Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:4
Datum uitspraak:
14-01-2019
Datum publicatie:
15-01-2019
Zaaknummer(s):
18-191
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening Zorg voor de cliëntFinanciën Zorg voor de cliëntFinanciën
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen eigen advocaat gegrond nu verweerster de toevoegingsmogelijkheden voor klager onvoldoende heeft onderzocht en haar werkzaamheden ontijdig heeft neergelegd. De raad rekent verweerster ernstig aan dat zij haar eigen financiële belang bij het verlenen van rechtsbijstand op betalende basis heeft laten prevaleren boven het belang van klager bij gefinancierde rechtsbijstand. Berisping.

Midden-Nederland

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 14 januari 2019

in de zaak 18-191

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

tegen

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 14 juni 2017 heeft klager bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 9 maart 2018 met kenmerk 17-0177/FH/HH, door de raad digitaal ontvangen, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 17 september 2018 in aanwezigheid van klager. Verweerster is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van:

-    het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2    Klager heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering (gehad) bij Aegon.

2.3    In 2010 heeft klager een geschil gehad met Aegon over voornoemde verzekering. Via een jurist van de vakbond FNV, waar klager toen bij aangesloten was, heeft verweerster in 2010 werkzaamheden voor klager verricht. De kosten van rechtsbijstand werden door de FNV voldaan.

2.4    Klager heeft nadien van Aegon uitkeringen ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid.

2.5    Begin 2017 heeft klager wederom een geschil met Aegon gekregen omdat klager volgens Aegon een bezoek aan zijn huisarts in 2005 zou hebben verzwegen. Aegon heeft om die reden de uitkeringen aan klager stopgezet.

2.6    Klager heeft vervolgens weer contact gezocht eerdergenoemde jurist voor rechtsbijstand in het (tweede) geschil met Aegon. Klager was op dat moment geen lid meer van de FNV. Nadien heeft een oriënterend gesprek plaatsgevonden tussen klager, de jurist en verweerster. Bij dit gesprek was ook een vriendin van klager, mevrouw E., aanwezig.

2.7    Bij e-mail van 17 februari 2017 heeft de jurist klager namens verweerster en hemzelf een prijsopgave gestuurd voor het voeren van een kort geding en een bezwaarprocedure tegen Aegon. Genoemd is een bedrag van € 4.135,- exclusief bijkomende kosten en btw.

2.8    Op 18 februari 2017 heeft mevrouw E. per e-mail onder meer aan de jurist bericht:

“Toch even een vraag komt [klager] niet in aanmerking voor advocaat onvermogen”

2.9    Bij e-mail van 20 februari 2017 heeft de jurist als volgt gereageerd:

“Ik denk niet dat [klager] in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Er wordt immers gekeken naar het inkomen van twee jaar geleden, toen [klager] nog de uitkeringen van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering kreeg. Zie ook de site van de Raad voor Rechtsbijstand: http://rechtsbijstand.nl/over-mediation-en-rechtsbijstand/hoeveel-moet-ik-zelf-betalen.

Graag verneem ik van jullie. Alvast bedankt.”

2.10    Klager heeft vervolgens verweerster laten weten van haar diensten op betalende basis gebruik te willen maken en is akkoord gegaan met rechtsbijstand door verweerster voor een vast bedrag van € 5.000,-. Verweerster heeft ingestemd met het voorstel van klager om dit bedrag in termijnen te betalen.

2.11    Namens klager heeft verweerster een kort geding aanhangig gemaakt tegen Aegon. Bij vonnis van 2 mei 2017 – althans, die datum lijkt uit het klachtdossier te volgen – heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van klager afgewezen en is klager veroordeeld in de proceskosten.

2.12    Klager heeft vervolgens op 23 mei 2017 met verweerster gesproken over de mogelijkheid van hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Per e-mail van 29 mei 2017 heeft klager verweerster opdracht gegeven hoger beroep in te stellen.

2.13    Op enig moment heeft klager van een vriendin vernomen dat hij mogelijk in aanmerking had kunnen komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Op dat moment had klager al € 2.680,- aan verweerster voldaan.

2.14    De vriendin van klager heeft contact gezocht met het Juridisch Loket en is onder meer gewezen op de mogelijkheid van peiljaarverlegging.

2.15    Op 30 mei 2017 heeft klager telefonisch contact gehad met verweerster. Volgens klager heeft hij verweerster tijdens dat gesprek onder meer gemeld dat hij mogelijk recht had op een toevoeging, ook voor het kort geding in eerste aanleg.

2.16    Verweerster heeft eind mei 2017 hoger beroep voor klager ingesteld.

2.17    Bij e-mail van 6 juni 2017 heeft verweerster aan klager onder meer het volgende bericht:

“Hierbij zend ik jullie een kopie van de uitgebrachte appel dagvaarding. (…)

U heeft mij vrijdag een brief gezonden en ik heb na onze telefoongesprekken nagedacht over het verloop tot nu toe en de vervolgacties. Ik heb er geen moeite mee dat u het hoger beroep op basis van gefinancierde rechtsbijstand wilt voeren. Ook vind ik het niet erg dat u dit met mij bespreekt.

Zoals ik u telefonisch liet weten, kan dit echter niet meer voor het kort geding, omdat dit helaas niet met terugwerkende kracht kan. Hans en ik hebben destijds gedacht dat jullie daar niet voor in aanmerking kwamen en daarom een vaste prijs vastgesteld voor de bezwaarprocedure en het kort geding. Nu jullie van mening zijn dat dit wel het geval is, heb ik de aanvraag nu ook ingediend voor het hoger beroep.

Waar ik wel moeite mee heb, is de financiële onduidelijkheid. Ik heb namelijk aardig wat tijd in het kort geding gestoken en het is voor mij nu maar de vraag of ik daar nog wel voor betaald wordt. (…) Ik vind het geen prettig idee dat ik nu weer op krediet moet gaan werken en nog niets eens betaald ben voor de vorige werkzaamheden. Hoewel ik in eerste instantie enkel vanwege de afstand dacht dat het wellicht beter was om een advocaat in de regio in te schakelen, moet ik nu wel bekennen dat mijn bereidheid om de zaak voor u voort te zetten, is afgenomen. Ik vind het namelijk prettiger om vooraf te weten waar ik aan toe ben. Net als uw huishouding is mijn kantoor ook afhankelijk van de omzet die ik draai voor het betalen van de kantoorfaciliteiten. Ik kan het me dus ook niet permitteren dat ik achteraf moet constateren dat ik wel werk heb verricht, maar daar feitelijk niet voor ben of word betaald. Ik heb gelet hierop besloten mijn werk niet voor u voort te zetten. Ik adviseer u dan ook om zelf of via het juridisch loket op zoek te gaan naar een advocaat die de behandeling van de zaak van mij kan overnemen.”

2.18    Verweerster heeft daarna de appeldagvaarding aangebracht waardoor klager het griffierecht van € 313,- verschuldigd was.

2.19    Klager heeft nadien een toevoeging aangevraagd en (met peiljaarverlegging) verkregen.

2.20    Klager heeft vervolgens een andere advocaat bereid gevonden de zaak over te nemen. De nieuwe advocaat van klager heeft klager geadviseerd het hoger beroep in te trekken omdat een hoger beroep in kort geding in deze kwestie niet de juiste weg zou zijn. Het hoger beroep is daarna ingetrokken, waarna klager nog wel het griffierecht van € 313,- verschuldigd was.

2.21    Verweerster heeft (een deel van) het door klager aan haar betaalde (deel)bedrag van € 2.680,- terugbetaald.

2.22    Bij brief van 14 juni 2017 heeft klager een klacht ingediend over verweerster bij de deken.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerster:

a)    geen toevoeging heeft aangevraagd;

Toelichting

Verweerster heeft gezegd dat klager geen recht had op een toevoeging maar later is gebleken dat dit wel het geval is geweest. Verweerster heeft de mogelijkheid van een toevoeging niet met klager besproken, terwijl dit volgens het Juridisch Loket wel had gemoeten, en zij heeft ook geen toevoeging voor klager aangevraagd. Verweerster wist bij aanvang van de zaak dat klager geen inkomen meer had, immers, daarover ging de zaak tegen Aegon. Om de rekeningen van verweerster te kunnen betalen heeft klager geld moeten lenen en zijn auto moeten verkopen. Toen klager verweerster later op de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand heeft aangesproken, heeft verweerster gezegd dat zij in de veronderstelling was dat er vermogen was. Op de vraag van klager waar verweerster deze veronderstelling op gebaseerd heeft, heeft klager geen antwoord gekregen. Klager heeft voor het hoger beroep wel een toevoeging gekregen. Als verweerster voor klager eerder een toevoeging had aangevraagd, voordat ze het kort geding was begonnen, dan waren de financiële problemen voor klager aanzienlijk minder geweest.

b)    ontijdig haar werkzaamheden heeft neergelegd

Toelichting

Na het verliezen van het kort geding heeft verweerster klager laten weten dat zij de zaak zou neerleggen maar dat zij wel een toevoeging voor klager zou aanvragen voor het hoger beroep. Volgens verweerster kon zij de zaak niet meer doen vanwege de afstand en was het daarom beter dat klager een andere advocaat zou zoeken. Klager vindt het vreemd dat verweerster zich vanwege de afstand heeft onttrokken terwijl ze eerder wel het kort geding kon doen. Vanwege de lopende hogerberoepstermijn moest klager binnen vier weken een nieuwe advocaat zoeken. Klager heeft door het handelen van verweerster veel stress en onzekerheid ervaren.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft verweer gevoerd en betwist tuchtrechtelijk laakbaar te hebben gehandeld.

Ad klachtonderdeel a)

4.2    Tijdens het oriënterende gesprek in 2017 gaf klager de indruk over vermogen te beschikken. Verweerster heeft geen aantekeningen van het gesprek gemaakt en ook niks vastgelegd over het vermogen. Zij kan daarom niet meer terughalen waarop zij dit heeft gebaseerd. Ook weet verweerster niet meer waarom zij meende dat klager geen recht zou hebben op een toevoeging. Met klager is wel gecommuniceerd over de mogelijkheid van een toevoeging. Verweerster verwijst naar de e-mailcorrespondentie uit februari 2017 tussen klager en de jurist. Op de website van de Raad voor Rechtsbijstand, waarnaar de jurist heeft verwezen, wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid van peiljaarverlegging. Klager is dus de mogelijkheid geboden om de website van de Raad voor Rechtsbijstand goed te bekijken voordat hij met verweerster in zee ging.  Nu klager daarna verweerster de onvoorwaardelijke opdracht heeft verstrekt, heeft dit ertoe bijgedragen dat verweerster niet twijfelde aan haar inschatting dat klager geen recht had op gefinancierde rechtsbijstand. Het had op de weg van klager gelegen om bij twijfel verweerster daarop aan te spreken en niet te wachten tot de werkzaamheden al volledig waren verricht. Nadat verweerster is gebleken dat klager voor het hoger beroep een toevoeging heeft verkregen, heeft zij de betalingskwestie met klager zorgvuldig opgelost door met hem af te rekenen als ware er in eerste aanleg wel een toevoeging verleend. Concreet betekent dit dat verweerster de eigen bijdrage en het griffierecht in hoger beroep bij klager in rekening heeft gebracht en het restant van de deelbetaling aan klager heeft terugbetaald.

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Verweerster kreeg van klager de opdracht om hoger beroep in te stellen. Verweerster hoeft de kosten van het hoger beroep niet te dragen nu klager zelf hoger beroep wilde instellen terwijl hij wist dat de kansen klein waren. Klager dient zelf in te staan voor de kosten van het voeren en voortijdig intrekken van het hoger beroep. Verweerster heeft niet onzorgvuldig gehandeld door zich te onttrekken. Het hoger beroep was ingesteld en klager had nog vier weken de tijd om een andere advocaat te zoeken. Dit is een redelijke termijn geweest. Van een ontijdige onttrekking is dus geen sprake geweest en bovendien had klager nog uitstel kunnen vragen bij het gerechtshof.

 

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt bij de beoordeling voorop dat een advocaat verplicht is met zijn cliënt bij het begin van de zaak – en daarna steeds wanneer daartoe aanleiding bestaat – te overleggen of er gronden zijn om te proberen door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen. Dit is alleen anders als de advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp (gedragsregel 24 lid 1 oud). Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen (gedragsregel 24 lid 2 oud). De in deze gedragsregel vastgelegde zorgplicht van de advocaat jegens de cliënt brengt met zich dat een advocaat (in beginsel) de verplichting heeft om zijn cliënt erop te wijzen dat hij mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Bij het nakomen van deze verplichting zal de advocaat een grote mate van zorgvuldigheid dienen te betrachten en ook met zorgvuldigheid dienen te onderzoeken of de cliënt voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking komt zodat de cliënt goed geïnformeerd een beslissing kan nemen.

Ad klachtonderdeel a)

5.2    Vast staat dat de gefinancierde rechtsbijstand voorafgaand aan de opdracht aan verweerster in 2017 wel aan de orde is geweest nu dit in ieder geval volgt uit de e-mailcorrespondentie tussen klager en de jurist. Volgens klager is er niet meer gezegd dan dat hij daar niet voor in aanmerking zou komen. Dat beeld wordt bevestigd in de e-mail van de jurist aan klager van 20 februari 2017. Enige correspondentie van verweerster (als advocaat) aan klager over de mogelijkheden en/of onmogelijkheden van gefinancierde rechtsbijstand ontbreekt. De vraag is of de enkele mededeling dat klager (waarschijnlijk) niet voor een toevoeging in aanmerking zou komen, met daarbij een verwijzing naar de website van de Raad voor Rechtsbijstand, voldoende is met een verwijzing naar het hiervoor geschetste toetsingskader. De raad meent dat dit niet het geval is.

5.3    Los van de mededelingen door de jurist (die overigens ook niet aan de Advocatenwet en de gedragsregels is gebonden) had verweerster als advocaat van klager een eigen plicht om de toevoegingsmogelijkheden voor klager te onderzoeken en klager daarover te informeren. Uit niets blijkt dat verweerster hier zelfstandig enig onderzoek naar heeft gedaan en dit met klager heeft teruggekoppeld. Het was van belang dat klager wist waar hij aan toe was en op basis van de door verweerster verstrekte informatie een goede afweging kon maken of hij met verweerster al dan niet op betalende basis verder wilde. Dat klager hiertoe in de gelegenheid is gesteld is de raad niet gebleken. In ieder geval heeft verweerster nagelaten een en ander schriftelijk vast te leggen. Dergelijke belangrijke informatie moet schriftelijk worden vastgelegd ter vermijding van onduidelijkheid. Het ontbreken daarvan komt voor risico van verweerster, zodat in dit geval niet is komen vast te staan dat verweerder aan haar informatie- en communicatieplicht heeft voldaan.

5.4    Niet gebleken is van goede gronden op basis waarvan klager niet in aanmerking zou komen voor een toevoeging of van gronden op basis waarvan verweerster daaraan had mogen twijfelen. Verweerster stelt weliswaar dat zij meende dat klager vermogen had (en daarom geen toevoeging zou kunnen krijgen) maar dit volgt uit niets. Het feit dat klager geen inkomen meer had, had voor verweerster reden temeer moeten zijn om klager expliciet te wijzen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand (door peiljaarverlegging) omdat hij daarbij duidelijk een (groot) financieel belang had. Dat klager die toevoeging ook zou hebben verkregen is aannemelijk nu deze voor het hoger beroep ook is verstrekt.

5.5    Het verweer dat klager zelf informatie had kunnen vinden op de website van de Raad voor Rechtsbijstand, onder meer over een peiljaarverlegging, wordt gepasseerd. Gezien het voorgaande acht de raad het ongepast en onbegrijpelijk dat verweerster meent dat zij, althans de jurist namens haar, met een verwijzing naar een website meent te kunnen volstaan. Dit is volstrekt onvoldoende. Verweerster heeft kennelijk een High Trust met de Raad voor Rechtsbijstand. De gang van zaken mag haar dan ook bekend worden verondersteld.

5.6    De raad oordeelt klachtonderdeel a gegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.7    Klager heeft allereerst gesteld niet te begrijpen dat en waarom verweerster de afstand tussen klager (woonachtig in Brabant) en verweerster (gevestigd in Flevoland) als reden voor de onttrekking heeft opgevoerd. Volgens klager was de afstand eerder geen probleem. Wat van die afstand en de mededelingen daarover van verweerster ook zij, uit de e-mail van verweerster aan klager van 6 juni 2017 leidt de raad af dat niet zozeer de afstand maar de financiële onzekerheid voor verweerster de (doorslaggevende) reden is geweest om zich aan de zaak te onttrekken. Kennelijk is verweerster niet bereid geweest om op toevoegingsbasis voor klager te werken, althans, dat lijkt te volgen uit de e-mail van verweerster. Voor de vraag of verweerster zich ontijdig heeft onttrokken (de kern van klachtonderdeel b), is dit echter niet relevant.

5.8    Daarvoor is wel relevant dat sprake was van een appeltermijn van vier weken na het kortgedingvonnis van 2 mei 2017. Volgens verweerster heeft klager haar bij e-mail van 29 mei 2017 opdracht gegeven tot het instellen van appel. Het hoger beroep is kennelijk eind mei 2017 ingesteld tegen, kennelijk, de aanbrengdatum van 13 juni 2017. Desgevraagd had vier weken uitstel verleend kunnen worden voor het indienen van de memorie van grieven. De betekent dat omstreeks 10 juli 2017 de memorie van grieven gereed had moeten zijn. Weliswaar heeft verweerster bij e-mail van 6 juni 2017 aangekondigd zich terug te zullen trekken maar uit de correspondentie in het klachtdossier blijkt dat zij op 20 juni 2017 nog inhoudelijk contact heeft gehad met de opvolgend advocaat en ook nog op 26 juni 2017 bij de zaak betrokken was. Op 5 juli 2017 had de opvolgende advocaat nog geen dossier ontvangen, zoals blijkt uit diens e-mail van die datum aan verweerster. Daarmee werd de periode waarin de opvolgend advocaat kon beoordelen of hij wilde doorgaan met het hoger beroep (en het opstellen van een memorie van grieven), dan wel zou kiezen voor het opstarten van een bodemprocedure, dan wel voor nog een andere oplossing, erg kort dag. In zoverre oordeelt de raad de onttrekking door verweerster ontijdig. Klachtonderdeel b is gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Nu beide klachtonderdelen gegrond zijn, oordeelt de raad de maatregel van berisping passend en geboden. De raad rekent verweerster ernstig aan dat zij haar eigen financiële belang bij het verlenen van rechtsbijstand op betalende basis heeft laten prevaleren boven het belang van klager bij gefinancierde rechtsbijstand. Dit heeft zich tweemaal voorgedaan: bij aanvang van de zaak en later, toen verweerster zich heeft onttrokken omdat zij geen ‘zin’ had in financiële onzekerheid. Het is juist verweerster die klager in financiële onzekerheid heeft laten verkeren. Dit, samen met het ontbreken van schriftelijke vastlegging en de ontijdige onttrekking, maakt dat een berisping gerechtvaardigd is. De raad heeft daarbij rekening gehouden met het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerster.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, dient verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,00 aan hem te vergoeden.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)     € 50,00 in verband met de forfaitaire reiskosten van klager,

b)    € 1000,00 in verband met de kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

7.3    Verweerster dient het bedrag van € 50,00 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden te betalen aan klager. Klager geeft tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk door aan verweerster.

7.4    Verweerster dient het bedrag van € 1000,00 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer 18-191.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond.

-    legt aan verweerster de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,00 aan klager;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,00 aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.4.

Aldus gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. G.R.M. van den Assum, R.J.A. Dil, W.H. Kesler, A.T.M. Weersink, leden, bijgestaan door mr. L.M. Roorda als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2019.

 

Griffier                                                                   Voorzitter

 

Verzonden d.d. 14 januari 2019

Meer informatie

Acties

Meta gegevens