

-           Bij brief van 10 januari 2017 hebben klager en zijn gemachtigde een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder.

-           Bij e-mail van 7 maart 2017 heeft de gemachtigde van klager de brief van

10 januari 2017 gerappelleerd.

-           Bij e-mail van 30 maart 2017 heeft de gemachtigde van klager de gerechtsdeurwaarder verzocht om een overzicht van alle verrichte betalingen.

-           Bij e-mail van 31 maart 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder een brief gedateerd 26 januari 2017 aan de gemachtigde van klager verzonden alsmede een specificatie van de vordering.

 

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: zich in deze zaak niet heeft gedragen zoals een goede gerechtsdeurwaarder betaamt;

b: zijn beroep niet zo uitoefent, dat zijn onafhankelijkheid en ambtelijk onpartijdigheid niet in gevaar komen;

c: zijn beroep niet zodanig uitoefent, dat een goede vervulling van zijn ambtelijke verplichtingen gewaarborgd zijn;

d: er niet of niet voldoende zorg voor draagt dat de inrichting en organisatie van zijn kantoor voldoen aan de eisen van een goede praktijkuitoefening;

e: te kort is geschoten in de geheimhoudingsplicht;

f: meermalen ongeoorloofde druk uitoefende op klager door onder andere het aankondigen van maatregelen en het leggen van beslagen, terwijl hij daartoe volgens de wet en bijkomende richtlijnen niet gerechtigd was;

g: niet nauwgezet en zorgvuldig handelde in financiële aangelegenheden;

h: onzorgvuldig handelt en de beroeps- en gedragsregels overtreedt;

i: klager niet correct bejegent.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

 

4.2 Omdat een kantoor geen beklaagde kan zijn wordt, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696), de verweervoerende gerechtsdeurwaarder als beklaagde aangemerkt. Hiermee is in de aanhef van deze beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Klager stelt dat hij nooit een inkomsten- en uitgavenformulier van de gerechtsdeurwaarder heeft ontvangen teneinde de betalingsregeling te herzien, ondanks zijn verzoeken hiertoe. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder ten onrechte executiemaatregelen getroffen na de vervallen betalingsregeling. De voorzitter stelt bij de beoordeling voorop dat een betalingsregeling een gunst is van de opdrachtgever. Daarbij kunnen voorwaarden worden opgenomen. Het is geen recht voor de schuldenaar. Bij brief van 20 oktober 2015 is de met klager overeengekomen betalingsregeling aan klager bevestigd voor de duur van twaalf maanden. Na deze termijn zou de regeling worden herzien, omdat het overeengekomen maandelijks te betalen bedrag volgens de gerechtsdeurwaarder te laag was in verhouding tot het verschuldigde bedrag. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door na een jaar klager te verzoeken een inkomsten- en uitgavenformulier ingevuld te retourneren. Ter zitting is door de gerechtsdeurwaarder niet betwist dat klager in oktober 2016 een verkeerd inkomsten- en uitgavenformulier van hem heeft ontvangen. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij op 1 november 2016 het juiste formulier aan klager heeft verzonden, nadat klager hem er op had gewezen het verkeerde formulier te hebben ontvangen. Klager ontkent de ontvangst ervan, maar betwist niet dat hij op 14 november 2016 een rappel van de gerechtsdeurwaarder heeft ontvangen. Klager heeft niet gereageerd op het rappel van de gerechtsdeurwaarder van 14 november 2016 en heeft evenmin actie ondernomen om alsnog het juiste formulier te krijgen. Dit komt voor rekening en risico van klager. De gerechtsdeurwaarder mocht er onder deze omstandigheden van uitgaan dat klager het juiste formulier had ontvangen.

 

4.4 Nu de betalingsregeling was vervallen, omdat de regeling vanwege het ontbreken van gegevens niet kon worden herzien, heeft de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door verdere executiemaatregelen te treffen. Dat klager de oorspronkelijke betalingsregeling eenzijdig heeft voortgezet maakt dit niet anders.

 

4.5 Klager stelt dat hij door de gerechtsdeurwaarder gedwongen is een bedrag van

€ 1.500,-- ineens te betalen alvorens het CJIB weer zou willen overgaan tot een nieuwe betalingsregeling. De gemachtigde van klager stelt dat zij contact heeft opgenomen met het CJIB en dat het CJIB niet op de hoogte was van een dergelijke afspraak met de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting toegelicht dat het CJIB bij aanvang van een opdracht een expiratietermijn geeft waarbinnen de vordering moet zijn betaald. Het CJIB controleert de voortgang van het dossier, maar geeft geen aanwijzing hoe het dossier afgehandeld dient te worden. Gelet op de hoogte van het verschuldigde bedrag en de termijn waarbinnen dit moest worden voldaan heeft de gerechtsdeurwaarder naar het oordeel van de kamer niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door een bedrag van € 1.750,-- dan wel € 1.500,-- te eisen alvorens weer kon worden overgegaan tot een nieuwe betalingsregeling. Dat ten aanzien van de hoogte van het geëiste bedrag niet specifiek contact is geweest tussen het CJIB en de gerechtsdeurwaarder maakt het niet anders.

 

4.6 De gemachtigde van klager stelt dat zij door medewerkers van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder is beledigd, gekleineerd en voor leugenaar is uitgemaakt, kennelijk alleen omdat zij van buitenlandse afkomst is en volhardend is in het waarborgen van de belangen van klager. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven zich niet te herkennen in de beschuldigingen van de gemachtigde van klager. Dat medewerkers kennelijk persoonlijke gegevens van de gemachtigde van klager uit het register van de Kamer van Koophandel opsomden is door de gerechtsdeurwaarder niet uitdrukkelijk ontkend. De gerechtsdeurwaarder heeft hier ter zitting op gereageerd en aangegeven dat hij dit serieus neemt en er met de medewerkers over heeft gesproken. De gerechtsdeurwaarder heeft echter niet erkend dat er dingen zijn gezegd die niet gezegd hadden mogen worden. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde van klager dat de gerechtsdeurwaarder ten behoeve van de vordering op klager beslag op de bankrekening van de gemachtigde heeft gelegd, geldt dat dit niet nader met stukken is onderbouwd en de gerechtsdeurwaarder heeft aangegeven hier niet bekend mee te zijn. De kamer is van oordeel dat zonder nadere onderbouwing waaruit de onbeschofte wijze van te woord staan heeft bestaan en het ontbreken van een onderbouwing van het bankbeslag, niet kan worden vastgesteld wie hier het gelijk aan zijn zijde heeft. Nu klachtwaardig handelen op dit punt niet kan worden vastgesteld, dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen.

 

4.7 Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn beantwoordt. Bij brief van 10 januari 2017 hebben klager en zijn gemachtigde een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend. De gerechtsdeurwaarder heeft hier binnen een redelijke termijn bij brief van 26 januari 2017 op gereageerd. Klager stelt dat hij de brief van 26 januari 2017 niet heeft ontvangen, waarop hij voor zijn brief van 10 januari 2017 bij e-mail van 7 maart 2017 heeft gerappelleerd. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 31 maart 2017 gereageerd. De kamer is van oordeel dat de termijn van reageren niet dusdanig lang is dat de gerechtsdeurwaarder hier een tuchtrechtelijk laakbaar verwijt kan worden gemaakt.

 

4.8Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. L. Voetelink, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. C.W. Inden en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens