Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:172
Datum uitspraak:
26-06-2018
Datum publicatie:
18-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/617388 / DW RK 16/1135
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De kamer acht het tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder de uit het beslag ontvangen gelden gelijk aan de opdrachtgeefster heeft doorgestort zonder te controleren of het UWV rekening had gehouden met de nieuwe beslagvrije voet. De kamer is van oordeel dat het aan de gerechtsdeurwaarder was om het teveel geïnde bedrag direct aan klager te storten. Het heeft in dit geval te lang geduurd voordat klager het geld waar hij recht op had heeft ontvangen. Klacht gegrond, maatregel van berisping.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 26 juni 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/617388 / DW RK 16/1135 ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klager,

 

tegen:

 

[ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 oktober 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 22 december 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018 alwaar klager, zijn echtgenote en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 26 juni 2018.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           Bij vonnis van de kantonrechter te Zaandam van 24 mei 2012 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

-           Bij exploot van 9 juli 2012 is het vonnis aan klager betekend met gelijktijdig bevel om aan de inhoud te voldoen.

-           Na de betekening van het vonnis zijn diverse betalingsregelingen met klager overeengekomen die allemaal op enig moment zijn komen te vervallen.

-           Op 14 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag gelegd onder het UWV. Daarbij heeft de gerechtsdeurwaarder een beslagvrije voet gehanteerd van € 449,84 per maand.

-           Bij exploot van 19 juli 2016 heeft een collega-gerechtsdeurwaarder

[ ] het proces-verbaal van het gelegde derdenbeslag aan klager betekend.

-           Klager heeft vervolgens aangegeven dat de beslagvrije voet niet correct was.

-           Bij brief van 2 augustus 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om relevantie bewijsstukken teneinde de juiste beslagvrije voet te kunnen berekenen.

-           Op 11 augustus 2016 heeft klager de benodigde stukken overgelegd.

-           Op 19 augustus 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet aangepast naar € 1.001,81 per maand. Hiervan zijn klager en het UWV schriftelijk op de hoogte gebracht.

-           Op 24 augustus 2016 heeft de eerste inhouding plaatsgevonden. Het UWV hanteerde echter nog de oude beslagvrije voet.

-           Op 25 augustus 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder het (teveel geïncasseerde) bedrag aan de opdrachtgeefster doorgestort.

-           Bij brief van 13 september 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder de opdrachtgeefster verzocht het teveel geïncasseerde bedrag ad € 551,97 terug te storten.

-           Op 6 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder nogmaals om terugbetaling verzocht.

-           Op 25 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 551,97 aan klager retour gestort.

 

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder het teveel geïnde geld van het beslag op zijn uitkering tot op het moment van indiening van de onderhavige klacht nog steeds niet heeft teruggestort, terwijl de beslagvrije voet reeds op 19 augustus 2016 is aangepast.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat -gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 Om een niet nader toegelichte reden is de beslagvrije voet bij het leggen van het bewuste beslag te laag vastgesteld. Nadat klager tot wijziging van de beslagvrije voet had verzocht, heeft beklaagde direct, en nog voor ontvangst van de eerste afdracht, de beslagvrije voet aangepast en het UWV hierover geïnformeerd. Bij de inhouding van 24 augustus 2016 hanteerde het UWV echter nog de onjuiste beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder erkent dat hij heeft nagelaten het ontvangen bedrag uit het gelegde derdenbeslag te controleren aan de hand van de nieuwe beslagvrije voet en dat hij het ontvangen bedrag na ontvangst op 25 augustus 2016 volledig heeft doorgestort aan de opdrachtgeefster. De gerechtsdeurwaarder heeft de opdrachtgeefster vervolgens drie weken later verzocht de teveel geïncasseerde gelden terug te storten. Dit verzoek heeft de gerechtsdeurwaarder meer dan drie weken later nog een keer herhaald. Klager heeft het geld waar hij recht op had pas op 25 oktober 2016 terug gekregen. Tijdens de mondelinge behandeling gaf klager aan extra financiële problemen te hebben gekregen door de te hoge inhouding. De kamer acht het tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder de ontvangen gelden gelijk aan de opdrachtgeefster heeft doorgestort zonder te controleren of het UWV rekening had gehouden met de nieuwe beslagvrije voet. De kamer is van oordeel dat het aan de gerechtsdeurwaarder was om het teveel geïnde bedrag direct aan klager te storten. Het heeft in dit geval te lang geduurd voordat klager het geld waar hij recht op had heeft ontvangen.

 

4.3Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klacht gegrond;

-       legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. L. Voetelink, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. C.A. van Dijk en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens