Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:112
Datum uitspraak:
21-12-2018
Datum publicatie:
02-01-2019
Zaaknummer(s):
C/13/634777 / DW RK 17/878
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Beslissing op verzet. Een groot aantal klachtonderdelen die door de voorzitter allemaal als zijnde kennelijk ongegrond zijn afgewezen. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens. Het verzet wordt onder aanvulling van de overwegingen van de voorzitter ongegrond verklaard.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 21 december 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 15 augustus 2017 met zaaknummer C/13/620104 / DW RK 16/1323 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/634777 / DW RK 17/878 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

1. [     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

2. [     ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [     ],

3. [     ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagden,

gemachtigde: [     ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

 

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 23 november 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 9 januari 2017, hebben de gerechtsdeurwaarders gereageerd. Bij beslissing van 15 augustus 2017 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 15 augustus 2017. Bij e-mail van 29 augustus 2017 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare zitting van 9 november 2018 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. Klager heeft het verzet nader toegelicht aan de hand van door hem overgelegde en voorgedragen aantekeningen en heeft vijf producties overgelegd. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 21 december 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

 

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

 

De kamer verwijst voor de feiten naar hetgeen de voorzitter in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de voorzitter geen bezwaar gemaakt, zodat ook de kamer van die feiten uitgaat.

 

4. De oorspronkelijke klacht

 

In de inleidende klacht beklaagt klager zich er samengevat over het volgende

 

a)    Klager voert aan dat de gerechtsdeurwaarders twee tegen hem gewezen vonnissen in behandeling hebben. Daarbij is klager veroordeeld tot betaling van ongeveer een bedrag van € 3500,00. Aangezien het vonnis op bedrog berust, is klager een herroepingsprocedure begonnen. Klager heeft de gerechtsdeurwaarders verzocht om het vonnis in deze zaak af te wachten. Aan dat verzoek wilden de gerechtsdeurwaarders niet voldoen.

b)    Vanaf augustus 2016 is aan klager meer dan vijf keer aangekondigd dat er beslag zou worden gelegd. Er zijn drie poging tot het leggen van beslag gedaan. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders andere methodes van beslaglegging te hebben overgeslagen.

c)    De gerechtsdeurwaarders hebben steeds een bedrag van € 48,00 voor de pogingen tot beslaglegging bij klager in rekening gebracht.

d)    De brieven waarin het leggen van beslag roerende zaken werd aangekondigd zijn door onbevoegde personen verzonden. De brieven zijn vaag, zonder concrete tijd en zonder naam van de behandelend gerechtsdeurwaarder. Klager meent dat niet een gerechtsdeurwaarder maar een kantoormedewerker deze handelingen namens de gerechtsdeurwaarders heeft verricht hetgeen niet is toegestaan. Het kantoor van de gerechtsdeurwaarders draait zonder gerechtsdeurwaarders en zonder enige legaliteit. Dit voldoet niet aan de daaraan gestelde eisen.

e)    De gerechtsdeurwaarders zijn niet akkoord gegaan met een door klager voorgestelde betalingsregeling. Ondanks het feit dat klager met een herroepingsprocedure bezig is, een betaling geen noodzaak of redelijk was en om verdere stress te beperken heeft klager onder voorbehoud voorgesteld in de eerste maand € 500,00 te betalen en vervolgens € 300,00 per maand. De gerechtsdeurwaarders wensten echter per direct betaling van € 1250,00. Dat heeft klager gedaan. Omdat in oktober 2016 reeds € 1250,00 door klager was voldaan, was er geen aanleiding om binnen een maand weer een bedrag van € 300,00 te voldoen. Klager had daarvoor tot 30 november 2016 de tijd. Echter bij brief van 8 november 2016 werd weer beslag aangekondigd. Hieruit volgt dat de gerechtsdeurwaarders niet tot doel hebben het bedrag te innen, maar het veroorzaken van overlast. Betaling wordt verhinderd en er worden onmogelijke eisen gesteld.

f)     De gerechtsdeurwaarders zijn niet bevoegd tot het binnentreden van zijn woning in verband met godsdienstige activiteiten en aanwezigheid van derden. Klager heeft hen daarvan meerder keren op de hoogte gesteld. De gerechtsdeurwaarders voldoen niet aan het redelijkheidscriterium zoals de Algemene wet op binnentreden vereist. 

 

5. De beslissing van de voorzitter

 

5.1 Ten aanzien van klachtonderdeel a heeft de voorzitter overwogen dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een vonnis ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarders hebben dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titel te executeren. Een eventuele herroepingsprocedure schort de executiemaatregelen niet op. Tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis kan klager slechts opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders. Executiegeschillen kunnen aan de voorzieningenrechter in kort geding worden voorgelegd. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.

 

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de voorzitter overwogen dat klager op grond van artikel 3:276 BW met zijn hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager, derhalve ook op roerende zaken. Dat niet eerst executoriaal derdenbeslag ten laste van klager is gelegd doet hier niet aan af.

 

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel c heeft de voorzitter overwogen dat de gerechtsdeurwaarders in het verweerschrift hebben gesteld dat zij de kosten van vergeefse beslagpogingen niet hebben opgenomen in hun systeem. De voorzitter ziet geen aanleiding aan dit standpunt te twijfelen. Klager heeft ook niet onderbouwd dat er wel kosten voor de pogingen tot beslaglegging in rekening zijn gebracht. Nu tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit onderdeel niet kan worden vastgesteld, dient dit als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

 

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d heeft de voorzitter overwogen dat het verzenden van brieven waarin beslaglegging op roerende zaken wordt aangekondigd geen ambtshandeling betreft en derhalve door medewerkers van het gerechtsdeurwaarderskantoor kan worden gedaan. Gesteld noch gebleken is dat de daadwerkelijke (poging tot) beslaglegging niet door een gerechtsdeurwaarder is verricht. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel e heeft de voorzitter voorop gesteld dat een betalingsregeling een gunst is van de opdrachtgever en een regeling die onder voorwaarden kan worden getroffen. Het is geen recht voor de schuldenaar. Uit de overgelegde producties blijkt dat de gerechtsdeurwaarders op 6 oktober 2016 de met klager overeengekomen betalingsregeling van betaling van € 300,00 per maand, met ingang van 1 november 2016, aan klager hebben bevestigd. Omdat tijdige betaling is uitgebleven hebben de gerechtsdeurwaarders klager op 2 november 2016 een herinnering verzonden. Omdat hierop geen reactie is gekomen, hebben de gerechtsdeurwaarders bij brief van 8 november 2016 beslag roerende zaken aangekondigd tegen 23 november 2016. Klager heeft uiteindelijk op 23 november 2016 een betaling van € 300,00 verricht. Hierop hebben de gerechtsdeurwaarders ter plaatse besloten de beslaglegging op te schorten en de betalingsregeling met ingang van 1 december 2016 voort te zetten. Klager komt de betalingsregeling vervolgens correct na. De stelling van klager dat sprake is van wraakbehoefte stuit gelet op voorgaande af.

 

5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel f heeft de voorzitter overwogen dat een gerechtsdeurwaarder die beschikt over een executoriale titel op grond van artikel 444 lid 1 Rv ter inbeslagname toegang heeft tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. De Algemene wet op het binnentreden waar klager naar verwijst is niet van toepassing op onderhavige situaties, maar ziet op de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

 

6. De gronden van het verzet

 

6.1 Klager voert als eerste aan dat degene die het verweer op de klacht heeft ingediend slechts een medewerkster van het kantoor is en geen advocaat en ook geen gerechtsdeurwaarder. Het door haar ingediende verweer is op grond van artikel 41 lid 5 Gerechtsdeurwaarderswet, onrechtmatig en diende buiten behandeling te worden gesteld.

 

6.2 De klacht is door klager op 22 november 2016 ingediend en een kopie ervan is tegelijkertijd per fax aan de beklaagden verzonden. Klager is verbaasd dat de kamer langer dan 2 weken de tijd neemt om de klacht te registreren. Beklaagden waren op de hoogte van de klacht. De vraag rijst waarom kan van beklaagden niet worden verlangd dat zij binnen 30 dagen na ontvangst van het klachtschrift hun verweer indienen, en waarom het te laat ingediende verweer van 6 januari 2017 niet buiten behandeling wordt gesteld?

 

6.3 De ambtshandelingen zijn door beklaagden verricht . In dit gevaldienden zij zich zelf in het verweerschrift te verantwoorden. Een gemachtigde is bedoeld voor de klagers en niet voor de beklaagden om zich achter een gemachtigde te kunnen verschuilen.

 

6.4 Klager heeft het verweerschrift ontvangen gelijk met de beslissing op de klachtDit verweerschrift had, naar alle redelijkheid en ingevolge art. 40 lid 2 en het

procesreglement beschrijft, tijdig in kennis van klager gesteld moeten worden. Nu dat niet is gedaan is verweerschrift niet-ontvankelijk en de mede daarop gebaseerde beslissing onrechtmatig.

 

6.5 Klager heeft zijn klacht ten aanzien van de kosten met bewijzen aannemelijk gemaakt. Daartegenover hebben beklaagden onware verhalen verzonnen. Beklaagden hebben het verweer ook niet met bewijzen aannemelijk gemaakt. Het doel daarvan is om klager geen gelegenheid te geven om de beweringen van het verweerschrift te betwisten. De rechten van klager zijn geschonden en de klacht dient alsnog op adequate manier te worden behandeld.

 

6.6 Een belangrijk onderdeel van de klacht, het nasalaris, is door de voorzitter onbehandeld gelaten en dit klachtonderdeel dient alsnog te worden behandeld.

 

6.7 Het verweer van beklaagden dat er maar een keer executiekosten in rekening zijngebracht is niet waar. Beklaagden hebben deze kosten liefst 4 keer in rekeninggebracht en gevorderd. Zij hebben nimmer aan klager bekendgemaakt dat deze kosten verwijderd zijn.

 

6.8 Een debiteur is geen kosten verschuldigd voor de ambtshandelingen die nimmer zijn verricht. Een gerechtsdeurwaarder kan geen bezoekkosten in rekening brengen wanneer er geen ambtshandelingen zijn gedaan. Klager heeft met bewijzen aannemelijk gemaakt en overduidelijk gemeld onder punt 5 van zijn klacht dat beklaagden “iedere keer...” kosten in rekening hebben gemaakt.

 

6.9 De voorzitter heeft het klachtonderdeel over de legaliteit van de deurwaarderspraktijk onbehandeld gelaten. Het betreft een serieuze ambtsovertreding welke door de toezichthouder diende te worden onderzocht en waartegen maatregelen diende te worden genomen. Klager heeft geklaagd dat beklaagden de privégegevens van de debiteur met onbevoegden delen zoals medewerkers, andere kantoren en rechtspersonen.

 

6.10 Ambtshandelingen door medewerkers is nog een klacht en deze diende ook te worden behandeld.

 

6.11 Het aankondigen van ambtshandeling zonder bedoeling of zonder bevoegdheid is nog een onbehandeld klachtonderdeel.

 

6.12 Het is klager bekend dat een gerechtsdeurwaarder geen verplichting heeft om een herroepingsprocedure af te wachten of een betalingsregeling te treffen. Hij dient wel redelijk en binnen zijn bevoegdheden te handelen. De voorzitter heeft de klacht onjuist geïnterpreteerd. Klager heeft niet geklaagd over het niet willen meewerken aan een regeling maar over onrechtmatige activiteiten, kosten en ambtsovertredingen door beklaagden.

 

6.13 Het redelijkheidscriterium naar aanleiding van het binnentreden van een woning is zowel op strafzaken als op civiele zaken van toepassing. De voorzitter heeft dit criterium onjuist geïnterpreteerd. De bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder is niet onbepaald tot inbreuk op huisrecht van debiteur en derden en schade aanderden. Dit kan nooit worden rechtmatig verklaard.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

7.1 Dat het verweer niet is ingediend door een advocaat of gerechtsdeurwaarder maakt het verweer niet onrechtmatig noch is het verweer niet-ontvankelijk. Dat volgt evenmin uit het feit dat de klacht eerst na twee weken is geregistreerd en de gerechtsdeurwaarders vanaf dat moment nog dertig dagen kregen verweer te voeren. Dat het verweer door de gerechtsdeurwaarder zelf moet worden gevoerd en ingediend volgt niet uit het hetgeen daaromtrent in artikel 41 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet is bepaald. In de praktijk komt het veelvuldig voor dat het verweer wordt opgesteld en ingediend door een (door het kantoor aangewezen) medewerker of toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Dat het verweer is ingediend door of namens de gerechtsdeurwaarders is gelet op de tekst en de uiterlijke kenmerken van de brief waarmee het verweer is ingediend, evident. De gronden als vermeld onder 6.1 tot en met 6.3 stuiten hierop af.

 

7.2 De grond als vermeld onder 6.4 stuit af op het gegeven dat in de tuchtprocedure het de gerechtsdeurwaarder is toegestaan te reageren op de ingediende klacht, zodat de voorzitter kennis kan nemen van beide standpunten. Er bestaat geen recht van hoor en wederhoor in die zin dat voordat door de voorzitter op de klacht wordt beslist, klager nog mag reageren op het verweer van de gerechtsdeurwaarder en de gerechtsdeurwaarder weer daarop (ECLI:GHAMS:2010: BN9401).

 

7.3 Dat klager zijn klacht omtrent de kosten aannemelijk heeft gemaakt, volgt niet uit de door hem overgelegde producties. Welswaar staat in de als productie 1 overgelegde brieven vermeld dat de kosten van de beslagpoging ad € 48,18 voor rekening van klager komen maar door klager is geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat die kosten daadwerkelijk in rekening zijn gebracht. Dat volgt niet uit de door klager overgelegd producties 2 en 3. De gronden als vermeld onder 6.5, 6.7 en 6.8 stuiten hierop af.

 

7.4 Ten aanzien van de grond onder 6.6 overweegt de kamer dat klager in de inleidende klacht daarover onder 3. het volgende heeft opgemerkt: “Beklaagden hebben bevel tot betaling gedaan en ook onrechtmatig nasalaris in rekening gebracht en daarvoor aankondiging beslagleging. Aangezien dit punt reeds in vorige klacht opgenomen is, zal eiser op dit punt hier niet verder ingaan”. Hieruit volgt dat het nasalaris geen onderdeel uitmaakt van de inleidende klacht en in verzet dan ook niet kan worden besproken.  

 

7.5 De voorzitter heeft het klachtonderdeel over de legaliteit van de deurwaarderspraktijk terecht onbehandeld gelaten, omdat dit klachtonderdeel niet nader is toegelicht. De klacht dat dat gerechtsdeurwaarders de privégegevens van de debiteur met onbevoegden delen staat niet in de inleidende klacht vermeld en kan in verzet niet worden besproken.

 

7.6 De gronden als vermeld onder 6.10 en 6.11 zijn door de voorzitter besproken als hiervoor onder 5.4. staat vermeld. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter op die punten eens zodat deze gronden falen.

 

7.7 Ten aanzien van de onder 6.12 vermelde grond geldt dat de kamer het met de beslissing van de voorzitter als vermeld onder 5.5 eens is.

 

7.8 De Algemene wet op het binnentreden is ook van toepassing op de door een gerechtsdeurwaarder te nemen executoriale maatregelen zoals het leggen van beslag roerende zaken, ontruimingen en gijzelingen. Voor het overige is de kamer het eens met de beslissing van de voorzitter als vermeld onder 5.6 zodat ook deze grond faalt. Het binnentreden was redelijkerwijs vereist voor de gerechtsdeurwaarder om beslag op roerende zaken te kunnen leggen.

 

8. De in verzet tegen de beslissing van de voorzitter aangevoerde gronden leveren dan ook geen nieuwe gezichtspunten op. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet tegen die beslissing dient met verbetering van de grond waarop de beslissing berust als vermeld onder 5.6 ongegrond te worden verklaard.

 

8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, en mr. E. Diepraam en A.M. Maas leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens