Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:13
Datum uitspraak:
11-01-2019
Datum publicatie:
21-01-2019
Zaaknummer(s):
18-508/A/A
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Kwaliteitsklachten over eigen advocaat. Het door verweerster opgestelde petitum in een echtscheidingsprocedure die zij voor klaagster voerde was op meerdere punten rechtens niet juist en voldeed daarmee niet aan de kwaliteitseisen en de professionele standaard die in de advocatuur gelden. Waarschuwing.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 11 januari 2019

in de zaak 18-508/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

 

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 5 maart 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Bij brief aan de raad van 4 juli 2018 met kenmerk 2018-531202, door de raad ontvangen op 5 juli 2018, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 16 november 2018 in aanwezigheid van klaagster en verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van:

- de onder 1.2 bedoelde brief van de deken aan de raad en van de stukken 1 tot en met 9 van de bij die brief gevoegde inventarislijst;

- de door klaagster ter zitting overgelegde overeenkomst. Verweerster heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van deze productie.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1 Verweerster heeft klaagster bijgestaan in verband met haar echtscheidingsprocedure.

2.2 Op 31 mei 2016 heeft klaagster, in aanwezigheid van twee getuigen, met haar echtgenoot afspraken gemaakt omtrent de afrekening van het gezamenlijke vermogen in verband met het voornemen van klaagster en haar echtgenoot om hun huwelijk door echtscheiding te doen ontbinden. Partijen kwamen overeen dat de echtgenoot aan klaagster een bedrag ad € 255.000,- zou betalen, te voldoen op 9 juni 2016. De overeenkomst is schriftelijk vastgelegd op 8 juni 2016 en getekend door klaagster en twee getuigen, de echtgenoot heeft niet getekend.

2.3 Op 30 november 2016 heeft verweerster het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Noord-Holland. De echtgenoot van klaagster heeft daarop een verweerschrift met een zelfstandig tegenverzoek ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank, die op 1 juni 2017 plaatsvond, heeft de rechtbank verweerster toegestaan het petitum van haar verzoek te wijzigen. Bij brief van 7 juni 2017 heeft verweerster het gewijzigde petitum ingediend. Het gewijzigde verzoek van klaagster hield – samengevat – onder meer in dat de echtscheiding tussen partijen zou worden uitgesproken, het ouderschapsplan zou worden bekrachtigd en te bepalen dat de ex-echtgenoot aan klaagster een bijdrage van € 300,- zou betalen als bijdrage in de kosten van het minderjarige kind. Ook werd verzocht af te rekenen als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd. Voorts is namens klaagster primair verzocht dat op grond van artikel 3:194 lid 2 BW aan haar zou worden toegescheiden de volledige opbrengst van de woning in Italië ad € 540.000,-, de inboedel van die woning die zich in opslag in Italië bevindt alsmede de opbrengst van reeds verkochte goederen, het stuk grond in Italië ter waarde van € 58.235,50 en is namens klaagster bekrachtiging van de op 31 mei 2016 gemaakte afspraken verzocht. Subsidiair hield haar verzoek in dat die afspraken zouden worden bekrachtigd, alsmede te bepalen dat het stuk grond in Italië en de restant van de inboedel in Italië aan klaagster zouden worden toegescheiden, alsmede veroordeling van de echtgenoot tot betaling aan klaagster van een bedrag ad € 255.000,-. Meer subsidiair is namens klaagster verzocht de tussen partijen bestaande gemeenschap te verdelen, waarbij rekening zou worden gehouden met de door klaagster ontvangen schenkingen die zij had ingebracht bij en tijdens het huwelijk.

2.4 Bij beschikking van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen klaagster en haar echtgenoot uitgesproken, bepaald dat de minderjarige dochter haar hoofdverblijf bij klaagster zal hebben en dat de echtgenoot van klaagster een bedrag van € 300,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter. Ook is de echtgenoot veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 255.000,- aan klaagster ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Tot slot is bepaald dat de inboedelzaken die zich nog in de opslag in Italië bevonden aan klaagster toekomen. De overige verzoeken van klaagster zijn afgewezen. Voorts luidt r.o. 2.7.5 van de beschikking als volgt:

“De rechtbank gaat er, op grond van de uitlatingen van partijen, vanuit dat de woning in eigendom aan de man toebehoorde, zodat niet artikel 3:194 lid 2 BW, maar artikel 1:135 lid 3 BW van toepassing is. (…)”

2.5 Een e-mail van verweerster aan klaagster van 4 september 2017 luidt, voor zover relevant, als volgt:

“zoals afgesproken heb ik gekeken of er misschien was nagelaten om de grond in Italië te vorderen in het primaire of subsidiaire deel van de vordering, maar dat is niet het geval. De rechtbank vond dat er geen grondslag was voor de vordering, omdat de grond op naam van de man staat.

De stellingen over de schenkingen zijn voor de rechtbank geen reden geweest om aan te nemen dat het stuk grond in de gemeenschap zou vallen. Dat zou kunnen betekenen, dat wanneer jullie die overeenkomst niet zouden hebben gemaakt, de rechtbank hetzelfde zou hebben gevonden over de woning.”

2.6 Op 5 september 2017 heeft klaagster aan verweerster per e-mail bericht, voor zover relevant:

“Ik dacht zelf dat het zou hebben uitgemaakt als we niet alleen hadden geschreven dat we ‘als compensatie voor alles wat hij heeft gedaan’ die grond toegewezen wilden krijgen maar ook gewezen hadden op het feit dat de grond mij gewoon toebehoort en dat we tevens bij dat die 2 punten over de grond in het petitum nog eens expliciet hadden verwezen naar de schenkingen. Nu lijkt het alsof de schenkingen alleen maar bij het laatste punt, dat men niet behandeld heeft, behoorden, terwijl dat natuurlijk niet het geval is.(…)”

2.7 In reactie hierop heeft verweerster bij e-mail van 18 september 2017 aan klaagster bericht, voor zover relevant:

“Verder nog even over dat stuk grond. Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift was daar nog niets over bekend, dus dat kon ik toen niet meenemen. Bij de zitting hebben we de schenkingen uitgebreid besproken en ook gesteld dat de woning (met het stuk grond) daarvan is gekocht. Dit is onderbouwd met stukken. Bij het opnieuw opstellen van het petitum heb ik gevraagd het stuk grond zowel primair als subsidiair aan jou toe te scheiden. Ik begrijp dan ook niet goed waarom jij meent dat ik daar een fout zou hebben gemaakt. Meer kon ik niet doen, zeker niet gezien het feit dat dit stuk grond tijdens de procedure ineens opdook en bovendien op naam van [de echtgenoot] stond. Hoe dan ook, mocht [de echtgenoot] niet betalen, dan kan er in Italië beslag worden gelegd op het stuk grond. Jij kunt dat dan verkopen en aftrekken van het bedrag dat [de echtgenoot] aan jou moet uitbetalen.”

2.8 Klaagster heeft vervolgens bij e-mail van 22 september 2017 aan verweerster bericht:

“In het petitum staan noch bij primair noch bij secundair de schenkingen genoemd. Volgens de huwelijkse voorwaarden, artikel 5, zou de grond ter waarde van 58.235,50 gedeeld moeten worden met mij.

Ik heb een bedrag aanzienlijk groter dan de waarde van de grond aan schenkingen ingebracht, dus het zou logisch zijn geweest de grond 100% aan mij toe te wijzen.

En nu krijg ik helemaal niets toegewezen! (…)”

2.9 Als reactie heeft verweerster bij e-mail van 26 september 2017 aan klaagster bericht:

“Verder ben ik van mening dat mijn taak er eigenlijk allang op zit, ik zou de procedure voor je voeren en ik doe nu nog allerlei werkzaamheden die ik tot nu toe niet in rekening breng.

Echter, het lijkt alsof jij niet meer erg tevreden bent over mijn diensten, daarom stel ik het volgende voor: (…)

Jij krijgt een declaratie voor 1-maal betekenen en de andere betekening betaal ik. Verder stop ik dan mijn werkzaamheden voor jou en stuur je de stukken deze week toe.”

2.10 Bij e-mail van 27 september 2017 heeft klaagster aan verweerster geschreven, voor zover relevant:

“Deze scheiding is nog geen feit en nog niet compleet afgerond.

Op basis van onze gemaakte afspraken kan ik het dus niet accepteren dat jij je werkzaamheden stopt tot het zover is. Als je dat wel wenst te doen, houd je je niet aan onze afspraak (heet dat niet contractbreuk?, en zijn de kosten die ik elders moet maken om dit hele verhaal opnieuw te vertellen en tot een goed einde te brengen (gaat vast en zeker heel veel tijd in zitten), inclusief eventueel hoger beroep, voor jou zijn. (…)

Ja, hoe zullen we dit gaan oplossen?

Jullie aansprakelijkheidsverzekering aanspreken als we alle feiten op een rijtje hebben staan, lijkt mij een goed plan. (…)

En ga me niet vertellen dat je geen fouten maakte, want daar is geen twijfel aan. (…)”

2.11 In reactie hierop heeft verweerster bij e-mail van 27 september 2017 aan klaagster bericht, voor zover relevant:

“Mijn ‘plotselinge terugtrekking’ heeft niets te maken met antwoorden die ik jou nog verschuldigd zou zijn. Ik heb je meermalen geantwoord en jij neemt daar maar geen genoegen mee.

Nogmaals: zowel primair als subsidiair is verzocht om het stuk grond. De schenkingen zijn besproken tijdens de zitting, daarin is ook besproken dat het huis in Italie en dus ook het bijbehorende stuk grond, is betaald door middel van geld dat van jou afkomstig is. De onderbouwing van een vordering wordt niet opgenomen in het petitum. Dat de schenkingen vermeld staan in ‘meer subsidiair’ heeft ermee te maken dat daarin is verzocht aan de rechter om zelf te verdelen en dan ook rekening te houden met de schenkingen. Waarom jij het stuk grond zou moeten hebben is uitgebreid aan de orde geweest tijdens de zitting. Dus er zijn wat dat betreft geen fouten gemaakt. De rechter vindt alleen dat jij daar geen gelijk in hebt.

Ik vind het jammer dat jij je er maar in vast blijft bijten om mij op een fout te betrappen en nu kennelijk het gevoel hebt dat je niet goed bent bijgestaan.

Ik vind zelf en dat blijf ik vinden, dat ik het goed heb gedaan en er uitgesleept heb wat er uit te slepen viel. Mocht jij daar niet tevreden mee zijn, die indruk krijg ik toch echt, dan raad ik je ten zeerste aan om in hoger beroep te gaan. Uiteraard bij een nieuwe advocaat.

Mijn aansprakelijkheidsverzekering zal geen geld uitkeren, er is namelijk geen fout gemaakt. (…)”

2.12 Klaagster heeft vervolgens mr. B. verzocht een second opinion uit te brengen. Bij brief van 9 november 2017 heeft mr. B aan verweerster bericht, voor zover relevant:

“Er zijn een aantal zaken misgegaan in deze procedure en dat betreft met name juridische misslagen.

Misslag 1

Artikel 3:194 lid 2 BW heeft betrekking op bijzondere gemeenschappen. (…) Er was echter geen sprake van een gemeenschappelijke woning of een gemeenschappelijk stuk grond. Er was enkel sprake van gemeenschappelijke inboedel. De woning en het stuk grond waren zijn eigendom van de man.

Uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw recht op de helft van de waarde van deze goederen op het moment dat er sprake is van ontbinding van het huwelijk. Zij wordt niet voor de helft eigenaar van deze registergoederen, dat is juridisch onmogelijk. De vrouw heeft dus een vordering op de man, doch zij is geen rechthebbende als zijnde eigenaar met betrekking tot de woning of de grond.

Artikel 3:194 lid 2 BW is dus niet van toepassing en alle primaire vorderingen die zijn opgehangen aan dit artikel zijn dan ook afgewezen.

Misslag 2

De grondslag in het subsidiaire verzoek II, om te bepalen dat aan de vrouw het perceel grond in Italië wordt toegescheiden, ontbreekt. Om welke reden zou aan de vrouw het perceel grond, wat eigendom is van de man, moeten worden toegescheiden?

De vrouw heeft recht op de helft van de waarde van de grond uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden. Zij is geen (mede-)eigenaar.

Misslag 3

Enkel bij meer subsidiair heeft u verzocht om rekening te houden met de door de vrouw ontvangen schenkingen die zijn ingebracht bij en tijdens het huwelijk. Deze schenkingen zijn door u in de pleitnota genoemd en onderbouwd, doch ondanks het feit dat de rechtbank u in de gelegenheid heeft gesteld uw verzoeken te wijzigen c.q. aan te vullen zijn de schenkingen verder niet meegenomen in het later ingediende gewijzigde verzoek.

Als het primaire verzoek of het subsidiaire verzoek wordt toegewezen, dan behoeft het meer subsidiaire niet meer besproken te worden. Het verzoek omtrent de verrekening van de schenkingen had zowel in het primaire verzoek als in het subsidiaire verzoek moeten staan en niet alleen in het meer subsidiaire verzoek. (…)

Tenslotte verzoek ik u mij ook met spoed uw standpunt met betrekking tot het hoger beroep te doen toekomen in verband met de termijn die 30 november 2017 verloopt. Indien u van mening bent, dat cliënte om de schade te beperken in hoger beroep zou moeten gaan, dan dient u garant te staan voor de vordering van € 255.000,00 die dan op losse schroeven komt te staan, terwijl deze thans toegewezen is.”

2.13 Bij brief van 10 november 2017 aan mr. B heeft verweerster betwist dat zij aansprakelijk is voor de door mr. B namens klaagster gestelde schade, en meegedeeld dat zij niet garant zal staan voor hetgeen is eerste aanleg is behaald.

2.14 Verweerster heeft bij e-mail van 27 november 2017 aan mr. B verzocht te laten weten of zij namens klaagster in beroep was gegaan van de beschikking van de rechtbank. Bij e-mail van diezelfde datum heeft mr. B aan verweerster bericht dat zij niet in hoger beroep is gegaan.

2.15 Bij brief van 29 november 2017 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerster aan mr. B bericht, voor zover relevant:

“Inmiddels heeft [verweerster] aansprakelijkheid al van de hand gewezen bij brief van 10 november 2017 waarbij zij mede heeft opgemerkt dat wanneer [klaagster] van mening is dat er beroepsfouten zijn gemaakt in eerste instantie, zij hoger beroep kan instellen tegen de beschikking van de rechtbank. Uit uw aansprakelijkstelling maken wij op dat [klaagster] alleen in beroep wil gaan als verzekerde garant staat voor minimaal eenzelfde resultaat als behaald in de procedure in eerste instantie. U zult begrijpen dat hiervan natuurlijk geen sprake kan zijn, zoals [verweerster] u ook al liet weten.

Wanneer [klaagster] van mening is en blijft dat [verweerster] haar niet goed heeft bijgestaan in de procedure in eerste instantie, bestaat de mogelijkheid de hele discussie tussen [klaagster] en haar ex-echtgenoot nogmaals in hoger beroep aan de rechter voor te leggen. Het hof kan dan op basis van de – in uw ogen – juiste argumenten een oordeel geven over de totale discussie die tussen partijen speelt. Daarbij kunnen mogelijke “ten onrechte” behaalde overwinningen in eerste instantie dan natuurlijk gevaar lopen, maar daar kan [verweerster] geen verwijt over gemaakt worden.

Het is [klaagster] die dient te beslissen of zij in beroep gaat of niet. Mocht zij er voor kiezen geen beroep in te stellen dan zijn de consequenties hiervan voor haar, inhoudende dat zij haar claim van € 109.425,-- ook niet tegen [verweerster] kan doorzetten. (…)”

2.16 Bij brief aan de deken van 5 maart 2018 heeft klaagster een klacht tegen verweerster ingediend.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a) fouten heeft gemaakt in de echtscheidingsprocedure;

b) haar werkzaamheden op onzorgvuldige en onkundige wijze heeft verricht.

4 VERWEER

4.1 Verweerster voert verweer dat hierna, voor zover relevant, zal worden weergegeven.

5 BEOORDELING

Ad klachtonderdelen a) en b)

5.1 Klachtonderdelen a) en b) zien beide op de kwaliteit van de dienstverlening en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2 De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

5.3 Tot die professionele standaard behoort het hebben van voldoende kennis van juridische (on)mogelijkheden om de slagingskansen van een aanhangig te maken procedure in te kunnen schatten, het wijzen op risico’s van de verschillende mogelijkheden en het daarover (schriftelijk) informeren van de cliënt. Voorts dient een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding te nemen en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te bepalen met welke aanpak van zaken de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

5.4 Tegen de klacht van klaagster dat verweerster fouten zou hebben gemaakt bij de echtscheidingsprocedure, heeft verweerster het volgende aangevoerd. Volgens verweerster omvatte de overeenkomst die klaagster met haar echtgenoot had gesloten ook de woning in Italië, alsmede nog enige andere zaken zoals de onderneming van klaagster. Het primaire verzoek hield daarom in te bepalen dat op grond van het feit dat de echtgenoot opzettelijk een te verdelen/verrekenen vermogensbestanddeel verzweeg alles aan klaagster zou moeten worden toebedeeld. Het subsidiaire verzoek hield in de tussen partijen gesloten overeenkomst te bekrachtigen, zodat de echtgenoot aan klaagster € 255.000,- diende te voldoen. Klaagster meende echter recht te hebben op meer. Verweerster heeft in het aangepaste petitum namens klaagster verzocht om de grond van de echtgenoot in Italië aan klaagster toe te scheiden, hetgeen is afgewezen. De primaire en subsidiaire verzoeken beoogden een volledige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen alsmede de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, zodat de schenkingen daar ook onder vielen. Voor het geval de rechtbank zelf zou verdelen/verrekenen zijn de schenkingen nog apart opgenomen in het meer subsidiaire verzoek. Klaagster is het niet eens met de beschikking en dat is haar goed recht. Verweerster is echter van mening dat zij niet onzorgvuldig heeft gehandeld.

5.5 In de hiervoor onder punt 2.12 aangehaalde brief heeft mr. B namens klaagster beschreven welke drie fouten verweerster zou hebben gemaakt. De raad zal het handelen van verweerster op deze drie punten beoordelen.

5.6 Als punt 1 heeft mr. B gesteld dat verweerster in het petitum ten onrechte artikel 3:194 lid 2 BW heeft genoemd als grondslag voor haar verzoek. Het is juist dat, nu tussen partijen geen sprake was van een gemeenschappelijke woning of een gemeenschappelijk stuk grond, dit artikel niet van toepassing was. De rechtbank heeft dit in de beschikking hersteld, door in r.o. 2.7.5 te overwegen (zie paragraaf 2.4) dat niet artikel 3:194 lid 2 BW, maar artikel 1:135 BW lid 3 van toepassing was. De raad is van oordeel dat het noemen van een verkeerd wetsartikel weliswaar een fout is, maar in dit geval onvoldoende ernstig is om verweerster daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken, temeer daar het de beslissing van de rechtbank niet anders heeft gemaakt.

5.7 Punt 2 heeft betrekking op het door verweerster in het petitum opgenomen subsidiaire verzoek om te bepalen dat het perceel grond in Italië aan klaagster zou moeten worden toegescheiden. Vaststaat dat partijen buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat het perceel de echtgenoot in eigendom toebehoorde. Klaagster was geen mede-eigenaar, zodat zij in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitsluitend recht had op de helft van de waarde van de grond. Het ingestelde subsidiaire verzoek om de grond aan klaagster toe te scheiden was dan ook rechtens niet juist.

5.8 Dat geldt eveneens voor punt 3, waarin verweerster wordt verweten dat zij pas bij meer subsidiair verzoek de rechtbank heeft verzocht om rekening te houden met de door klaagster ontvangen schenkingen. Terecht heeft mr. B aangevoerd dat een meer subsidiair verzoek niet meer door de rechtbank behoeft te worden behandeld, wanneer een primair of subsidiair verzoek wordt toegewezen. Het verzoek namens klaagster tot verrekening van de schenkingen had door verweerster derhalve zowel in het primaire als in het subsidiaire verzoek moeten worden vermeld. Door verweerster is nog aangevoerd dat zowel het primaire als het subsidiaire verzoek een volledige verrekening inhield, waarbij ook rekening kon worden gehouden met de door klaagster ontvangen schenkingen. Dit verweer faalt: zoals het primaire en subsidiaire verzoek zijn schriftelijk door verweerster geformuleerd, waarbij verweerster van de rechtbank na de mondelinge behandeling nog een mogelijkheid kreeg om het petitum te herformuleren. Uit het petitum volgt niet dat de rechtbank ook rekening diende te houden met schenkingen. Pas bij het meer subsidiaire geformuleerde verzoek wordt de rechtbank verzocht rekening te houden met schenkingen.

5.9 Gelet op het voorgaande voldeed het door verweerster geformuleerde petitum naar het oordeel van de raad niet aan de kwaliteitseisen en de professionele standaard die in de advocatuur gelden. Verweerster heeft daardoor niet gehandeld op een wijze die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Dit is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Beide klachtonderdelen zijn derhalve gegrond.

6 MAATREGEL

6.1 De raad meent dat verweerster ten opzichte van klaagster is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Op grond van alle omstandigheden in deze zaak en de aard van de gegrond bevonden klacht, acht de raad de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6.2 Gelet op artikel 48 lid 9 van de Advocatenwet en gezien het verzoek van klaagster acht de raad termen aanwezig om uit te spreken dat verweerster jegens klaagster niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50 reiskosten van klaagster,

b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500 kosten van de Staat.

7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.4 Verweerster moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.5 Verweerster moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond;

- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

- spreekt uit dat verweerster niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt;

- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van EUR € 50 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4 ;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.5.

 

Aldus beslist door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, voorzitter, mrs. G. Kaaij en B. de Regt, leden, bijgestaan door mr. C.C. Horrevorts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2019.

Griffier Voorzitter

Deze beslissing is in afschrift op 11 januari 2019 verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens