Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:16
Datum uitspraak:
17-01-2019
Datum publicatie:
21-01-2019
Zaaknummer(s):
18-968/A/A
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijVrijheid van handelen Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijFouten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Verweerster heeft de grenzen van de haar toekomende vrijheid niet overschreden.

Amsterdam

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 17 januari 2019

in de zaak 18-965/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) met kenmerk 2018-658105' style='text-decoration: underline'>2018-658105, door de raad ontvangen op 3 december 2018, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1 Klager heeft op 23 februari 2017 een optieverklaring afgelegd op grond van artikel 6 lid 1, aanhef, onder f van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

1.2 Bij brief van 30 oktober 2017 heeft de burgemeester van de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) klager meegedeeld voornemens te zijn de bevestiging voor het verkrijgen van het Nederlanderschap te weigeren, omdat klager niet voldoet aan alle voorwaarden om Nederlander te worden. De brief luidt, voor zover van belang:

“Op 23 februari 2017 heeft u een optieverklaring afgelegd op grond van artikel 6 lid 1, aanhef, onder f van de Rijkswet op het Nederlanderschap (…). Daarmee geeft u aan Nederlander te willen worden. U wordt pas Nederlander als dat schriftelijk is bevestigd.

(…)

Gronden weigering

Het Nederlanderschap wordt u geweigerd als er een ernstig vermoeden bestaat dat u gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (…). Op grond van het beleid kan hier al sprake van zijn als u een strafbaar feit heeft gepleegd. (…)

Onderzoek

Uit een door mij ingesteld onderzoek is gebleken dat u op 4 juni 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout (België), wegens het zonder wettige reden weigeren om een bloedproef te laten nemen, onherroepelijk bent veroordeeld tot een geldboete van € 1100,-- subsidiair 30 dagen vervangend rijverbod waarvan € 550,-- subsidiair 30 dagen vervangend rijverbod voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, 12 dagen ontzegging van de rijbevoegdheid.

Het is niet bekend of u de boete heeft betaald. (…)

Als u kunt aantonen dat u meer dan 4 jaar geleden de aan u opgelegde boete heeft betaald Dan kunnen wij uw optieverklaring bevestigen.”

1.3 Op 8 december 2017 heeft klager een reactie aan de gemeente gestuurd.

1.4 Bij besluit van 9 januari 2018 is klagers verzoek om de optieverklaring te bevestigen afgewezen.

1.5 Klager heeft zich vervolgens tot verweerder gewend met het verzoek hem bij te staan.

1.6 Bij brief van 25 januari 2018 heeft verweerder de gemeente onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Op verzoek van cliënt wil ik bij de justitiële autoriteiten in België onderzoek doen naar deze veroordeling, met name of deze veroordeling, gezien het tijdsverloop, wellicht verjaard is. (…) In verban[d] daarmee verzoek ik u mij de ontbrekende aanvullende gegevens van die veroordeling door te geven, zodat ik met hulp daarvan bij België navraag kan doen. (…)”

1.7 Op 18 februari 2018 heeft verweerder namens klager een bezwaarschrift bij de gemeente ingediend met daarbij een verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar. Het verzoek om uitstel is toegewezen.

1.8 Klager heeft contact opgenomen met het Ministerie van Financiën te België (hierna: het ministerie) over de aan hem opgelegde boete. Het ministerie heeft klager vervolgens meegedeeld dat de boete niet meer kan worden ingevorderd wegens verjaring, maar dat hij nog wel een bedrag van € 276,43 aan gerechtskosten moet voldoen.

1.9 Bij e-mail van 29 maart 2018 heeft verweerder het ministerie verzocht hem mee te delen of het bedrag aan veroordeling (€ 1.100) nog door klager dient te worden betaald, of dat de boete inmiddels is verjaard. Tevens heeft verweerder het ministerie verzocht hem mee te delen wat de status is van het bedrag van € 276,43.

1.10 Bij e-mail van 3 april 2018 heeft mevrouw Van R van de afdeling Inning & Invordering verweerder meegedeeld dat de boete inderdaad is verjaard en dat enkel de gerechtskosten ten bedrage van € 276,43 nog dienen te worden betaald.

1.11 Op 11 april 2018 heeft verweerder een aanvullend bezwaarschrift ingediend en daarin onder meer verwezen naar de hiervoor genoemde e-mail van 3 april 2018.

1.12 Op 8 mei 2018 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging voor klager afgegeven met een eigen bijdrage van € 196. Bij e-mail van 11 mei 2018 heeft verweerder klager meegedeeld dat de Raad voor Rechtsbijstand een eigen bijdrage heeft opgelegd van € 196 en klager verzocht dit bedrag aan verweerder over te maken.

1.13 Bij brief van 28 mei 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.14 Bij e-mail van 14 juni 2018, met een kopie aan verweerder, heeft de voorzitter van de Bezwaarschriftencommissie Burgerzaken van de gemeente het ministerie gevraagd aan te geven wanneer de boete is verjaard. Verweerder heeft, eveneens op 14 juni 2018, deze e-mail doorgestuurd aan klager en daarbij aan klager medegedeeld dat de gemeente nog geen beslissing had genomen.

1.15 Bij e-mail van 18 juni 2018 heeft verweerder klager meegedeeld dat hij van de gemeente een bericht heeft gekregen van het ministerie waarin staat dat de boete is verjaard op 4 juni 2016. Daarnaast heeft verweerder klager in deze e-mail nogmaals verzocht de eigen bijdrage aan hem te voldoen.

1.16 Bij e-mail van 21 juni 2018 heeft verweerder klager onder meer het volgende geschreven:

“U zei mij gisteren telefonisch dat u informatie heeft dat de boete in België al in 2014 zou zijn verjaard. In onderstaande mail, die ik van u kreeg, staat alleen dat de boete is verjaard. In de e-mail die ik via de gemeente Amsterdam kreeg, staat dat de boete in 2016 is verjaard. Laat u mij nog even weten waarop u uw informatie baseert.”

1.17 Bij e-mail van eveneens 21 juni 2018, met kopie aan klager, heeft verweerder de gemeente onder meer het volgende geschreven:

“Ik krijg verschillende berichten over de verjaring van de boete in Belgie.

U schrijft mij dat de boete verjaard is in 2016, waarbij u zich baseert op een mail van (…) het Minfin in Belgie.

Mijn client zendt mij een bericht (…) van het zelfde ministerie in Belgie waarin staat dat de boete is verjaard in 2014.

(…)

De vraag is welk van die data is juist.

Als ik kijk naar de datum van boete neig ik er naar de datum in 2014 de juiste te achten.

Graag nader overleg.”

1.18 Bij e-mail van 10 juli 2018 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Uit Belgie zijn verschillende berichten gekomen over de verjaringstermijn die in uw zaak geldt. (…) Er wordt nu onderzoek gedaan welk bericht juist is. Ik houd u op de hoogte als ik verdere berichten krijg.”

1.19 Bij e-mail van 12 juli 2018 heeft klager het ministerie geschreven dat er twee verjaringsdata zijn ingevoerd, dat de datum uit 2014 de juiste is en heeft hij verzocht dit recht te zetten. Bij e-mail van eveneens 12 juli 2018 heeft het ministerie bevestigd dat de verjaringsdatum van de aan klager opgelegde boete 16 juni 2014 is.

1.20 Bij e-mail van 26 juli 2018 heeft verweerder klager het volgende bericht:

“Ik zend u hierbij de inwilligende beschikking op het bezwaarschrift.

Het bestreden besluit is herroepen en er is alsnog besloten dat u het Nederlanderschap krijgt.

(…)

Mijn werkzaamheden in deze zaak zijn hiermee beëindigd. Ik zal het dossier afsluiten en gedurende de daarvoor geldende periode bewaren.”

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a) totaal niet geïnteresseerd is in de kwestie die hij voor klager in behandeling heeft;

b) de zaak niet voortvarend heeft behandeld;

c) weigert de beslissing op het bezwaar aan klager toe te zenden;

d) op basis van valse gegevens een toevoeging voor de zaak heeft aangevraagd.

3 VERWEER

3.1 Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

4 BEOORDELING

4.1 De voorzitter stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

Ad klachtonderdelen a) en b)

4.2 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij totaal niet geïnteresseerd is in de kwestie die hij voor klager in behandeling heeft en de zaak niet voortvarend heeft behandeld.

4.3 Verweerder voert aan dat het verzoek van klager om Nederlander te worden was afgewezen omdat klager in België nog een openstaande strafzaak had. Omdat de betreffende veroordeling uit 2009 dateert, heeft verweerder bij de Belgische autoriteiten navraag gedaan over eventuele verjaring van de straf. Verweerder heeft van de Belgische autoriteiten vernomen dat de boete volgens Belgisch recht inderdaad verjaard is, maar dat er nog wel gerechtskosten verschuldigd zijn. Verweerder heeft deze informatie bij aanvullend bezwaarschrift van 11 april 2018 aan de gemeente meegedeeld, aldus verweerder.

4.4 De voorzitter overweegt dat klager zijn klachten, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, onvoldoende heeft onderbouwd. Ook het klachtdossier biedt geen aanknopingspunten voor de in 4.2 genoemde verwijten van klager aan het adres van verweerder. Integendeel, uit het klachtdossier blijkt juist dat verweerder de zaak van klager voortvarend heeft opgepakt, onder andere door contact op te nemen met het ministerie over een eventuele verjaring van de boete en binnen de daarvoor geldende termijn een (aanvullend) bezwaarschrift in te dienen. De inspanningen van verweerder hebben erin geresulteerd dat het bezwaar gegrond is verklaard en de gemeente alsnog heeft besloten om klagers optieverklaring te bevestigen. Dat klager zelf ook contact heeft opgenomen met het ministerie doet aan het voorgaande niet af.

4.5 De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdelen a) en b) kennelijk ongegrond zijn.

Ad klachtonderdeel c)

4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij weigert de beslissing op bezwaar aan klager toe te zenden. Verweerder heeft de beslissing op bezwaar echter bij e-mail van 26 juli 2018 aan klager toegestuurd, zodat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist en daarom kennelijk ongegrond is. De voorzitter overweegt hierbij ten overvloede nog dat ten tijde van het indienen van de klacht door klager nog niet op het bezwaarschrift was beslist en dat verweerder klager steeds op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van de zaak.

Ad klachtonderdeel d)

4.7 Klager verwijt verweerder tot slot dat hij op basis van valse gegevens een toevoeging voor de zaak van klager heeft aangevraagd. Klager heeft dit echter op geen enkele wijze onderbouwd, zodat klachtonderdeel d) reeds gelet hierop kennelijk ongegrond is. De voorzitter overweegt hierbij ten overvloede nog dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat hij een toevoeging heeft aangevraagd op basis van door klager verstrekte gegevens.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. P.M. Wamsteker, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. S. van Excel als griffier op 17 januari 2019.

Griffier  Voorzitter

Deze beslissing is in afschrift op 17 januari 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens