Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:127
Datum uitspraak:
05-06-2018
Datum publicatie:
04-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/612691 / DW RK 16/811
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De persoonlijke (financiële) situatie van klager staat aan het leggen van het beslag niet in de weg. Ook een aanbod voor het treffen van een betalingsregeling staat niet aan het leggen van beslag in de weg. Het verzoek om een betalingsregeling is beantwoord. Er is geen sprake van oneigenlijke druk. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 5 juni 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 12 juli 2016 met zaaknummer 714.2015 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/612691 / DW RK 16/811 ingesteld door:

 

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

 

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen van 19 augustus 2015 heeft klager een klacht ingediende tegen (een medewerkster van het kantoor van) beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 27 oktober 2015, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 12 juli 2016 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij brief, ingekomen op 26 juli 2016, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klager heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 april 2018 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 5 juni 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-                      De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een ten nadele van klager op 1 april 2009 gewezen vonnis.

-                      Bij brief van 13 augustus 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder klager aangekondigd beslag roerende zaken te komen leggen op 18 augustus 2015.

-                      Op 18 augustus 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager beslag gelegd op roerende zaken. Van het beslag is een proces-verbaal opgemaakt.

-           Bij brief van 27 augustus 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder een door klager aangeboden betalingsregeling bevestigd.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager voert aan dat hij op zaterdag 15 augustus 2015 een brief heeft ontvangen gedateerd op 13 augustus 2015 waarin wordt aangekondigd dat er op 18 augustus 2015 beslag roerende goederen zou worden gelegd. Dat beslag is ook daadwerkelijk gelegd. Op zaterdag en zondag heeft klager e-mails verzonden naar de medewerkster en hij heeft maandag ook een aantal keren gebeld naar het kantoor. De e-mails bleven onbeantwoord en de telefoon werd niet opgenomen. Klager wilde met zijn e-mails een betalingsregeling bereiken en daarmee het aangekondigde beslag voorkomen. De gerechtsdeurwaarder is al bijna 7 jaar op de hoogte van zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat klager al geruime tijd bezig is om in de WSNP te komen. De gerechtsdeurwaarder oefent met het aankondigen van de maatregel oneigenlijke druk op klager uit.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn slechts gerechtsdeurwaarders aan tuchtrechtspraak onderworpen. Een gerechtsdeurwaarderskantoor of een medewerker van een kantoor, kunnen niet als beklaagde worden aangemerkt. Op grond van een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt.

 

4.2 Nu het dossier ten tijde van de genomen maatregel kennelijk in behandeling was op het kantoor van de in aanhef van deze beslissing vermelde gerechtsdeurwaarder wordt hij als beklaagde aangemerkt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Dat is niet het geval. De persoonlijke (financiële) situatie van klager staat aan het leggen van het beslag niet in de weg. Ook een aanbod voor het treffen van een betalingsregeling staat niet aan het leggen van beslag in de weg. Het verzoek om een betalingsregeling is gedaan op 13 of 16 augustus 2015 en beantwoord bij brief van 27 augustus 2015. Beslag op roerende zaken behoeft op zich nog geen oneigenlijke druk op te leveren. Indien er sprake is van betalingsonwil kan door een dergelijke executie de debiteur bijvoorbeeld worden bewogen tot betaling of het treffen van een betalingsregeling. Dat is hier ook gedaan. Enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet heeft klager aangevoerd dat hij wel degelijk een betalingsregeling aan de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder heeft aangeboden.

 

6.2 Klager heeft verder aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder niet handelt uit het oogpunt van humanitaire gronden. De gerechtsdeurwaarder jaagt de kosten op, terwijl hij weet dat er geen verhaal mogelijk is.

 

6.3 Tevens heeft klager aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van oneigenlijke druk, onzorgvuldig handelen en niet voortvarend handelen van de gerechtsdeurwaarder. Indien de gerechtsdeurwaarder het dossier goed had gelezen, had hij geweten dat er geen verhaal mogelijk is.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

 

7.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M. Nijenhuis en A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens