Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:150
Datum uitspraak:
10-07-2018
Datum publicatie:
16-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/631463 / DW RK 17/649
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. Klaagster is het niet eens met de hoogte van de beslagvrije voet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 10 juli 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 15 juni 2017 met zaaknummer C/13/622050 / DW RK 17/34 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/631463 / DW RK 17/649 ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

 

tegen:

 

[ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 12 januari 2017, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 16 februari 2017, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. Bij beslissing van 15 juni 2017 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij brief, ingekomen op 28 juni 2017, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzet-schrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 10 juli 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een tweetal vonnissen van de kantonrechter te Amsterdam ten laste van klaagster.

-           Bij exploot van 21 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag onder de Sociale Verzekeringsbank ten laste van klaagster gelegd.

-           Bij exploot van 28 oktober 2016 is het derdenbeslag aan klaagster overbetekend.

-           Bij brief van 28 oktober 2016 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de beslagvrije voet.

-           Bij e-mailbericht van 2 november 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder verzocht om relevante bewijsstukken om de beslagvrije voet te kunnen herberekenen.

-           Klaagster heeft hier bij e-mailbericht van 2 november 2016 op gereageerd.

Bij brief van 5 november 2016 heeft klaagster haar e-mailbericht van

2 november 2016 gerappelleerd.

-           Bij e-mailbericht van 8 november 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster geïnformeerd dat de beslagvrije voet is aangepast. De gerechts-deurwaarder heeft de Sociale Verzekeringsbank hiervan op diezelfde dag op de hoogte gesteld.

-           Bij brief van 8 november 2016 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de aangepaste beslagvrije voet.

-           Vervolgens hebben klaagster en de gerechtsdeurwaarder in de periode van

11 november 2016 tot en met 6 december 2016 veelvuldig gecorrespondeerd over de berekening van de beslagvrije voet.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet hanteert.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts-deurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

 

4.2 De klacht is gericht tegen toegevoegd gerechtsdeurwaarder [ ], werkzaam bij gerechtsdeurwaarderskantoor [ ]. In het verweer heeft toegevoegd gerechtsdeurwaarder [ ] zich opgeworpen als beklaagde, omdat de klacht ziet op het onjuist vaststellen van de beslagvrije voet de heer [ ] hier niets mee van doen heeft gehad. Het staat de Kamer, indien de klacht is gericht tegen een bepaalde gerechtsdeurwaarder, niet vrij zelfstandig een andere gerechtsdeurwaarder als beklaagde aan te merken. De klacht dient dan ook te worden afgewikkeld tegen de bij naam genoemde gerechtsdeurwaarder.

 

4.3 De beslagvrije voet kan eerst op de juiste manier worden berekend op het moment dat de gerechtsdeurwaarder beschikt over de door hem gevraagde bewijsstukken. Uit de overgelegde producties kan worden opgemaakt dat de gerechtsdeurwaarder dat heeft gedaan. Nadat klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de beslagvrije voet heeft de gerechtsdeurwaarder haar steeds uitgebreid gemotiveerd laten weten hoe de beslagvrije voet is berekend. Het teveel ingehouden bedrag is vervolgens teruggestort aan klaagster. Indien klaagster het thans met de berekende beslagvrije voet niet eens is, dient zij zich te wenden tot de gewone civiele rechter. De tuchtrechter oordeelt slechts of er tuchtrechtelijk laakbaar is gehandeld. Er is door de gerechtsdeurwaarder adequaat en zorgvuldig gehandeld.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster aangevoerd dat het gerechtsdeurwaarderskantoor, hoewel hier herhaaldelijk door haar op te zijn gewezen, de geldende wet- en regelgeving van de Participatiewet (artikelen 3 en 4 sub d) ten onrechte niet in acht heeft genomen. Verder heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor in een te laat stadium een andere verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder opgeworpen, welke gerechtsdeurwaarder klaagster overigens volkomen onbekend is.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De kamer merkt nog op dat de klacht weliswaar is ingediend tegen gerechts-deurwaarder [ ], maar dat deze gerechtsdeurwaarder niets van doen heeft gehad met (het vaststellen van) de beslagvrije voet.

 

7.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

 

BESLISSING:

 

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. C.A. van Dijk en A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens