Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TDIVTC:2018:24
Datum uitspraak:
31-05-2018
Datum publicatie:
11-01-2019
Zaaknummer(s):
2017/65
Onderwerp:
Honden
Beslissingen:
Ongegrond
Inhoudsindicatie:
Dienstdoend dierenarts wordt verweten dat hij, toen hij in de avond werd gebeld met de mededeling dat de hond van klager een epileptische aanval had gehad, het dier niet naar de praktijk heeft laten komen. In de hierop volgende nacht heeft een tweede telefooncontact plaatsgevonden en is klager met de hond naar de praktijk gekomen, echter is het verwijt van klager dat hij onnodig lang buiten de praktijk op beklaagde heeft moeten wachten en dat vervolgens tijdens het nachtelijk consult, behalve over euthanasie, geen andere behandelopties zouden zijn besproken c.q. aangeboden. Ongegrond.

X ,     klager,

 

tegen

Y, beklaagde.

 

 

 

1. DE PROCEDURE

 

Het college heeft kennisgenomen van de klacht, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 22 maart 2018. Partijen waren daarbij aanwezig.

 

2. DE KLACHT

 

Beklaagde wordt verweten dat hij, toen hij als dienstdoende dierenarts in de avond werd gebeld met de mededeling dat de hond van klager een epileptische aanval had gehad, de hond niet naar de praktijk heeft laten komen. In de hierop volgende nacht heeft een tweede telefooncontact plaatsgevonden en is klager met de hond naar de praktijk gekomen, echter is het verwijt van klager dat hij onnodig lang buiten de praktijk op beklaagde heeft moeten wachten en dat vervolgens tijdens het nachtelijk consult, behalve over euthanasie, geen andere behandelopties zouden zijn besproken c.q. aangeboden.

 

3. DE VOORGESCHIEDENIS

 

3.1. Het gaat in deze zaak om  de hond van klager, een West Highland White Terrier, geboren op 10 april 2002. 

 

3.2. Het college heeft uit de stukken begrepen dat het in de avond van 29 mei 2017 omstreeks 21:30 uur is geweest dat de zoon van klager telefonisch contact heeft opgenomen met beklaagde, als dienstdoende dierenarts, omdat de hond een epileptische aanval had gehad. In geschil is wat er tijdens dit gesprek door beklaagde is gezegd en geadviseerd. Van de zijde van klager is gesteld dat beklaagde het niet nodig vond om de hond naar zijn praktijk te laten komen en dat hij adviseerde om de volgende dag naar de eigen dierenarts te gaan. Volgens beklaagde heeft hij de zoon van klager wél uitgenodigd om met de hond naar de praktijk te komen, maar was dit voor deze praktisch niet mogelijk, en is eerst toen gezegd, met de uit de telefonische anamnese verkregen informatie,  om de volgende ochtend de eigen dierenarts te contacteren.

 

3.3. In de hierop volgende nacht heeft klager telefonisch contact opgenomen met beklaagde, omdat de hond weer een epileptische aanval had gekregen. Er is toen met klager een consult om 2:30 uur in de nacht afgesproken op de praktijk van beklaagde.

 

3.4. Tijdens het nachtelijke consult heeft beklaagde de hond, die krampen c.q. stuipaanvallen had, onderzocht. Na overleg is besloten te trachten met medicatie de epileptische aanvallen te couperen, hetgeen echter niet lukte. In geschil is of beklaagde in het kader van het verdere vervolg alleen over euthanasie heeft gesproken. In ieder geval staat vast dat is besloten om de hond in te laten slapen.  

 

3.5. Klager stelt dat beklaagde, woonachtig naast zijn praktijk, hem die nacht onnodig lang op de parkeerplaats voor de praktijk heeft laten wachten, dat beklaagde tijdens het nachtelijke consult over zijn werkwijze en keuzes geen of onvoldoende uitleg heeft gegeven en dat hij geen andere opties dan euthanasie heeft besproken en voorgesteld.

 

4. HET VERWEER   

 

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

 

5. DE BEOORDELING

 

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van de vraag geldt naar vaste jurisprudentie als uitgangspunt dat het er niet om gaat of de meest optimale zorg is verleend, maar wordt als criterium aangehouden of de dierenarts in kwestie als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot is opgetreden.

 

5.2.  Partijen hebben tegenstrijdige lezingen gegeven over de vraag of beklaagde bij het bewuste ‘eerste’ telefoongesprek in de avond heeft aangeboden om met de hond naar de praktijk te komen. Volgens klager is dit niet gebeurd. Beklaagde heeft echter gesteld dat hij dit wel heeft aangeboden maar dat dit voor de zoon van klager, met wie het telefoongesprek is gevoerd, praktisch niet mogelijk bleek. Beklaagde stelt dat hij vervolgens de uit de anamnese verkregen informatie heeft gewogen en daarbij betekenis heeft toegekend aan het feit dat de hond nimmer  eerder een dergelijke aanval had gehad en ten tijde van het telefoongesprek weer rustig en klachtenvrij was, alsook normaal rond liep, waarna is geadviseerd om de volgende ochtend naar de eigen dierenarts te gaan, teneinde nader onderzoek naar een eventuele onderliggende oorzaak van de aanval te laten doen.

 

5.3. Het is vaste tuchtrechtspraak dat als partijen er tegenstrijdige lezingen over een bepaalde kwestie op nahouden en, wanneer op grond van de beschikbare gegevens niet met zekerheid kan worden vastgesteld welke lezing juist is, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Dat is hier niet het geval ten aanzien van precieze inhoud van het ‘eerste’ telefoongesprek, waardoor niet valt te beoordelen of er wel of geen uitnodiging is gedaan om met de hond naar de praktijk te komen, waar in de visie van het college ook niet kan worden gezegd dat beklaagde in de door hem beschreven situatie en met de uit de anamnese verkregen informatie, qua advisering nalatig of onverantwoordelijk handelen kan worden verweten.  

 

5.4. Vast staat dat tijdens het tweede telefoongesprek in de nacht klager is uitgenodigd met de hond naar de praktijk te komen en dat een consult is afgesproken om 2:30 uur. Klager heeft gesteld dat hij om  2:15 uur op de parkeerplaats voor de praktijk aanwezig was en dat beklaagde - hoewel hij naast de praktijk woonachtig is - hem daar ongeveer een kwartier onnodig heeft laten wachten, terwijl de hond een aanval en krampen had. Beklaagde heeft daartegenover gesteld dat dat hij in zijn herinnering vrijwel direct na de telefonisch gemaakte afspraak naar de praktijk is gekomen en vergeefs met open deur en de lichten aan op klager heeft gewacht, en dat hij uiteindelijk zelf naar buiten is gegaan om te zien waar klager bleef en hem toen met de hond naar binnen heeft gehaald. Hier lijkt naar het oordeel van het college eerder sprake geweest van een misverstand althans kan bij gebrek aan aanvullend bewijs dat het anders is geweest, door het college niet als vast staand worden aangenomen dat beklaagde debet is geweest aan het feit dat de hond niet eerder is geholpen doordat hij, beklaagde, niet tijdig op de praktijk was, daargelaten dat speculatief blijft of de zaak een andere afloop had gekend als er eerder pogingen tot stabilisatie zouden zijn ondernomen.

 

5.5. Volgens beklaagde was de hond bij binnenkomst op de praktijk aan het ‘stuipen. Mede in aanmerking genomen de leeftijd van de hond en indachtig de beschreven ernst van de situatie, oordeelt het college niet verwijtbaar dat beklaagde eerst aan klager de keuze heeft voorgelegd tussen euthanasie of het nog inzetten van een behandeling. Klager heeft gekozen voor het laatste. Beklaagde heeft vervolgens intraveneus een braunule ingebracht en getracht de aanvallen met medicatie (Diazepam intraveneus op effect, Fenobarbital intramusculair en Alfaxan) te stoppen. Ondanks het langdurig en in verhoogde doseringen toepassen van deze tegen epilepsie geëigende medicatie, sorteerde dit niet het gewenste effect en konden de aanvallen niet worden gecoupeerd. Voor het college is voldoende aannemelijk geworden dat de gezondheidssituatie van de hond op dat moment dermate zorgwekkend werd dat beklaagde in redelijkheid tot euthanasie mocht adviseren, waar ter zitting ook door klager is aangegeven dat hij niet wilde dat zijn hond zou lijden en het college uit de stukken heeft begrepen dat de euthanasie is uitgevoerd in aanwezigheid van de kinderen van klager, die op diens verzoek naar de praktijk zijn gekomen.

 

5.6. Anders dan klager heeft beklaagde gesteld dat hij na de stabilisatiepogingen, omdat een intra-craniaal probleem door hem niet werd uitgesloten, behalve over euthanasie, met klager ook heeft gesproken over verwijzing naar een gespecialiseerde kliniek, waar 24-uurs intensieve zorg  beschikbaar zou zijn. Beklaagde stelt daarbij wel gewezen te hebben op het feit dat de hond niet stabiel en de prognose niet gunstig was. Ook hier geldt dat de feiten door het college niet naar behoren kunnen worden vastgesteld en staat niet vast dat er door beklaagde enkel en alleen over euthanasie is gesproken, met de toevoeging dat het laten inslapen van de hond naar het oordeel van het college in de gegeven situatie een reële optie betrof en dat niet verwijtbaar wordt geacht als beklaagde zelf in het belang van het welzijn van de hond voor euthanasie als de eerste keuze opteerde. Hiernaast ziet het college onvoldoende aanleiding om tuchtrechtelijke consequenties te moeten verbinden aan het feit dat beklaagde tijdens de behandeling kennelijk geen uitvoerige toelichting over zijn werkwijze en medicamenteuze keuzes heeft gegeven, in aanmerking genomen de hectische situatie en de snelheid en concentratie waarmee tijdens de stabilisatiepogingen moest worden gehandeld.

 

5.7. Voor zover bij het plaatsen van de braunule enig bloedverlies is opgetreden, oordeelt het college dat het in een noodsituatie zoals die hier aan de orde is geweest en bij een in een epileptische aanval verkerende hond, lastig kan zijn om een braunule in te brengen en dat het enkele feit dat daarbij enig bloedverlies ontstond, nog niet hoeft te betekenen dat daar onjuist of nalatig handelen van beklaagde aan ten grondslag heeft gelegen, hetgeen hier niet is vast komen staan.

 

5.8.Het geheel overziend lijken zich met name op het communicatieve vlak tussen partijen diverse misverstanden te hebben voorgedaan en kunnen op tal van punten de feiten niet kunnen worden vastgesteld. Voor het college is hierdoor onvoldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van onwil om de hond te behandelen of elders verder te laten behandelen, noch is komen vast te staan dat er in veterinaire zin anderszins sprake is geweest van verwijtbaar nalatig of onverantwoord handelen dat het opleggen van een tuchtmaatregel zou rechtvaardigen.Een en ander betekent dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

 

6. DE BESLISSING   

 

Het college:

 

verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. G.J. van Muijen, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. B.J.A. Langhorst Mak en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris.

 

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018 door mr. G.J. van Muijen, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr.J.B.M. Keijzers, secretaris.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens