Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2018:215
Datum uitspraak:
07-12-2018
Datum publicatie:
16-01-2019
Zaaknummer(s):
180119
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntFinanciën Zorg voor de cliëntFinanciën
Beslissingen:
Voorwaardelijke schorsing
Inhoudsindicatie:
Klacht over eigen advocaat. Afrekeningsperikelen in letselschadezaak met voorwaardelijke toevoeging. Onvoldoende inzicht gegeven in de door verweerder gewenste wijze van betaling voor zijn werkzaamheden. Verweerder heeft ten onrechte gedeclareerd terwijl toevoeging nog niet was ingetrokken en gedreigd met staken werkzaamheden als klager de declaratie niet zou betalen dan wel zou instemmen met verrekening daarvan met van de verzekeraar (te) ontvangen voorschotten. Mede gelet op tuchtrechtelijk verleden van verweerder wordt voorwaardelijke schorsing van één week opgelegd. Bekrachtiging beslissing raad.

n.v.t.

BESLISSING                               

van 7 december 2018

in de zaak 180119

 

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 9 april 2018, onder nummer 17-696, aan partijen toegezonden op 9 april 2018, waarbij van de klacht van klager tegen verweerder de klachtonderdelen b, c, d, h en j gegrond zijn verklaard, de klachtonderdelen a, e, f, i en k ongegrond zijn verklaard, aan verweerder de maatregel is opgelegd van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaar en met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

1.2    De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2018:82.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 9 mei 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen is op 9 mei 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.3    Het hof heeft voorts kennis genomen van de stukken van de eerste aanleg.

2.4    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 12 oktober 2018, waar de gemachtigde van klager, alsmede verweerder met zijn gemachtigde zijn verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft gepleit aan de hand van een pleitnota.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    verweerder in strijd met artikel 8 van de Gedragsregels, nu Regel 16 lid 1, klager niet of onvoldoende geïnformeerd heeft over de voortgang in de zaak. In februari 2016 heeft de kantonrechter de aansprakelijkheid van de wederpartij vastgesteld. Op 19 oktober 2016 heeft verweerder een schaderegeling op papier gezet. Deze is niet met klager besproken;

b)    verweerder in strijd met Gedragsregel 5 oud, nu Regel 2 lid 2, zijn eigen belang boven dat van klager heeft gesteld. Hij heeft de bereidheid om derdengelden uit te keren afhankelijk gesteld van de betaling van zijn declaratie;

c)    de nauwgezetheid die van advocaten in financiële aangelegenheden wordt verwacht niet door verweerder in acht is genomen. Dit is in strijd met artikel 23 lid 1 van de Gedragsregels oud, nu in gewijzigde vorm Regel 16 lid 3. Verweerder heeft klager niet gewezen op de financiële risico’s en consequenties in deze zaak. Hij heeft klager niet geïnformeerd over het voorschot dat hij aan (de verzekeraar van) de wederpartij heeft gevraagd en heeft ontvangen. Bij het vaststellen van zijn declaratie heeft verweerder niet alle omstandigheden van klager in aanmerking genomen;

d)    verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Hij heeft ongeoorloofde druk op klager uitgeoefend door te dreigen met het staken van zijn werkzaamheden indien klager niet akkoord zou gaan met het verrekenen van het voorschot met zijn declaratie. Verweerder heeft gebruik gemaakt van klagers ondeskundigheid en onkunde. Hij wist dat klager PTTS-klachten heeft en dat hij decompenseert onder druk. Klager was bang dat hij veel meer geld aan zijn advocaat schuldig zou zijn dan dat hij van de verzekeraar zou ontvangen;

e)    verweerder ten onrechte een beroep heeft gedaan op zijn recht van retentie op het dossier van klager. Dit is in strijd met artikel 22 lid 2 van de Gedragsregels oud, nu Regel 28 lid 2;

f)    het dossier van klager niet met voortvarendheid door verweerder is behandeld. Na het vonnis 16 februari 2016 heeft verweerder in een periode van ruim 10 maanden geen noemenswaardige actie ondernomen. Pas na het gesprek op 30 september 2016 stelde verweerder een schaderegeling op.

g)    de factuur van verweerder van 13 september 2016 niet voldoet aan de eisen van een goede praktijkvoering. Er ontbreekt een declaratienummer;

h)    de beëindiging van de opdracht door verweerder onzorgvuldig is geweest. De overeenkomst tussen klager en verweerder is door verweerder tussentijds en rauwelijks beëindigd. Dat is in strijd met artikel 7.11 van de VODA en artikel 9 lid 3 van de Gedragsregels oud, nu Regel 14 lid 3;

i)    de opdrachtovereenkomst tussen klager en verweerder niet voldoet aan artikel 7.12 van de VODA. Er is geen regeling in opgenomen over tussentijdse beëindiging van de opdracht. Klager stelt dat de door verweerder verrichte werkzaamheden vallen onder het bereik van de toevoeging omdat er nog geen sprake is van een resultaat zoals zij zijn overeengekomen;

j)    verweerder in strijd met artikel 6.19 VODA heeft gehandeld door te weigeren het voorschot aan klager uit te betalen en het voorschot te willen verrekenen met zijn declaratie. Verweerder mocht alleen afspreken om te verrekenen als het ging om een specifiek bedrag en een specifieke declaratie;

k)    de kantoororganisatie van verweerder niet voldoet aan de VODA omdat de opdrachtovereenkomst tussen klager en verweerder geen regeling inhoudt in geval van tussentijdse beëindiging van de opdracht.

 

4    FEITEN

Het hof zal de feiten opnieuw vast stellen.

4.1    Verweerder heeft klager sinds november 2012 bijgestaan in een letselschadezaak na een bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid voor het ongeval werd door de werkgever niet erkend en evenmin door de verzekeraar van de werkgever.

4.2    Op 28 november 2012 hebben verweerder en klager een “opdrachtovereenkomst op basis van “laag-hoog” tarief met toevoeging” en een “privatieve lastgevingsovereenkomst” gesloten. In de opdrachtovereenkomst is vastgelegd dat een voorwaardelijke toevoeging zou worden aangevraagd en verder is onder meer in de overeenkomst bepaald:

“Dit “lage tarief” [hof: op basis van toevoeging] geldt totdat enige vorm van schadevergoeding door de wederpartij wordt betaald in of buiten een proces bij de Rechtbank. Van die uitkering schadevergoeding dienen EERST de openstaande kosten te worden voldaan. Deze advocaatkosten worden dan bij u in rekening gebracht en eventueel verrekend met de schadevergoeding.

De toevoeging wordt dan met uw instemming INGETROKKEN bij de Raad voor Rechtsbijstand tenzij anders overeengekomen.”

4.3    Op 16 juli 2013 heeft verweerder klager een “voorlichtingsbrief hoofdproces rechtbank” gezonden met verwijzing naar de op 28 november 2012 gesloten overeenkomst. In deze brief staat onder meer vermeld:

“De uit de opdrachtovereenkomst voortvloeiende advocaatkosten en eventuele andere medische of arbeidsdeskundige kosten dient U conform opdrachtovereenkomst zelf te voldoen tenzij anders overeengekomen. Bij hoog-laagtariefscontracten in (letsel) schadezaken dient U bij toekenning aan U van de schadevergoeding ermee rekening te houden dat U ons moet betalen volgens het hoog tarief dat werd afgesproken.”

4.4    Bij vonnis van 16 februari 2016 heeft de rechtbank Overijssel voor recht verklaard dat de werkgever van klager aansprakelijk is voor de door klager geleden schade als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval en een comparitie van partijen gelast. In overleg met de wederpartij is de comparitie uitgesteld om een regeling in der minne te kunnen onderzoeken.

4.5    Bij brieven van 17 maart 2016 en 3 mei 2016 heeft verweerder ten behoeve van het opstellen van de schadeclaim gegevens bij klager opgevraagd. Bij brief van 18 mei 2016 heeft verweerder klager de eerste berichten van de ingeschakelde experts toegezonden. Eind augustus 2016 heeft verweerder wederom met klager gecorrespondeerd over de te verkrijgen expertise. Ondertussen heeft verweerder met de verzekeraar onder meer gecorrespondeerd over door de verzekeraar te betalen voorschotten op de door klager geleden schade en de door verweerder te maken buitengerechtelijke kosten.

4.6    Op 28 juli 2016 en 17 augustus 2016 heeft klager schriftelijk bij verweerder geïnformeerd naar de stand van zaken van de schadeopstelling en de uitbetaling van een eerste voorschot op de schadevergoeding ad € 5.000,-. Bij brief van 29 augustus 2016 heeft verweerder klager onder meer bericht:

“In de rechtbankzaak zal thans een eindnota aan u worden toegestuurd. Het hoog laag tarief is thans conform met u gesloten opdrachtovereenkomst van toepassing.

Ik stel voor om van het eerst betaalde voorschot reeds € 3.000,00 te verrekenen.”

In zijn reactie van 4 september 2016 heeft klager aangedrongen op de totstandkoming “binnen afzienbare tijd” van een afgeronde medische expertise op basis waarvan een regeling zou kunnen worden getroffen. Met betrekking tot het verrekeningsvoorstel schrijft klager:

“Uw voorstel tot verrekening van ad 60% van een betaald voorschot (verder zonder eindnota), vind ik hier dan ook onredelijk, nog daargelaten dat de zgn. ‘hoog/laag’ opdrachtovereenkomst van dd 05 april 2013(!), mede in verband met Uw begeleidende brief(…), zo al gepermitteerd, daartoe grammaticaal onvoldoende jur. grondslag of toestemming verschaft of biedt (nvt. bij voorschot sec, maar louter bij formele schadevergoedingsregeling). Gezien het voorgaande plus de stroperige toestand der zaak, kan ik uit coulance slechts instemmen met verrekening van ad € 1.000,-- uit het betaalde voorschot ad € 5.000,--.”

4.7    Bij brief van 13 september 2016 heeft verweerder klager bericht als volgt:

“Zoals u toegezegd rekenen wij af in de rechtbankzaak volgens het met u afgesloten hoog-laag tariefscontract. Voor de verdere onderhandelingen werd een nieuw dossier geopend onder nummer 16.1023. Het procesdossier is gesloten voorlopig.

Tijdens de onderhandelingen zal de wederpartij mijn kosten voldoen volgens art. 6:96 BW. Tijdens het proces betaalt u de kosten zelf behoudens een proceskostenveroordeling die de rechter uitspreekt. Tijdens het proces werd gedurende 68 uur voor u gewerkt om het resultaat te verkrijgen. [… …]

Ik stel voor van elk betaald voorschot dat wordt voldaan, 50% te verrekenen voor mijn kosten in proces.”

Bij deze brief zijn onder meer gevoegd een “declaratie volgens proceskosten hoog-laaf tarief contract” voor een totaalbedrag ad € 22.541,39 inclusief verschotten en BTW en een urenspecificatie. De declaratie heeft geen factuurnummer.

4.8    Medio september 2016 heeft de verzekeraar een voorschot op de schadevergoeding ad € 5.000,- aan verweerder voldaan. Per e-mail op 20 september 2016 heeft klager verweerder verzocht hem opgave te doen “hoeveel geld de Raad van Rechtsbijstand in dit dossier totaal” had betaald. Verweerder heeft op 21 september 2016 geantwoord:

“De raad heeft tot op heden mij nog niets betaald.

Bovendien vervalt de toevoeging op het moment dat de resultaten worden bereikt volgens opdrachtcontract. Dus de RAAD gaat ook niet meer uitbetalen.”

Op 30 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en verweerder, waarbij klager werd bijgestaan door een door hem ingeschakelde adviseur. Blijkens door klager voor akkoord ondertekende brief van diezelfde dag heeft klager ingestemd met verrekening van € 1.000,-, waarna verweerder van het betaalde voorschot € 4.000,- aan klager heeft overgemaakt en € 1.000,- naar zijn kantoorrekening.

4.9    In oktober 2016 heeft enige correspondentie tussen verweerder en (de adviseur van) klager plaatsgevonden over de mogelijkheden van de schaderegeling en de hoogte van de in dat kader relevante bedragen.

4.10    Bij brief van 24 oktober 2016 heeft verweerder klager medegedeeld een tweede voorschot ad € 5.000,- van de verzekeraar te verwachten en klager verzocht in te stemmen (door de brief voor akkoord ondertekend te retourneren) met verrekening van wederom € 1.000,-. Het voorschot is door verweerder op 2 november 2016 ontvangen.

Op 8 november 2016 heeft klager verweerder verzocht het tweede voorschot integraal aan hem door te betalen.

Op 9 november 2016 heeft verweerder klager bericht als volgt:

“U weigert klaarblijkelijk voor mijn kosten op te komen in het gevoerde proces.

Tevens begrijp ik van de secretaresse dat U de hoogte van de U gestuurde nota betwist.

Zonder getekende verrekenbrief kan ik niet voor U verder werken.”

Op 10 november 2016 heeft klager verweerder onder meer bericht als volgt:

“Ik heb met u bij aanvaarding der opdracht in 2012(!) een door U opgesteld contract ondertekend. Daaraan bent ook U volledig gebonden en gehouden, ipv. mij keer op keer oneigenlijk een nw. contract te willen laten tekenen. Opdat U daarmee dan mijn schadevoorschotten grotendeels kunt pakken, en Uw buitensporige en voorbarige eindnota kunt verrekenen. Ook dat gaat en kan niet, volgens ons huidige contract. U mag pas een eindnota sturen en schadevoorschot(-ten) verrekenen, zodra er een regeling is met de tegenpartij voor al mijn schades en jur. kosten ! Lees er Uw eigen contract en begeleidende brief maar eens goed op na.”

Op 15 november 2016 heeft verweerder klager onder meer bericht:

“Conform opdrachtovereenkomst d.d. 28-11-2012 is met U afgesproken dat zodra er een penny schade dient te worden betaald EERST de kosten dienen te worden voldaan. Daar houd ik U dan ook aan.

Mijn voorgaande regelingsvoorstellen vervallen thans en ik doe U nu een “final offer”: U tekent gedurende de onderhandelingen voor verrekening van de ½ van mijn kosten met door de wederpartij betaalde voorschotten in verband met uw kosten van het proces. Het proces wordt stil gelegd om te bezien of er onderhandeld kan worden. Na uw akkoord hiermee verstuur ik het onderhandelingsvoorstel van € 175.000,-- + kosten en verschot[t]en aan de wederpartij.

Gaat U daarmee niet akkoord dan staak ik mijn werk voor U en zal de RB en de verzekeraar te berichten. U dient dan een andere advocaat te zoeken. Tegelijkertijd dagvaard ik U op basis van het opdrachtcontract en leg ik beslag onder de verzekeraar. Daar U kennelijk weigert voor mijn werk te betalen, ben ik daartoe gerechtigd.

Dit voorstel geldt 2 weken vanaf heden waarna de RB + verzekeraar bericht en ik mijn werk voor U staak. Ik hoop dat U tot inzichten komt en fatsoenlijk verder gaat praten want zo gaat het niet langer. Ik begrijp werkelijk niet waar U mee bezig bent.”

4.11    Bij brief van 23 november 2016 heeft de huidige gemachtigde van klager verweerder bericht dat klager zich tot hem heeft gewend met het verzoek de behandeling van de zaak over te nemen. Hij heeft verzocht om toezending van het dossier en om overboeking van de ontvangen voorschotten aan klager. Verweerder heeft hierop de deken verzocht te bemiddelen. De deken heeft geadviseerd als volgt:

“[Verweerder] dient het dossier af te geven, onder de voorwaarde dat [klager] instemt met overmaking van de derdengeldrekening van het kantoor van [verweerder] naar het kantoor van [verweerder] van een bedrag ad € 1.609,36; dit bedrag is gelijk aan de door [verweerder] voorgeschoten medische kosten ten behoeve van de zaak van [klager]. Het restant, € 3.390,64 dient te worden overgemaakt aan [klager].”

Op deze wijze is daadwerkelijk afgerekend.

4.12    Verweerder heeft op enig moment nadien het in september 2016 verrekende voorschotbedrag ad € 1.000,- alsnog aan klager doorbetaald.

4.13    Op grond van de door partijen in november 2012 gesloten overeenkomst had verweerder bij de Raad voor Rechtsbijstand een voorwaardelijke toevoeging aangevraagd en verkregen. Op enig moment nadien heeft verweerder bij de Raad voor Rechtsbijstand gevraagd om toestemming voor meer uren, wat is afgewezen. Verweerder heeft nimmer aan de Raad voor Rechtsbijstand verzocht om de toevoeging in te trekken. Ook is de toevoeging niet ter declaratie ingediend.

4.14    Verweerder heeft de door hem ten behoeve van klager verrichte werkzaamheden van na de datum van het vonnis van 16 februari 2016 aan de verzekeraar van de werkgever van klager in rekening gebracht en daarvoor van de verzekeraar betaling ontvangen.

 

5    BEOORDELING

5.1    Zowel klager als verweerder zijn van de beslissing van de raad in hoger beroep gekomen. Klager heeft tegen de beslissing van de raad vijf grieven (“gronden”) aangevoerd. Klager dient met betrekking tot de grieven 3 en 5 niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu hoger beroep voor klager niet open staat ter zake van gegrond verklaarde klachtonderdelen (grief 3 ter zake van klachtonderdeel h), beëindiging van de opdracht door verweerder is niet zorgvuldig geweest) en evenmin ter zake van de hoogte van de opgelegde maatregel (grief 5).

5.2    In grief 1 komt klager op tegen de beslissing van de raad dat klachtonderdeel e) ongegrond is, omdat het dossier na bemiddeling van de deken met inachtneming van de door de deken gestelde voorwaarden aan klagers nieuwe raadsman is afgegeven. Anders dan klager is het hof van oordeel dat verweerder met betrekking tot de afgifte van het dossier conform artikel 22 lid 2 Gedragsregels 1992 oud (nu Regel 28 lid 2) heeft gehandeld door na het overdrachtsverzoek de bemiddeling van de deken te verzoeken en conform de door de deken gestelde voorwaarden te handelen. Grief 1 faalt derhalve.

5.3    Met betrekking tot grief 2 (klachtonderdelen a) en f) heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad, waarmee het hof zich verenigt.

5.4    Grief 4 richt zich tegen de beslissing van de raad over de klachtonderdelen i) en k). Ook deze grief faalt al omdat de opdrachtovereenkomst tussen klager en verweerder dateert van (geruime tijd) voor de ingangsdatum van het experiment letsel- en overlijdensschadezaken zoals opgenomen in paragraaf 7.4.3 VODA zodat deze bepaling niet van toepassing is.

5.5    Ook van de zijde van verweerder zijn 5 grieven ingediend tegen de beslissing van de raad. De grieven 1 en 4 hebben betrekking op de beslissing van de raad op respectievelijk klachtonderdeel c), dat ziet op de financiële gang van zaken in het algemeen en klachtonderdeel g), dat ziet op de declaratie van verweerder van 13 september 2016. Deze klachtonderdelen kunnen gezamenlijk worden behandeld.

Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest in de afhandeling van de financiële aangelegenheden en in het bijzonder in de communicatie daarover met klager, zij het deels op andere gronden. De opdrachtovereenkomst die verweerder met klager heeft gesloten is in die zin duidelijk, dat vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand door verweerder slechts dan op basis van de toevoeging zou plaatsvinden, indien de schade van verweerder in het geheel niet zou worden vergoed. Bij betaling van “enige vorm van schadevergoeding”, zou verweerder diens werkzaamheden declareren bij klager en zou de toevoeging worden ingetrokken. Het hof ziet geen reden waarom voorschotbetalingen niet zouden vallen onder de noemer van “enige vorm van schadevergoeding”.

Door de uitspraak van de rechtbank van 16 februari 2016, waartegen geen hoger beroep is ingesteld en als gevolg daarvan het (concrete zicht op) bevoorschotting op de schadevergoeding, is dan ook die laatste situatie ontstaan. Verweerder kon er vanaf dat moment voor kiezen om de toevoeging te laten intrekken en de tot dan verrichte werkzaamheden aan klager in rekening te brengen, vanuit de veronderstelling dat deze werkzaamheden in beginsel niet voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking zouden komen omdat ze zouden ‘oplossen’ in de proceskostenveroordeling. Verweerder heeft evenwel de toevoeging niet laten intrekken omdat hij de toevoeging wellicht nog nodig zou hebben gehad, indien met de verzekeraar alsnog geen overeenstemming zou worden bereikt over de te betalen schadevergoeding. Het hof is echter van oordeel dat het verweerder in dat geval niet vrij stond om bij het voortbestaan van die toevoeging al wel te gaan declareren (en betaling uit de voorschotten te verlangen). Verweerder heeft daarmee dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Het hof is voorts van oordeel dat verweerder in zijn communicatie over de financiële aangelegenheden jegens klager ernstig is tekortgeschoten. Zo heeft hij klager niet eerder dan 13 september 2016 op de hoogte gesteld van de door hem sinds 2012 aan de zaak bestede uren en is de declaratie van die datum bovendien onduidelijk en onvoldoende toegelicht. Ter zitting, zowel bij de raad als bij het hof, heeft verweerder aangevoerd dat hij geen “officiële” declaratie heeft willen sturen, omdat hij dan direct BTW had moeten afdragen. Wel wilde hij klager informeren over de verrichte werkzaamheden en aan de hand daarvan tot een afspraak over een betalingsregeling komen. De declaratie en de bijbehorende brief scheppen echter onvoldoende duidelijkheid en de gekozen vorm, een niet als zodanig aangeduide pro forma-declaratie, heeft er juist toe bijgedragen dat klager in verwarring is gebracht. Verweerder had aan zijn informatieplicht kunnen voldoen door in een brief een overzicht te geven van het aantal gewerkte uren en de daarbij behorende kosten die hij aan klager in rekening wilde gaan brengen, en door klager voor te stellen te bespreken op welke wijze die kosten (na intrekking van de toevoeging) zouden kunnen worden voldaan. Ten slotte heeft verweerder klager pas nadat klager een klacht had ingediend op de hoogte gesteld van de declaraties die hij de verzekeraar voor zijn werkzaamheden heeft gezonden en die door de verzekeraar zijn voldaan, waardoor bij klager tot en met de zittingsdatum bij het hof onduidelijkheid is blijven bestaan over door verweerder van de verzekeraar ontvangen bedragen die niet door verweerder aan klager waren gemeld.

De grieven 1 en 4 falen op grond van het voorgaande.

5.6    In grief 2 betreffende klachtonderdeel j) voert verweerder aan dat hij op grond van de per 1 januari 2017 gewijzigde verrekeningsnorm niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij op nette wijze heeft willen verrekenen. Deze grief wordt verworpen, nu de afspraak over verrekening in 2012 is gemaakt en de beoogde verrekening zou plaatsvinden in 2016, en verweerder zich aan het ten tijde van de verrekening geldende recht diende te houden.

5.7    Grief 3 betreft de klachtonderdelen b), d) en h). Die klachtonderdelen zien op (de wijze waarop met klager is gecommuniceerd over) de door verweerder gewenste betaling van zijn declaratie door middel van (gedeeltelijke) verrekening met van de verzekeraar (te) ontvangen voorschotten en de dreiging door verweerder zijn werkzaamheden te staken als klager niet met verrekening akkoord zou gaan. Hoewel verweerder strikt genomen niet daadwerkelijk zijn werkzaamheden voor klager heeft beëindigd, was die beëindiging na zijn brief aan klager van 15 november 2016 praktisch onontkoombaar en de beëindiging van de opdracht is dan ook aan verweerder te wijten. Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door klager onder druk te zetten om akkoord te gaan met een ontoelaatbare verrekening onder de dreiging zijn werkzaamheden voor klager te beëindigen, waarbij ook de formulering van de brief van 15 november 2016 bepaald niet heeft bijgedragen aan een mogelijk constructieve oplossing van het tussen klager en verweerder ontstane afrekeningsprobleem. Dat verweerder met klager afspraken wilde maken over de betaling van de door hem bestede uren in de gevoerde procedure acht het hof niet meer dan billijk, maar de wijze waarop verweerder hierin heeft geacteerd getuigt niet van de zorgvuldigheid en professionaliteit die van een advocaat verwacht mag worden. Daarbij komt nog dat het hof, anders dan verweerder, in klagers reactie op de verrekeningsvoorstellen van verweerder (zie ook de e-mail van klager van 10 november 2016) niet leest dat klager niet bereid was om de kosten van de gevoerde procedure te betalen, alleen niet op dat moment en niet op de door verweerder voorgestelde wijze. In die zin acht ook het hof de klachtonderdelen b), d) en h) gegrond zodat ook grief 3 faalt.

5.8    In grief 5 komt verweerder op tegen de hem opgelegde maatregel van een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk van vier weken. De raad heeft deze maatregel gemotiveerd onder verwijzing naar de eerder aan verweerder opgelegde disciplinaire maatregelen. Verweerder heeft aangevoerd dat verwijzing naar de eerder tegen hem gewezen uitspraak uit 2001 deze maatregel niet rechtvaardigt, aangezien verweerder zich die uitspraak heeft aangetrokken en zijn praktijkvoering daarop heeft aangepast. Verweerder miskent evenwel dat er na 2001 nog tuchtrechtelijke uitspraken zijn geweest en dat hem laatstelijk door het hof in 2016 nog een berisping is opgelegd vanwege het onvoldoende informeren van zijn cliënt in financiële aangelegenheden. Nu in de onderhavige zaak wederom met name gaat om gebrekkige informatievoorziening en communicatie over de financiële gang van zaken is het hof met de raad van oordeel dat niet kan worden volstaan met een berisping. Wel dient de door de raad opgelegde voorwaardelijke schorsing te worden gematigd, aangezien het hof een voorwaardelijke schorsing voor de duur van één week passend acht. De beslissing van de raad zal op dat punt worden vernietigd met bekrachtiging van de beslissing van de raad voor het overige.

5.9    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a) € 50 reiskosten aan klager;

b) € 1000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

5.11    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken na deze uitspraak betalen aan klager. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerder.

5.12    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1000 binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

in het hoger beroep van verweerder:

vernietigt de beslissing van de raad van 9 april 2018 in de zaak 17-696 voor zover aan verweerder is opgelegd de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken;

legt aan verweerder op de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk van één week;

bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige;

veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van

€ 50 aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van

€ 1.000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

in het hoger beroep van klager:

verwerpt het hoger beroep.

 

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. R. Verkijk, H. van Loo, C.A.M.J. Raymakers en B. Stapert, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2018.

griffier    voorzitter                           

De beslissing is verzonden op 7 december 2018.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens