Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:25
Datum uitspraak:
31-01-2019
Datum publicatie:
07-02-2019
Zaaknummer(s):
18-1044/A/A
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door stukken afkomstig uit een andere procedure tussen klaagster en een andere ex-partner, heeft ingebracht in de procedure tussen klaagster en de cliënt van verweerster.

Amsterdam

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  31 januari 2019

in de zaak 18-1044/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

tegen:

   

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 19 december 2018 met kenmerk 2018-659157, door de raad ontvangen op 20 december 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1 Klaagster heeft een relatie gehad met de heer S. Klaagster en de heer S hebben samen een zoon. Na de beëindiging van de relatie zijn klaagster en de heer S verwikkeld geweest in (een) procedure(s) over (onder meer) de omgang met de zoon.

1.2 Klaagster heeft later een relatie gekregen met de heer Y. Klaagster en de heer Y hebben samen twee kinderen. De relatie tussen klaagster en de heer Y is op enig moment geëindigd.

1.3 Verweerster heeft klaagster namens de heer Y in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland en vaststelling van een tijdelijke omgangsregeling gevorderd.

1.4 Op 29 mei 2018 heeft verweerster een aantal producties aan de rechtbank overgelegd, waaronder het verweerschrift en het aanvullende verweerschrift van de bijzonder curator van de zoon van klaagster en de heer S in de procedure tussen klaagster en de heer S en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 14 december 2009 in de procedure tussen klaagster en de heer S.

1.5 Op 31 mei 2018 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a) stukken afkomstig uit een andere procedure, waarbij de heer Y geen partij was, heeft ingebracht in de kortgedingprocedure tussen de heer Y en klaagster;

b) heeft geweigerd deze stukken in te trekken.

3 VERWEER

3.1 Verweerster voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

4 BEOORDELING

4.1 De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerster als advocaat van de wederpartij van klaagster. Uitgangspunt is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

4.2 Klaagster verwijt verweerster dat zij stukken afkomstig uit de procedure tussen klaagster en de heer S heeft ingebracht in de kortgedingprocedure tussen klaagster en de heer Y en dat zij heeft geweigerd deze stukken in te trekken.

4.3 Verweerster voert aan dat de heer Y al enige tijd geen omgang had met zijn kinderen, omdat klaagster dit niet toestond. Klaagster wenste daarover niet met de heer Y te communiceren en zij stond ook geen omgang toe als dit begeleid zou plaatsvinden. Verweerster heeft daarom namens de heer Y een kort geding aanhangig gemaakt en vaststelling van een tijdelijke omgangsregeling gevorderd. Tijdens de relatie van klaagster en de heer Y maakte de zoon van klaagster en de heer S ook onderdeel uit van het gezin. De zoon van klaagster en de heer S zag de heer S niet. De heer Y heeft daarom uit eigen beweging contact opgenomen met de heer S om hierover met hem te praten. Tijdens dit gesprek heeft de heer S het dossier van zijn zaak aan de heer Y verstrekt. In de stukken die de advocaat van klaagster aan de rechtbank had toegezonden in verband met het kort geding, werd de heer Y uiterst negatief afgeschilderd. Volgens de heer Y was dit in strijd met de werkelijkheid en hierop is besloten om enkele stukken in te brengen uit de zaak tussen klaagster en de heer S. Uit die stukken valt immers de houding van klaagster in die procedure op te maken, welke overeenkomt met de houding van klaagster in de procedure tussen haar en de heer Y. Het was dan ook in het belang van de heer Y om deze stukken in te brengen, aldus verweerster.

4.4 De voorzitter overweegt als volgt. Verweerster heeft de betreffende stukken ingebracht in het belang van de heer Y, om de door klaagster gedane uitlatingen over de heer Y te ontkrachten. Dat (de cliënt van) verweerster de stukken op ongeoorloofde wijze heeft verkregen is, gelet op het verweer van verweerster dat klaagster onvoldoende heeft betwist, niet komen vast te staan. Dat de belangen van klaagster door het inbrengen van de stukken onevenredig zijn geschaad, in de zin zoals hiervoor in 4.1 bedoeld, is niet gebleken. Het valt verweerster dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat zij de betreffende stukken heeft ingebracht en evenmin dat zij de stukken niet heeft ingetrokken.

4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. E.J. van der Molen, plaatsvervangend  voorzitter, met bijstand van mr. S. van Excel als griffier op 31 januari 2019.

Griffier  Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 31 januari 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens