Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2018:199
Datum uitspraak:
17-12-2018
Datum publicatie:
16-01-2019
Zaaknummer(s):
18-788/DB/LI
Onderwerp:
Grenzen van het tuchtrechtAdvocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Gehandeld in hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Kennelijk ongegrond.

Limburg

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van  17 december 2018

in de zaak 18-788/DB/LI

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

klager

 

 

tegen:

 

 

 

 

verweerster



 

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 8 oktober 2018 met kenmerk K18-080 en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

 

1               FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken envoor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, van de volgende feiten  uitgegaan:

1.1       Klager is in een arbeidsgeschil bijgestaan door verweersters kantoorgenoot mr. F. Nadat klager bij brief d.d. 24 februari 2018 bij mr. F had aangegeven niet tevreden te zijn over de wijze waarop zij hem had bijgestaan heeft verweerster, in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris, de klacht in behandeling genomen.

1.2       Verweerster heeft klager uitgenodigd voor een gesprek om de klacht te bespreken. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Bij e-mail d.d. 16 maart 2018 heeft verweerster haar bevindingen aan klager bevestigd en aan klager een voorstel gedaan tot een betalingsregeling ter zake de openstaande declaratie van mr. F. Klager en verweerster hebben vervolgens gecorrespondeerd over de inhoud van de betalingsregeling en diezelfde dag, 16 maart 2018, overeenstemming bereikt over de regeling.   

1.3       Bij e-mail van 25 juli 2018 heeft klager verweerster bericht: “(…) ik wil daarbij toch door de deken van advocaten laten toetsen of in deze procedure geen teleurstellende resultaten zijn behaald door onvoldoende expertise van jullie kantoor.” Op 2 augustus 2018 heeft klager een klacht ingediend bij de deken.

 

2            KLACHT

2.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris de klacht van klager over het optreden van mr. F niet naar behoren heeft afgehandeld.

2.2      Toelichting

Verweerster heeft de klacht niet opnieuw met klager besproken en heeft niet gereageerd op de klacht van klager d.d. 25 juli 2018 dat het kantoor niet gespecialiseerd was in arbeidsrecht en toch de zaak had aangenomen. Ook heeft verweerster ontkend dat klager onvoldoende professioneel was vertegenwoordigd.  

                        

 

3            VERWEER

                        3.1       De klacht is ongegrond.  Verweerster heeft klager niet bijgestaan, doch enkel in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris de klacht van klager over het optreden van mr. F behandeld. Verweerster heeft dit naar behoren gedaan. Verweerster behoefde de mededeling van klager in zijn e-mail van 25 juli 2018 niet op te vatten als een nieuwe klacht. Het is de verantwoordelijkheid van de advocaat, in dit geval mr. F, om te beoordelen of er voldoende expertise aanwezig is voor behandeling van de zaak.

  

4            BEOORDELING

4.1       De voorzitter overweegt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en een behoorlijke beroepsuitoefening beoogt te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden, indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Dit betekent dat de vraag voorligt of verweerster zich bij de vervulling van de functie van klachtenfunctionaris zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat een klachtfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen hoe hij de klachtafhandeling inricht en op de ingediende  klacht beslist.

4.2       Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de voorzitter dat verweerster in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris de klacht van klager naar behoren heeft behandeld. Verweerster heeft klager uitgenodigd voor een bespreking, hem vervolgens schriftelijk op de hoogte gesteld van haar bevindingen en hem een voorstel tot een betalingsregeling gedaan, waarmee klager heeft ingestemd. Verweerster mocht er naar het oordeel van de voorzitter op vertrouwen dat de klachtbehandeling daarmee was afgerond. De inhoud van de e-mail van klager van 25 juli 2018 hoefde door verweerster niet te worden opgevat als een nieuwe klacht nu klager in die mail wederom de kwaliteit van de dienstverlening van mr. F aan de orde stelde, terwijl verweerster niet verantwoordelijk is voor de mate van expertise van kantoorgenoten.

4.3       De voorzitter is van oordeel dat niet is gebleken dat door toedoen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad.

4.4                  Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren.

 

 

 

 

 

BESLISSING

 

De voorzitter verklaart:

            de klacht met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond.

 

 

Aldus beslist door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, met bijstand van mr. T.H.G. Huber - Van de Langenbergals griffier op17 december 2018

 

 

 

Griffier                                            Voorzitter

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens