Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:114
Datum uitspraak:
21-12-2018
Datum publicatie:
02-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/647050 / DW RK 18/224
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Beslissing op verzet. De klacht betreft bepaalde door de gerechtsdeurwaarder tijdens een zitting van de kamer volgens klager gebruikte woorden. De klacht is door de voorzitter als zijnde kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen. De kamer is het niet met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet gegrond. De klacht wordt ongegrond verklaard omdat niet kan worden vastgesteld dat de gewraakte uitlatingen zijn gedaan. En ook al zouden de gewraakte woorden zijn gebruikt, dan nog is er geen sprake van handelen dat tuchtrechtelijk laakbaar is.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 21 december 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 20 april 2018 met zaaknummer C/13/638524 / DW RK 17/1126 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/647050 / DW RK 18/224 ingesteld door:

 

1. [     ],

2. [     ] B.V.,

3. [     ],

wonende en gevestigd te [     ],

hierna gezamenlijk verder te noemen klager,

 

tegen:

 

[     ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

 

Bij e-mail met bijlagen ingekomen op 14 maart 2017, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: gerechtsdeurwaarder. Bij e-mail van 19 november 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.Bij beslissing van 20 april 2018 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 20 april 2018. Bij e-mail van 26 april 2018 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij email van 3 mei 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder op het verzetschrift gereageerd. Bij e-mail van 1 november 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Het verzetschrift is behandeld ter openbare zitting van 9 november 2018 alwaar klager is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 21 december 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

 

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

 

De kamer verwijst voor de feiten naar hetgeen de voorzitter in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de voorzitter geen bezwaar gemaakt, zodat ook de kamer van die feiten uitgaat.

 

4. De oorspronkelijke klacht

 

De inleidende klacht houdt in dat de gerechtsdeurwaarder de kamer op de zitting van 21 februari 2017 tegen beter weten in heeft voorgelogen en onjuist heeft ingelicht. Op die zitting heeft de gerechtsdeurwaarder, nadat klager zijn pleitnota had voorgelezen, volgens klager medegedeeld dat aan het proces-verbaal van de notaris enkele vodjes papier van banken waren gehecht die niets voorstelden en niet serieus genomen moesten worden en die enkel als bijlage waren gehecht aan de notariële akte. De gerechtsdeurwaarder verwees daarbij ook naar het kort geding vonnis van 19 januari 2011 van de rechtbank [     ] waarin dat ook stond vermeld. Klager heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij het mordicus oneens is met deze mededelingen van de gerechtsdeurwaarder. Hij verwijst naar de inhoud van door de gerechtsdeurwaarder aan klager op 17 en 25 februari 2011 geschreven brieven waaruit dit blijkt.

 

5. De beslissing van de voorzitter

 

De voorzitter heeft op de klacht overwogen dat nog daargelaten de vraag of klager herhaaldelijk kan blijven klagen over handelingen die zich in 2011 hebben voorgedaan, het volgende als uitgangspunt geldt. De door klager in de klacht vermelde feiten, te weten het kortgeding vonnis van 19 januari 2011, de notariële akte met bijlagen van 4 februari 2011 en de brieven van de gerechtsdeurwaarder van 17 en 25 februari 2011 staan vermeld onder 1 d, f en g van de feiten van de beslissing van 29 maart 2017. Voor zover de door klager gewraakte mededelingen al door de gerechtsdeurwaarder zijn gedaan, heeft de gerechtsdeurwaarder dat betwist. De opmerkingen staan ook niet in het van de zitting opgemaakte proces-verbaal en komen evenmin voor in de met klager gevoerde correspondentie over het proces-verbaal. Wat daar ook van zij: hetgeen ter zitting van 21 februari 2017 is gezegd en de door klager in zijn klacht vermelde feiten, zijn reeds meegewogen in de beslissing van 29 maart 2017 die de kamer op het verzet van klager heeft genomen. Daarover kan dan ook niet opnieuw worden geklaagd. De klacht stuit hierop af.

 

6. De gronden van het verzet

 

Klager blijft erbij dat de gerechtsdeurwaarder ter zitting van 21 februari 2017, nadat klager zijn pleitnota had voorgelezen, heeft verklaard dat aan het proces-verbaal van de notaris enkele vodjes papier van banken waren gehecht die niets voorstelden en niet serieus genomen moesten worden en die enkel als bijlage waren gehecht aan de notariële akte. De kamer en mevrouw [     ]waren hier getuige van. Klager heeft tijdens de zitting al aangegeven dat hij het mordicus oneens was met de opmerkingen van de gerechtsdeurwaarder. Dat dit niet in het proces-verbaal staat omschreven doet hieraan niet af nu in het proces-verbaal niet alles wordt vastgelegd. De opmerking van de gerechtsdeurwaarder had betrekking op de feiten die klager in zijn klacht had opgesomd. Klager verwijst naar door hem bij de klacht als bijlage 1, 2 en 3 overgelegde stukken. De opmerkingen zijn wel degelijk door de gerechtsdeurwaarder gemaakt. Dat dit wordt weggeschreven is onbegrijpelijk. De overweging dat de door klager vermelde feiten, te weten het kortgeding vonnis van 19 januari 2011, de notariële akte met bijlagen van 4 februari 2011 en de brieven van de gerechtsdeurwaarder van 17 en 25 februari 2011 reeds vermeld staan onder de feiten 1 d, f en g van de beslissing van 29 maart 2017, doet hier evenmin af. Dat geldt ook voor de overweging, dat voor zover de door klager gewraakte mededelingen al door de gerechtsdeurwaarder zouden zijn gedaan, deze worden betwist. Het betwisten van een klacht is niet zo lastig. Op deze manier wordt de klacht kapot geschreven.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

Het verzet dient gegrond te worden verklaard. De kamer overweegt daartoe dat de klacht uitlatingen betreft die de gerechtsdeurwaarder ter zitting van 21 februari 2017 heeft gedaan. Uit de beslissing van 29 maart 2017 blijkt niet dat hetgeen ter zitting van 21 februari 2017 op dit punt is gezegd door de kamer al is meegewogen. De uitlatingen konden geen deel uitmaken van de toen behandelde klacht, omdat deze pas (nieuw) op de zitting zijn gedaan. De beslissing van de voorzitter kan op dit punt niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

 

8. De beoordeling van de klacht

 

8. Door de gerechtsdeurwaarder is betwist dat de door klager gewraakte uitlatingen door hem zijn gedaan. De opmerkingen staan ook niet in het van de zitting opgemaakte proces-verbaal en komen evenmin voor in de met klager gevoerde correspondentie over het proces-verbaal. In een brief van klager van 3 maart 2017 met bezwaren tegen de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 21 februari 2017 staat over het proces-verbaal van de notaris onder meer vermeld“Verder ontbreekt in het proces-verbaal nog het volgende: De heer [     ] heeft tijdens de zitting aangegeven dat het proces-verbaal van notaris [     ] niets voorstelde en dat ik de inhoud van het proces-verbaal aan de notaris zou hebben gedicteerd”.Hieruit valt evenmin af te leiden dat de gewraakte bewoordingen zijn gebruikt. Dat de gewraakte uitlatingen zijn gedaan, valt dus niet vast te stellen.

 

8.2 Maar zelfs al zouden de gewraakte woorden door de gerechtsdeurwaarder zijn gebruikt, hetgeen dus geenszins vaststaat, dan nog is er geen sprake van handelen dat tuchtrechtelijk laakbaar is. Een gerechtsdeurwaarder mag in een tegen hem aangespannen tuchtprocedure verweer voeren en zijn standpunt verwoorden op een wijze die hem goeddunkt, ook indien dat standpunt of de gebruikte woorden klager niet welgevallig zijn. Het ging om het belang van bepaalde documenten die door klager in een procedure in 2011 waren overgelegd. De gerechtsdeurwaarder had daar in het kader van zijn verweer een mening over en heeft die uitgesproken. Nu het gaat om een mening kan van onjuiste voorlichting aan de kamer geen sprake zijn. De klacht dient ongegrond te worden verklaard.

 

9. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart het verzet gegrond,

-      vernietigt de beslissing van de voorzitter;

-      verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, en mr. E. Diepraam en A.M. Maas leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens