Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:115
Datum uitspraak:
17-07-2018
Datum publicatie:
02-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/649230 / DW RK 18/308
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Verzoek tot wraking. De kern van het verzoek is gelegen in het feit dat verzoeker vreest dat de tuchtrechter vanwege zijn vermeende afhankelijke relatie binnen zijn kantoororganisatie tot een ander lid daarvan, niet vrijelijk als tuchtrechter zou kunnen beslissen over een klacht door de KBvG, omdat het lid van zijn kantoororganisatie daarvan bestuurslid is. De Wrakingskamer is van oordeel dat die vrees onvoldoende grond voor wraking van de tuchtrechter oplevert. Het verzoek wordt afgewezen

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Wrakingskamer

 

Beslissing op het bij e-mail van 8 juni 2018 aangekondigde en ter zitting van

9 juni 2018 gedane onder zaaknummer C/13/649230 / DW RK 18/308 geregistreerde verzoek tot wraking van:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

verzoeker,

gemachtigde mr. H.P. Schouten, advocaat te Den Haag,

 

welk verzoek strekt tot wraking van dhr. A.M. Maas in zijn hoedanigheid als lid gerechtsdeurwaarder van de kamer voor gerechtsdeurwaarders belast met de behandeling van een tegen verzoeker ingediende klacht. A.M. Maas wordt hierna verder genoemd bij naam of aangeduid als “de tuchtrechter”.

 

1. Verloop van de procedure

 

1.1.      De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

-     de e-mail van de gemachtigde van verzoeker van 8 juni 2018;

-     het van de zitting van 8 juni 2018 opgemaakte proces-verbaal;

-     een op 11 juni 2018 ingekomen schriftelijke reactie van de leden van de kamer;

-     een e-mail van de gemachtigde van verzoeker van 2 juli 2018 met vier producties;

-     een door de gemachtigde van verzoeker bij e-mail van op 3 juli 2018 toegezonden productie.

 

1.2.      De tuchtrechter heeft niet in de wraking berust.

 

1.3.      Het verzoek is behandeld op de openbare zitting van 3 juli 2018. Verschenen zijn: mr. H.P. Schouten, gemachtigde van verzoeker en mr. E. Diepraam,

mr. C.W. Inden en A.M. Maas, leden van de kamer.

 

1.4.      Mr. Schouten heeft namens verzoeker het verzoek nader toegelicht en ter zitting een nieuwe grond aan het verzoek ten grondslag gelegd. De leden van de kamer hebben op het verzoek gereageerd. Vervolgens is de behandeling gesloten. De uitspraak is bepaald op 17 juli 2018.

 

2. Achtergrond

 

2.1.      Bij de kamer is een door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) tegen klager gerichte klacht in behandeling. De klacht staat geregistreerd onder zaaknummer C/13/636240 / DW RK 17/980. In het kader van de ontvankelijkheid van de klacht heeft verzoeker onder meer betwist dat die klacht rechtsgeldig is ingediend.

 

2.2.      De behandeling van de klacht is door de kamer bepaald op 8 juni 2018. Bij e-mail van 8 juni 2018 heeft verzoeker onder meer bezwaar gemaakt tegen deelname van tuchtrechter A.M. Maas aan de behandeling van de klacht en aangekondigd dat hij ter zitting zal verschijnen om een wrakingsverzoek in te dienen.

 

2.3.      Ter zitting van 8 juni 2018 is een verzoek tot wraking van de kamer gedaan waarna de behandeling is gesloten tot op het wrakingsverzoek is beslist.

 

2.4.      Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft de gemachtigde van verzoeker medegedeeld dat het verzoek tot wraking uitsluitend het lid A.M. Maas betreft en niet de leden E. Diepraam en C.W. Inden.

 

3. Het verzoek en de gronden daarvan

 

3.1.      De grondslag voor het verzoek tot wraking is gelegen in het feit dat de tuchtrechter werkzaam is voor GGN Mastering Credit N.V., een organisatie waarvan een van haar bestuurders, de heer [    ], tevens [     ] is van de KBvG, welke KBvG indiener is van de klacht tegen verzoeker. Juist het persoonlijke optreden van de heer [     ] in die zaak en de verwevenheid van zijn functie binnen de KBvG en het kantoorbelang van GGN, wordt door verzoeker ter discussie gesteld in de klachtzaak. Bovendien is verzoeker betrokken in de discussie rond E-court waarin hij een uitgesproken standpunt ingenomen heeft, mede voor wat betreft het optreden van de heer [     ] en de rol van GGN in die kwestie. Verzoeker verwijst naar de op 2 juli 2018 door hem aan de kamer gezonden producties. [     ] is directeur bij GGN in alle geledingen. Ook bij de Stak, de Holding etc. In dat kader hebben de tuchtrechter en [     ] op regelmatige basis contact met elkaar. [     ] heeft zeggenschap. Er is sprake van een gezagsverhouding tussen de twee. De vestiging in Den Haag gaat binnenkort gesloten worden en dan komen de tuchtrechter en [     ] waarschijnlijk bij elkaar op kantoor te zitten. Er is een duidelijke verwevenheid. De zorg bestaat dat de tuchtrechter gelet op deze situatie niet in vrijheid kan beslissen in deze zaak. Door de reorganisatie zal (mogelijk) de positie van de tuchtrechter ook ter discussie staan. Indien de tuchtrechter iets anders zou vinden dan de heer [     ], zou dit hun onderlinge verhouding onder druk kunnen zetten.

 

3.2.      Ter zitting heeft verzoeker de navolgende nieuwe grond aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. In een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek heeft de kamer opgenomen dat de klacht is ingediend door de KBvG. Volgens verzoeker heeft de kamer daarmee kennelijk geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig bestuursbesluit van de KBvG om een klacht in te dienen tegen verzoeker. Daar is op beslist zonder dat daar in de procedure op is gereageerd. In het verweerschrift op de klacht is nadrukkelijk aan de orde gesteld hoe de beslissing van de KBvG tot stand is gekomen. Daarbij is ook de rol van de heren [     ] en [     ] aangekaart. Uit de reactie volgt dat het niet om deze heren gaat maar om een bij meerderheid genomen bestuursbesluit. Daaruit volgt dat men daar een oordeel over heeft. Het verweer van verzoeker was juist: toon maar eens aan dat er een bestuursbesluit is. Uit de beslissing blijkt volgens verzoeker dat de leden bevooroordeeld zijn.

 

4. Het standpunt van de leden van de kamer

 

4.1.      De tuchtrechter heeft aangevoerd dat de reden tot wraking kennelijk is gelegen in het volgende. Aangevoerd is dat hij kantoorgenoot zou zijn van [     ] van de KBvG, de heer [     ]. De onderhavige klacht is ingediend door de KBvG, die in het kader van haar wettelijke opdracht tot het bevorderen van de goede beroepsuitoefening met enige regelmaat klachten indient tegen individuele gerechtsdeurwaarders. Of de KBvG daarbij buiten haar bevoegdheden is getreden, is iets waarop nog beslist zal moeten worden. Om de volgende reden valt niet in te zien dat er een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid ten aanzien van de tuchtrechter kan zijn.

 

4.2.      Klachten van de KBvG worden ingediend door het bestuur (art. 60 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw)). Dat bestaat momenteel uit zeven leden, waaronder de genoemde heren [     ]([     ]) en [     ] ([     ]). Aan het indienen van een klacht ligt een bestuursbesluit ten grondslag dat bij meerderheid genomen is. Kortom, het gaat hier om handelen van het bestuur van de KBvG als geheel en niet om een of meer individuele leden van dat bestuur.

 

4.3.      Dat maakt dat ook de omstandigheid dat de tuchtrechter werkzaam is in dezelfde organisatie als de heer [     ] irrelevant. Die organisatie heeft meer dan duizend medewerkers, verspreid over vijftien kantoren. De tuchtrechter is werkzaam op een ander kantoor (Den Haag) dan de heer [     ]([     ]). Anders dan is aangevoerd, zijn zij dus geen kantoorgenoten.

 

4.4.      Het enige dat in objectieve zin wordt aangevoerd is het feit dat de tuchtrechter werkzaam is binnen dezelfde organisatie als één van de zeven bestuursleden van de beroepsorganisatie die, handelend vanuit haar wettelijke opdracht, een tuchtklacht tegen verzoeker heeft ingediend. Zonder aanvullende argumenten is dit niet iets dat objectief gezien bij verzoeker twijfel kan wekken over de vraag of zijn zaak zonder vooringenomenheid wordt behandeld.

 

5. De gronden van de beslissing

 

5.1       Uitgangspunt is dat op grond van het bepaalde in artikel 37 lid 13 Gdw in verbinding met artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, wraking van (een lid van) de kamer mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid zijn twee maatstaven aangelegd. Een subjectieve (of de persoonlijke overtuiging van een rechter bevooroordeeld is) en een objectieve (of er  feiten en omstandigheden zijn die objectief de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid van de rechter rechtvaardigen). Daarbij staat voorop dat de (tucht)rechter uit hoofde van zijn benoeming moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de (tucht)rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer dient te onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.

 

5.2.      Zoals ter zitting besproken, is de subjectieve maatstaf hier niet aan de orde. Daarover bestaat namelijk geen verschil van mening tussen verzoeker en de tuchtrechter. De wrakingskamer is het daar ook mee eens en zal daar daarom niet verder op ingaan.

 

5.3.      Ten aanzien van de objectieve maatstaf heeft het volgende te gelden. In wezen vreest verzoeker dat de tuchtrechter vanwege zijn vermeende afhankelijke relatie binnen GGN tot de heer [     ] niet vrijelijk als tuchtrechter zou kunnen beslissen over een klacht door de KBvG, omdat [     ] daarvan bestuurslid is. De wrakingskamer is van oordeel dat die vrees onvoldoende grond voor wraking van de tuchtrechter oplevert. Daarvoor is het volgende redengevend. Uit niets is de wrakingskamer gebleken dat de tuchtrechter door GGN of [     ] wordt beperkt in de uitoefening van zijn werkzaamheden als onafhankelijk tuchtrechter. Daar komt bij dat het bij de klacht tegen verzoeker ook niet gaat om handelen van GGN of om [     ], maar om een klacht van de KBvG. In feite is GGN - de link tussen Maas en [     ] -  helemaal niet in beeld bij de klacht tegen verzoeker. Van een objectieve vrees voor onpartijdigheid van de tuchtrechter is naar het oordeel van de wrakingskamer daarom geen sprake. Bovendien is sprake van een behandeling van de klacht door een meervoudige kamer van een bij wet ingesteld tuchtgerecht. Daarbij biedt de samenstelling van de kamer, die in meerderheid bestaat uit met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht, nog een extra waarborg voor een onafhankelijke en onpartijdige behandeling. Wat het standpunt van verzoeker rond E-court te maken heeft met de onpartijdigheid van de rechter, is in het geheel niet nader toegelicht. De door verzoeker aangevoerde gronden kunnen dan ook niet worden beschouwd als zwaarwegende feiten of omstandigheden van een zodanige aard dat gerechtvaardigde twijfel kan ontstaan aangaande de vraag of de zaak door de tuchtrechter zonder vooringenomenheid wordt behandeld of dat de schijn daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

 

5.4.      Met betrekking tot de tweede wrakingsgrond oordeelt de wrakingskamer als volgt. Nog daargelaten of deze wrakingsgrond tijdig is gedaan, is de wrakingskamer anders dan verzoeker van oordeel dat geen sprake is van een beslissing in de door verzoeker aangeduide zin. Het betreft een in het kader van het door verzoeker gedane wrakingsverzoek gegeven schriftelijke reactie op de stellingen die verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. De gebruikte bewoordingen moeten naar het oordeel van de wrakingskamer in die context worden bezien. Dat deze constatering is opgenomen in het kader van een schriftelijke reactie op het verzoek tot wraking, staat een inhoudelijke beoordeling van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd in het kader van de ontvankelijkheid van de klacht niet in de weg. Bovendien moet de reactie ook niet anders worden gezien dan een constatering van het feit dat de klacht is ingediend door de KBvG. Of die feitelijke indiening ook rechtsgeldig is gedaan, is een vraag die inhoudelijk nog aan de orde zal komen bij de inhoudelijke behandeling van de klacht. Daar heeft verzoeker immers gronden voor aangevoerd. De wrakingskamer gaat er in ieder geval vanuit dat in de reactie van de kamer niet meer gelezen mag worden dan dat de KBvG de klacht feitelijk heeft ingediend. Dat de kamer vooringenomen zou zijn ten aanzien van de vraag of die indiening rechtsgeldig is, is de wrakingskamer dan ook niet gebleken.

 

5.5.      Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevoerde gronden niet afzonderlijk en ook niet in samenhang bezien grond opleveren voor feiten en/of omstandigheden die erop duiden dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechter schade zou kunnen leiden. Het door verzoeker gestelde levert evenmin  de objectief te rechtvaardig vrees op voor de schijn daarvan.

 

5.6.      Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De wrakingskamer :

 

-       wijst het verzoek tot wraking gericht af;

-       bepaalt dat de behandeling van de tegen verzoeker ingediende klacht wordt voortgezet in de stand waarin de behandeling zich bevond.

 

Aldus gegeven door mr. D. Bode, voorzitter, mr. Ch. A. van Dijk en mr. J.M. Wisseborn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2018 in  tegenwoordigheid van J. Dekker, secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens