Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2019:18
Datum uitspraak:
04-02-2019
Datum publicatie:
06-02-2019
Zaaknummer(s):
18-686
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijDreigementen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Betreft klacht over optreden van de advocaat van de wederpartij. Klacht is kennelijk ongegrond omdat verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid, als advocaat van de wederpartij, niet heeft overschreden.

Gelderland

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 4 februari 2019

in de zaak 18-686

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

tegen

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland van 28 augustus 2018 met kenmerk K 18/35, door de raad ontvangen op 28 augustus 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Klager is in het verleden cliënt geweest van PP, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, voor welke instelling verweerder als advocaat is opgetreden.

1.2    De medische dossiers die PP in het kader van die zorgrelatie heeft opgemaakt, zijn in etappes aan klager verstrekt. Klager stelt zich op het standpunt dat PP nog niet alle medische dossiers aan hem heeft verstrekt.

1.3    Klager heeft PP op 12 januari 2018 aansprakelijk gesteld voor schade welke door het handelen/nalaten van PP bij klager zou zijn ontstaan. PP heeft vervolgens verweerder ingeschakeld om als advocaat voor haar op te treden. Dit was volgens verweerder mede ingegeven doordat klager en zijn echtgenoot veelvuldig contact met PP zochten. In dat kader heeft verweerder klager gesommeerd het contact via hem te laten lopen. Zou klager dat niet doen, dan zou verweerder namens PP een locatie- en terreinverbod vragen, alsmede een contactverbod.

1.4    Klager heeft hierna PP en verweerder meerdere malen aangeschreven met het verzoek aan PP om klager een kopie van zijn medische dossier te verschaffen. In (onder andere) een e-mail van 30 januari 2018 heeft klager aangegeven dat de informatie niet via de advocaat moet gaan, omdat dat volgens de klager wettelijk verboden is.

1.5    Op 9 februari 2018 heeft verweerder, namens PP, een laatste maal medische gegevens van klager per aangetekende brief aan klager verstrekt. Klager beschikte voordien nog niet over deze gegevens.

1.6    Bij brief van 7 maart 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerder zonder toestemming van klager diens medische dossier van PP in ontvangst heeft genomen en heeft doorgezonden aan klager;

b)    verweerder heeft aangegeven niet meer te zullen reageren op de verzoeken van klager om medische stukken;

c)    verweerder dreigende taal heeft gebezigd in zijn brieven aan klager en in strijd met de waarheid in zijn brieven heeft gesteld dat klager intimiderende uitlatingen heeft gedaan jegens het personeel van PP.

 

3    VERWEER

Voor zover relevant komt het gemotiveerde verweer van verweerder bij de bespreking van de klacht aan de orde.

 

4    BEOORDELING

4.1    Allereerst stelt de voorzitter vast dat het gaat om het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. De voorzitter zal het optreden van verweerder derhalve aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Ad klachtonderdeel a)

4.2    Verweerder heeft aangevoerd dat PP hem heeft ingeschakeld omdat klager PP aansprakelijk had gesteld vanwege het feit dat PP niet alle medische dossiers aan klager had verstrekt en vanwege de vele telefoontjes van klager en zijn partner. Verweerder heeft klager meegedeeld dat deze zich voortaan niet meer rechtstreeks tot PP diende te wenden maar tot verweerder, als raadsman van PP. Naar het oordeel van de voorzitter stond het verweerder, als advocaat van PP, vrij dat mee te delen. Vervolgens heeft PP de medische stukken van klager, die klager stelde niet te hebben ontvangen, aan verweerder gestuurd om die door te sturen naar klager. Volgens klager had verweerder die stukken niet mogen accepteren omdat PP die rechtstreeks aan klager had moeten doen toekomen. De voorzitter volgt klager hierin niet. Wat er zij van de handelwijze van PP, in ieder geval mocht verweerder de stukken die zijn cliënte hem  toestuurde, aannemen en, op verzoek van zijn cliënte, doorsturen naar klager. Het lag niet op de weg van verweerder om stukken, afkomstig van zijn cliënte, te weigeren. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel b)

4.3    Verweerder heeft aangevoerd dat PP en ook verweerder veelvuldig hebben gereageerd  op verzoeken van klager en zijn partner om afschriften te ontvangen van klagers medische dossier. Klager heeft dat ook in kopie ontvangen. De kwestie was daarmee afgedaan en verweerder heeft klager bericht dat de discussie over het medische dossier daarmee was geëindigd en dat nieuwe brieven of e-mails over datzelfde onderwerp geen zin zouden hebben en niet beantwoord zouden worden. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder door aldus te handelen de grenzen van de hem als advocaat van de wederpartij van klager toekomende vrijheid niet overschreden. Hij was als advocaat van de wederpartij van klager niet gehouden steeds weer te reageren op vragen van klager over een kwestie die was afgehandeld, zoals klager ook was meegedeeld. Bovendien heeft verweerder desondanks op een brief van klager van 2 maart 2018 en 29 maart 2018 nog gereageerd op een vraag van de advocaat van klager, die overigens al een paar keer aan klager rechtstreeks was beantwoord. De voorzitter ziet hierin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

4.4    Dit onderdeel betreft het verwijt dat verweerder dreigende taal zou hebben gebezigd in zijn brieven aan klager. Kennelijk doelt klager op de aanzegging van verweerder dat namens PP een contactverbod zal worden gevraagd. Als belangenbehartiger van PP stond het verweerder vrij een dergelijke maatregel aan te zeggen en zo nodig stappen te ondernemen om een contactverbod aan de rechter te vragen. In een geschil tussen partijen is het juist de taak van de advocaat als belangenbehartiger van zijn cliënt om zo nodig rechtsmaatregelen te nemen. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

4.5    De voorzitter is van oordeel dat verweerder de grenzen van de hem, als advocaat van de wederpartij van klager, toekomende vrijheid niet heeft overschreden.

4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. R.A. Steenbergen, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink als griffier op 4 februari 2019.

 

griffier    voorzitter

 

Verzonden d.d. 4 februari 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens