Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:24
Datum uitspraak:
04-02-2019
Datum publicatie:
07-02-2019
Zaaknummer(s):
18-956/A/A
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde over advocaat. De voorzitter overweegt dat verweerster als partijdig belangenbehartiger in eerste instantie het belang van haar cliënte behoort te dienen. Daarbij geldt dat de verhouding tussen de advocaat, als opdrachtnemer, en de cliënt, als opdrachtgever, meebrengt dat de advocaat in beginsel gehouden is de instructies van zijn cliënt op te volgen. In dat licht valt het verweerster niet tuchtrechtelijk te verwijten dat zij geen reactie heeft gegeven op de e-mailberichten van klager. Daarbij is niet gebleken dat de belangen van klager hierdoor onevenredig zouden zijn geschaad. Voor zover klager zich op het standpunt stelt dat verweerster telefonisch zou hebben toegezegd te zullen reageren wordt dat betwist, zodat de voorzitter dat niet kan vaststellen. De klacht is kennelijk ongegrond.

Amsterdam

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  4 februari 2019

in de zaak 18-956/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 22 november 2018 met kenmerk 2018-623201, door de raad ontvangen op 26 november 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. Voorts heeft de voorzitter kennis genomen van de e-mail van klager aan de raad van 10 december 2018.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1 Verweerster staat mevrouw F bij als advocaat.

1.2 Op 7 mei 2018 heeft klager telefonisch contact gehad met verweerster. Diezelfde dag heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerster.

1.3 Op 15 mei 2018 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerster, met onder meer de volgende inhoud:

“Dit bericht ontvangt u ervan uitgaande dat u nog de advocate van [mevrouw F] bent. (...) Helaas vernam ik helemaal niets van u in reactie op mijn mail(s) en telefoontjes begin vorige week. Die waren bedoeld om mijn aangifte tegen [mevrouw F] te voorkomen!

(...) als uw cliënte de gewraakte posts en bijlagen alsnog verwijdert en haar welgemeende schriftelijke verontschuldigingen daarvoor aanbiedt waaruit blijkt dat ze loog, dan zal ik overwegen dat te respecteren en het aan de recherche te melden nu daarmee de aangifte minder valide kan worden hetgeen in belang van [mevrouw F] is. De aangifte intrekken kan ik zoals u weet niet; die is gedaan en in het recherche-circuit.

Graag verneem ik thans wel van u.”

1.4 Op 18 mei 2018 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerster, met onder meer de volgende inhoud:

“Om ca 14 .00 uur spraken wij elkaar, eindelijk, telefonisch.

Op mijn eerdere (mail/telefoon)berichten aan u dezer dagen reageerde u geheel niet en dit is het eerste contact nadien.

(...)

U gaf aan dat u geen opdracht heeft van uw – kennelijk nog steeds – cliënte [mevrouw F] om op mijn mails e.d. te reageren.”

1.5 Op 18 mei 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

1.6 Op 22 mei 2018 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud:

“Terecht geeft u in de onderstaande e-mail aan dat ik de advocaat van [mevrouw F] ben en dus zal ik mij uitsluitend laat leiden door haar belang. Gezien het feit dat u in geen enkele verhouding tot cliënte staat – u bent immers geen wederpartij van cliënte – heeft zij mij aangegeven geen reactie op uw e-mail te geven. Dit ligt ook in lijn met hetgeen ik u in ons eerste telefoongesprek heb aangegeven.

U vroeg mij in dat gesprek of ik toestemming had met u te mogen spreken. Ik had toen nog geen idee wie u was. Ik heb daarop aangegeven dat ik u in ieder geval zou kunnen aanhoren. Dat heb ik gedaan. Aan het einde van dat gesprek heb ik aangegeven dat ik de nog door u te versturen e-mail aan mij aan cliënte zou voorleggen, maar dat ik u niet kon toezeggen of ik u nog zou antwoorden. In dat laatste geval is geen bericht ook duidelijk, hetgeen ik u duidelijk heb voorgehouden.”

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij in strijd met Gedragsregel 1 heeft gehandeld aangezien zij niet heeft gereageerd op klagers email-berichten.

3 VERWEER

3.1 Verweerster voert aan dat zij klager voor het eerst op 7 mei 2018 aan de telefoon heeft gehad. In dat telefoongesprek heeft zij klager aangehoord zonder enige inhoudelijke reactie te geven. Klager liet weten zijn verhaal voor verweerster in een e-mailbericht te zullen zetten, zodat verweerster dit met haar cliënte kon bespreken. In reactie op het verzoek van klager om hem toe te zeggen dat hij een inhoudelijke reactie op zijn relaas zou ontvangen, heeft verweerster hem bericht dat zij dat niet kon toezeggen. Na ontvangst van het e-mailbericht van klager heeft verweerster dit met haar cliënte besproken, waarna deze verweerster heeft verzocht geen enkele reactie te geven. Verweerster voelde zich vrij dat ook niet te doen, omdat (i) zij geen opdracht had van cliënte en (ii) zij klager al had laten weten dat zij geen reactie zou geven als zij daarvoor geen toestemming/opdracht zou krijgen van haar cliënte, aldus steeds verweerster.

4 BEOORDELING

4.1 De advocaat komt een grote vrijheid toe de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Die vrijheid mag niet worden beknot ten gunste van een tegenpartij of een derde, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze door het optreden van de advocaat zouden worden geschaad.

4.2 De voorzitter overweegt dat verweerster als partijdig belangenbehartiger in eerste instantie het belang van haar cliënte behoort te dienen. Daarbij geldt dat de verhouding tussen de advocaat, als opdrachtnemer, en de cliënt, als opdrachtgever, meebrengt dat de advocaat in beginsel gehouden is de instructies van zijn cliënt op te volgen. In dat licht valt het verweerster niet tuchtrechtelijk te verwijten dat zij geen reactie heeft gegeven op de e-mailberichten van klager. Daarbij is niet gebleken dat de belangen van klager hierdoor onevenredig zouden zijn geschaad. Voor zover klager zich op het standpunt stelt dat verweerster telefonisch zou hebben toegezegd te zullen reageren wordt dat betwist, zodat de voorzitter dat niet kan vaststellen. De klacht is kennelijk ongegrond.

4.3 Concluderend zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, met bijstand van mr. P.J. Verdam als griffier op 4 februari 2019.

Griffier  Voorzitter

Deze beslissing is in afschrift op 4 februari 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens