Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:5
Datum uitspraak:
21-01-2019
Datum publicatie:
21-01-2019
Zaaknummer(s):
18-721
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijGrievende uitlatingen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen advocaat wederpartij in erfrechtkwestie kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat verweerster bij de behartiging van de belangen van de moeder zich onnodig grievend jegens klager (zoon) heeft uitgelaten of diens belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad.

Gelderland

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline

in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 21 januari 2019

in de zaak 18-721

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

tegen

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland van 7 september 2018 met kenmerk K 18/62, door de raad digitaal ontvangen op diezelfde dag, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    In 2014 is de vader van klager overleden. De vader van klager heeft bij testament zijn vrouw, tevens de moeder van klager, benoemd tot enige en algemeen erfgename. Daarnaast heeft de vader aan zijn kinderen, onder wie klager, een bedrag gelegateerd gelijk aan het erfdeel dat zij zouden hebben gekregen als zij samen met hun moeder als erfgenaam tot zijn nalatenschap waren geroepen.

1.2    Klager en zijn moeder zijn sinds begin 2017 gebrouilleerd. Partijen zijn het onder meer niet eens over de afwikkeling van de erfenis.

1.3    Verweerster heeft de belangen van de moeder van klager behartigd in voornoemde erfrechtkwestie.

1.4    Op 22 februari 2018 heeft verweerster klager een brief gestuurd waarin zij onder meer heeft geschreven:

“Uw vader heeft echter tevens primair bepaald dat mijn cliënte enig en algemeen erfgenaam is. Dit heeft tot gevolg, dat mijn cliënte gedurende haar leven mag doen en laten wij zij wil met de nalatenschap. Uw legaat is normaliter opeisbaar bij het overlijden van uw moeder, als het geld er dan is.

Uw vader heeft tevens bepaald dat uw recht op het legaat vervalt als u zich als een onwaardig kind gedraagt.”

1.5    In diezelfde brief heeft verweerster klager verzocht om geen contact met de moeder te zoeken, op welke wijze ook, en haar persoonlijke ruimte te respecteren.

1.6    Op enig moment heeft de moeder een auto, die op haar naam geregistreerd stond, op naam van klager willen laten registreren zodat klager voortaan zelf de wegenbelasting en andere bijbehorende kosten  zou dragen. In dat kader heeft verweerster een conceptbrief opgesteld aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) en deze conceptbrief als bijlage op 20 april 2018 per e-mail aan haar cliënte gestuurd. Klager heeft op enig moment kennisgenomen van deze conceptbrief en bestrijdt de juistheid van de inhoud daarvan.

1.7    Bij brief van 30 april 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerster zich “onbeschoft” tegen klager heeft uitgelaten in haar brief van 22 februari 2018 door te refereren aan een passage uit het testament van de vader dat zijn recht op het legaat vervalt als hij zich als een onwaardig kind gedraagt;

Toelichting:

De vader van klager heeft een groot deel van zijn leven  in het notariaat gewerkt en wist dus heel goed hoe hij een testament moest opstellen. 

b)    verweerster de belangen van klager onnodig of onevenredig heeft geschaad zonder dat daarmee een redelijk belang van haar cliënte werd gediend.

Toelichting:

Verweerster heeft meerdere onwaarheden geschreven in de brief van het RDW met de duidelijke intentie om klager te demoniseren. Klager heeft in zijn repliek toegelicht om welke ‘leugens’ het zou gaan.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft verweer gevoerd en betwist tuchtrechtelijk laakbaar te hebben gehandeld.

Ad klachtonderdeel a)

3.2    Verweerster heeft opgetreden als advocaat van de wederpartij van klager en de belangen van haar cliënte behartigd. De term ‘onwaardig kind’ is afkomstig uit het testament van de vader. Verweerster heeft dus uit het testament geciteerd. Deze term is aangehaald omdat klager volgens haar cliënte in strijd met de intentie van de vader handelt. Klager krijgt pas geld na het overlijden van de moeder (op basis van het zogenaamde langstlevende testament). De cliënte van verweerster heeft ondervonden dat klager zich meer permitteert dat zij wenst en dat hij de door haar aangegeven grenzen niet heeft gerespecteerd. Zo heeft hij onder meer geprobeerd zijn moeder onder curatele te laten stellen, hetgeen niet is gelukt. Onder deze omstandigheden heeft verweerster geen grenzen overschreden bij de belangenbehartiging van de moeder.

Ad klachtonderdeel b)

3.3    Klager wilde niet meewerken aan de registratie van de auto op zijn naam. De brief aan het RDW was een conceptbrief die verweerster per e-mail in een Word-bestand aan haar cliënte heeft toegestuurd met de bedoeling dat haar cliënte nog wijzigingen kon aanbrengen als dat nodig was. Verweerster heeft van haar cliënte begrepen dat haar e-mailaccount is gehackt, vermoedelijk door een van haar kinderen, waarna klager kennis heeft gekregen van deze conceptbrief. Dit is in strijd met het postgeheim. Verweerster betwist de belangen van klager onnodig of onevenredig te hebben geschaad. Verweerster is bij het vermelden van de feitelijke informatie afgegaan op hetgeen haar cliënt haar heeft meegedeeld. Zij heeft geen aanleiding gezien om deze informatie te checken.

 

4    BEOORDELING

4.1    Allereerst stelt de voorzitter vast dat het gaat om het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt,  goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder redelijk doel. De voorzitter zal het optreden van verweerder derhalve aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Ad klachtonderdeel a)

4.2    Klager heeft niet expliciet betwist dat deze zin uit het testament afkomstig is, zoals verweerster heeft toegelicht. De voorzitter gaat er derhalve vanuit dat de bewuste zinsnede daadwerkelijk in het testament te lezen is. Niet kan worden gezegd dat verweerster met het opnemen van het bewuste citaat in haar brief van 22 februari 2018 onwaarheden heeft verkondigd of zich daarmee onnodig grievend (of in de woorden van klager: onbeschoft) heeft uitgelaten. Het opnemen van dit citaat diende een duidelijk doel voor de cliënte van verweerster, immers het weergeven van haar (juridische) visie op het geschil met klager. Dat klager het met die visie niet eens is (geweest) kan zo zijn, maar dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat verweerster een tuchtrechtelijke grens heeft overschreden. Klachtonderdeel a is kennelijk ongegrond.  

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Volgens klager heeft verweerster allerlei onwaarheden in haar (concept)brief van 20 april 2018 aan het RDW opgenomen. Klager heeft uitvoerig toegelicht waarom hij het niet eens is met stellingen die verweerster volgens hem in die brief heeft ingenomen. De bewuste brief bevindt zich niet in het klachtdossier zodat de voorzitter daarvan geen kennis heeft kunnen nemen. Wat van de inhoud van die brief ook zij, vaststaat dat het een brief van verweerster aan haar cliënte betrof. Deze brief had dus een vertrouwelijk karakter en was (vooralsnog) niet voor derden, zoals klager, bedoeld. Klager kan het niet eens zijn met de inhoud daarvan maar daarvan kan verweerster geen enkel tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het stond verweerster immers vrij om namens haar cliënte te pogen de tenaamstelling van de auto bij het RDW gewijzigd te krijgen. Van het bewust opnemen en zonder redelijk doel opnemen van feitelijke onjuistheden is de voorzitter niets gebleken. Klachtonderdeel b oordeelt de voorzitter eveneens kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A.E. Zweers, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. L.M. Roorda als griffier op 21 januari 2019.

 

griffier               voorzitter

 

Verzonden d.d. 21 januari 2019

Meer informatie

Acties

Meta gegevens