Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TDIVTC:2018:25
Datum uitspraak:
31-05-2018
Datum publicatie:
11-01-2019
Zaaknummer(s):
2017/69
Onderwerp:
Katten
Beslissingen:
Ongegrond
Inhoudsindicatie:
Dierenarts wordt verweten  een buikpalpatie bij een kat hardhandig en ruw te hebben uitgevoerd, zodanig dat het dier in een noodsituatie  is komen te verkeren, waardoor klaagster werd genoodzaakt te verzoeken om de kat te euthanaseren.Ongegrond.

X,    klaagster,

 

tegen



Y,     beklaagde.

 

 

1. DE PROCEDURE

 

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 22 maart 2018. Van partijen was alleen beklaagde aanwezig, tezamen met zijn advocaat.

 

2. DE KLACHT

 

Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat hij een buikpalpatie bij de kat van klaagster hardhandig en ruw heeft uitgevoerd, zodanig dat daarmee nodeloos pijn is veroorzaakt en het dier in een noodsituatie is komen te verkeren, waardoor klaagster werd genoodzaakt te vragen om c.q. in te stemmen met euthanasie.

 

3. DE VOORGESCHIEDENIS

 

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klaagster, een Europees Korthaar, geboren op 1 oktober 2000. 

 

3.2. Op zondagochtend 28 mei 2017 heeft klaagster haar ‘vaste’ dierenartsenpraktijk benaderd voor een consult, vanwege het feit dat haar kat was vermagerd en niet wilde eten. De behandelend dierenarts heeft de kat klinisch onderzocht en een röntgenfoto gemaakt, op basis waarvan ter hoogte van de lever een structuur voelbaar en te zien was, mogelijk duidend op een tumor, die kwaadaardig kon zijn, met een onzekere prognose. In dat verband is ook euthanasie ter sprake gekomen. Er is  medicatie toegediend en voorgeschreven. Klaagster is in de avond nog een keer bij deze dierenarts geweest, omdat de kat met zijn kop trilde en de medicatie problemen leek te veroorzaken. Er is bij dit consult bloed afgenomen voor analyse.

 

3.3. Op 29 mei 2017 is met klaagster besproken dat uit de bloeduitslag onder meer nierfalen naar voren was gekomen. Klaagster heeft in de avond met de kat een holistische praktijk bezocht. Er is aldaar medicatie gegeven en er is geadviseerd, ter verbetering van de  conditie en het op gang brengen van de ontlasting, tot toepassing van een vochtinfuus en een klysma. Daartoe heeft klaagster later die avond telefonisch contact opgenomen met beklaagde, als dienstdoend dierenarts. Klaagster is vervolgens met haar kat naar zijn praktijk gekomen.

 

3.4. Tijdens het consult heeft beklaagde de kat uit zijn mand gehaald, om het dier op de behandeltafel te leggen en heeft hij de buik bevoeld, waarbij de kat het uitschreeuwde van de pijn. Niet in geschil is dat de gezondheidsgesteldheid van de kat op dat moment dermate slecht en kritiek was, dat euthanasie in de rede lag c.q. aangewezen was. Het college heeft begrepen dat de kat op de behandeltafel is overleden.

 

3.5. Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde dermate hard in de buikholte van de kat heeft geknepen dat dit nodeloos pijn, paniek en mogelijk leed bij het dier heeft veroorzaakt en waardoor de kat  in een noodsituatie is komen te verkeren en zij werd genoodzaakt te vragen om c.q. in te stemmen met euthanasie.

 

4. HET VERWEER   

 

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

 

5. DE BEOORDELING

 

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

 

5.2. Het college stelt voorop dat uit de stukken volgt dat bij klaagster zelf het besef bestond dat haar kat, op het moment van het consult bij beklaagde, zich in zijn laatste levensfase bevond, waarbij een andere dierenarts haar eerder reeds had verteld dat euthanasie c.q. het overlijden van de kat aanstonds was en eerder een kwestie van dagen dan van weken betrof. De kat was verder op leeftijd en vermagerd en de uitkomsten van eerder verricht klinisch, bloed- en röntgenonderzoek ondersteunen naar het oordeel van het college de conclusie dat de kat terminaal ziek was, met ernstig nierfalen, een mogelijke levertumor en een slechte prognose. Ook blijkens de eigen stellingen van klaagster betrof het een ‘oude, fragiele kat met symptomen die wezen op een vermoedelijk infauste prognose’en impliceert het tijdstip waarop klaagster die avond de hulp van beklaagde inriep, dat in haar eigen beleving niet met een behandeling tot de volgende ochtend kon worden gewacht, waar uit de stukken kan worden afgeleid dat haar met een behandeling voor ogen stond om het leven van de kat nog enige tijd te rekken.

 

5.3. Beklaagde heeft zich die avond als dienstdoende dierenarts bereid getoond de kat op zijn praktijk te ontvangen, bij welk consult ook een vriendin van klaagster aanwezig is geweest, alsook de dochter van beklaagde. Beklaagde heeft uitgelegd dat hij in het telefoongesprek voorafgaande aan het consult nog niet op het verzoek tot toepassing van een vochtinfuus en  klysma is ingegaan, hetgeen het college verdedigbaar acht, in aanmerking nemend dat hij de kat nog niet zelf had gezien en klinisch had beoordeeld. Beklaagde was naar het oordeel van het college ook niet per se gehouden om het advies van de eerder die avond door klaagster geconsulteerde holistische behandelaar of een wens van een diereigenaar zonder meer op te volgen. Het behoorde tot zijn verantwoordelijkheid en beleidsvrijheid als dierenarts om hierin  een zelfstandige afweging te maken, temeer tegen de achtergrond dat de klinische conditie van een terminaal ziek dier van het ene op het andere moment kan wijzigen c.q. verslechteren. Dat beklaagde die avond eerst tot een (oppervlakkige) buikpalpatie heeft besloten en daartoe de kat uit zijn mand heeft gehaald, is in de visie van het college veterinair niet onjuist en niet onaanvaardbaar geweest, ook al heeft klaagster gesteld dat zij niet om een voorafgaand klinisch onderzoek had verzocht, maar enkel om een behandeling. Het college trekt verder niet in twijfel dat, zoals beklaagde heeft gesteld, het palperen van de buik van een dier tot zijn routinematige dagelijks werk behoort en dat hij daar voldoende ervaren in is.

 

5.4. Bij gebrek aan toereikend bewijs voor het tegendeel, wordt de stelling van klaagster, dat de kat door beklaagde op ruwe wijze en hardhandige wijze uit zijn mand is gepakt, gepasseerd. Beklaagde heeft dit uitdrukkelijk betwist, alsook dat hij de kat alleen aan zijn nekvel uit zijn mand heeft gehaald en gesteld dat hij beide handen heeft gebruikt en met de andere hand de flank heeft ondersteund. Beklaagde heeft verder aangevoerd dat de enkele, vluchtige aanraking van de buik reeds een enorm heftige pijnreactie bij de kat opleverde.

 

5.5. Het is voor het collegegenoegzaam aannemelijk geworden datde kat op de behandeltafel in dermate kritieke conditie verkeerde, dat in redelijkheid niet te verwachten viel dat de gewenste behandeling op dat moment nog reële meerwaarde had. In dat verband heeft beklaagde nog gesteld dat de kat een slechte turgor had en op de behandeltafel op zijn zij ging liggen en een zeer afwijkende ademhaling had (Cheynes-stokes) en met open bek met tong naar buiten ademde.  In de gegeven omstandigheden, met de beschreven zorgwekkende conditie en slechte prognose en met name ook vanwege de pijn die de kat had, valt naar het oordeel van het college te begrijpen dat niet meer is overgegaan tot toepassing van een infuusbehandeling en klysma.

 

5.6. Gelet op de tegenstrijdige lezingen en bij gebrek aan toereikend aanvullend bewijs van de zijde van klaagster, is aldus voor het college onvoldoende kunnen blijken dat de kat door ruw en onzorgvuldig handelen van beklaagde shockverschijnselen heeft gekregen, en dat daardoor noodgedwongen moest worden besloten tot euthanasie. Het college acht ook niet bewezen de speculatieve en niet onderbouwde (veronder)stelling van klaagster dat door toedoen van beklaagde een tumor in de buik zou zijn ‘gesprongen’ en is gaan bloeden. Het staat dus wel vast dat de conditie van de kat op de behandeltafel dermate zorgwekkend was dat euthanasie aangewezen was, maar niet dat beklaagde hier verantwoordelijk voor kan worden gehouden en dat er tussen de ontstane noodsituatie en het veterinair handelen van beklaagde een oorzakelijk verband zou bestaan, indachtig ook de fragiele conditie waarin het dier reeds voor het consult bij beklaagde verkeerde.

 

5.7. Waar van de zijde van klaagster is gesteld dat de kat nog geen half uur eerder geen pijn had en zijn toestand nog niet zorgwekkend was, laat zulks onverlet dat de kat terminaal ziek was en dat in die situatie de gezondheidtoestand van een dier van het ene op het andere moment kan verslechteren. Als van de door beklaagde beschreven gang van zaken uit zou worden gegaan, dan heeft hij de kat niet hardhandig gepalpeerd en is er geen aanleiding om hem verantwoordelijk te houden voor het feit dat de kat die avond is moeten worden geëuthanaseerd. Het is het vaste tuchtrechtspraak dat, wanneer op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Dit is op dit punt voor het college niet mogelijk geweest.  

 

5.8. Hiernaast voert het naar het oordeel van het college te ver om tuchtrechtelijke consequenties te moeten verbinden aan het feit dat beklaagde, die niet uitsloot dat de kat op moment van toediening van Euthasol reeds was overleden, dit middel toch heeft toegepast, zulks met de intentie om, als de kat nog wel leefde, het stervensproces te bespoedigen en zo pijnloos mogelijk te laten verlopen, hetgeen het college in de gegeven situatie verdedigbaar acht.

 

5.9.Met betrekking tot het verwijt dat de patiëntenkaart op een later tijdstip is ingevuld c.q. aangevuld, hoeft zulks nog niet direct tuchtrechtelijk verwijtbaar te zijn en is door beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn assistente nadien een aanvulling heeft gemaakt, in de zin dat is aangetekend dat nog telefonisch contact moest worden opgenomen met het crematorium. Het college ziet verder onvoldoende grond om beklaagde te moeten sanctioneren op basis van de door klaagster gemaakte aanmerkingen op de patiëntenverslaglegging en  heeft verder niet de overtuiging gekregen dat de patiëntenkaart is ingevuld met de intentie om zaken te verdoezelen. Ook overige aan het adres van beklaagde gemaakte verwijten zijn naar het oordeel van het college niet van dien aard of van zodanig gewicht dat daar tuchtrechtelijke consequenties aan zouden moeten worden verbonden.

 

5.10 Voor zover beklaagde ter zitting nog zijn ongenoegen heeft geuit over de onnodig grievende kwalificaties die in repliek van de zijde van klaagster met betrekking tot zijn minderjarige dochter zijn gemaakt, is dit ook door het college gesignaleerd en is aan beklaagde ter zitting aangegeven dat de betreffende passages bij de beoordeling buiten beschouwing blijven.

 

5.11. De conclusie is dan dat op basis  van de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard door het college niet kan worden geconcludeerd dat aan de zijde van beklaagde sprake is geweest van een veterinair tekortschieten dat het opleggen van een tuchtmaatregel zou rechtvaardigen. Een en ander betekent dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

 

6. DE BESLISSING   

 

Het college:

 

verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. G.J. van Muijen, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris.

 

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018 door mr. G.J. van Muijen, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr.J.B.M. Keijzers, secretaris.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens