Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2018:279
Datum uitspraak:
22-08-2018
Datum publicatie:
05-02-2019
Zaaknummer(s):
18-391
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijBeleidsvrijheid Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartijJegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Voorzittersbeslissing: klaagster heeft in korte tijd vier klachten ingediend tegen verweerster, de advocaat van haar ex-man in de echtscheidingsprocedure (18-390, 18-391, 18-392 en 18-393). Volgens klaagster heeft verweerster het gezin van klaagster al zeven jaar lang bedreigd, belaagd en geprobeerd het gezin compleet te ruïneren. Klaagster heeft daartoe onder meer gesteld dat verweerster klaagster en haar kinderen uit huis heeft laten zetten, de voormalig echtelijke woning voor minder dan de marktwaarde heeft laten verkopen, alle informatie bij klaagster heeft weggehouden en dwangsommen bij klaagster heeft laten incasseren. Een feitelijke grondslag ontbreekt. De voorzitter oordeelt de klachten kennelijk ongegrond.

Midden-Nederland

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

Van 22 augustus 2018

in de zaak 18-391

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

tegen

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland van 23 mei 2018 met kenmerk 17-0170/FH/HH, door de raad (digitaal) ontvangen op diezelfde dag, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerster heeft sinds 2010 de ex-man van klaagster bijgestaan bij de afwikkeling van de echtscheiding van klaagster en haar ex-man. Dit heeft geleid tot meerdere procedures, waaronder die rondom het regelen van gezamenlijk ouderlijk gezag, een omgangsregeling tussen de ex-man en hun twee kinderen en alimentatie.

1.2    Een ander geschil betrof de gezamenlijke koopwoning van klaagster en de ex-man, waarin klaagster – na het feitelijke uiteengaan – met de kinderen verbleef. De ex-man wenste de woning te verkopen. Klaagster heeft zich hiertegen verzet.

1.3    Bij vonnis van februari 2012 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de ex-man klaagster geboden haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. Klaagster heeft haar medewerking niet verleend.

1.4    Bij vonnis van 11 november 2015 heeft de voorzieningenrechter de ex-man vervangende toestemming gegeven om de woning te verkopen. Ook heeft de voorzieningenrechter klaagster verboden om gedurende een jaar contact op te nemen met de ex-man en klaagster geboden zich op straffe van verbeurte van een dwangsom te onthouden van het verspreiden van negatieve uitlatingen over de ex-man jegens derden.

1.5    Wegens het uitblijven van de medewerking van klaagster heeft verweerster namens de ex-man in hoger beroep ontruiming van de woning gevorderd. Het gerechtshof heeft bij arrest van 16 augustus 2016 de ontruiming van de woning toegewezen per 1 november 2016.

1.6    Klaagster heeft geweigerd gehoor te geven aan de ontruiming per 1 november 2016. Medio november 2016 heeft de ex-man de woning laten ontruimen maar toegestaan dat bepaalde goederen achterbleven waarna de woning in december 2016 voor een bedrag van € 695.000,- in de verkoop is gezet.

1.7    Bij vonnis van 8 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter de ex-man vervangende toestemming verleend om de woning te verkopen. In datzelfde vonnis heeft de voorzieningenrechter klaagster een gebiedsverbod rondom de woning en een contactverbod jegens de man opgelegd van een jaar op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.8    De woning is uiteindelijk verkocht voor € 658.000,-. De overdracht van de woning heeft op 1 augustus 2017 plaatsgevonden.

1.9    Bij brief van 14 januari 2017 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend tegen verweerster. De Raad van Discipline heeft de klacht van klaagster bij beslissing van 8 januari 2018 met zaaknummer 17-469 ongegrond verklaard. Het door klaagster tegen deze beslissing ingestelde hoger beroep is door het Hof van Discipline bij beslissing van 19 februari 2018 met zaaknummer 180042 afgewezen.

1.10    Bij brief van 20 april 2017 heeft klaagster bij de deken een tweede klacht ingediend over verweerster, bij de raad bekend onder zaaknummer 18-390.

1.11    Bij brief van 7 juni 2017 heeft klaagster bij de deken de onderhavige (derde) klacht ingediend over verweerster. Nadien heeft de deken nog een vierde en vijfde klacht van klaagster over verweerster ontvangen bij brieven van 17 juli 2017 respectievelijk 29 oktober 2017. Ook deze klachten zijn ter kennis van de raad gebracht en bij de raad bekend onder de zaaknummers 18-392 en 18-393.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a)    klaagster wederom opzettelijk heeft bedreigd met het weggooien van de spullen van de kinderen en haar totale bezittingen met aanzienlijke waarde;

b)    klaagster opzettelijk en onnodig met meer kosten voor opslag te confronteren door de woning een maand voor de overdracht die gepland stond op 1 augustus 2017 leeg te willen halen;

c)    de koopovereenkomst van de woning niet heeft willen verschaffen aan klaagster;

d)    de makelaar heeft geïnstrueerd om klaagster nergens meer over de informeren;

e)    de makelaar heeft geïnstrueerd om klaagster na slechts 3,5 week in de verkoop staan van de woning een mailtje te sturen om akkoord te gaan met het weggeven van haar woning voor € 45.000,- minder dan de marktconforme vraagprijs;

f)    de woning zeer corrupt heeft verkocht aan waarschijnlijk de makelaar zelf of familie of vrienden.

 

3    VERWEER

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1    Verweerster betwist tuchtrechtelijk laakbaar te hebben gehandeld.

Ad klachtonderdeel a en b)

3.2    Volgens het arrest van het gerechtshof van 16 augustus 2016 had klaagster de woning al per 1 november 2016 ontruimd moeten hebben. Op verzoek van klaagster heeft de ex-man uit coulance toegestaan dat klaagster goederen voor een periode in de woning liet staan. Op 15 mei 2017 heeft verweerster de advocaat van klaagster laten weten dat de woning per 1 juli 2017 volledig ontruimd moest zijn in verband met de overdracht van de woning een maand later. Omdat klaagster niet reageerde heeft verweerster op 7 juni 2017 aangegeven dat als klaagster haar spullen niet uiterlijk op 1 juli 2017 zou hebben opgehaald, de goederen zouden worden afgevoerd. Over weggooien is niet gesproken. De datum van 1 juli 2017 is gekozen omdat de ex-man de maand juli moest werken en hij niet in de buurt van de woning woont en de woning op 1 augustus 2017 gereed moest zijn voor de overdracht. De vrees bestond dat klaagster veel spullen in de woning zou achterlaten.

Ad klachtonderdeel c)

3.3    Nu de cliënt van verweerster vervangende toestemming heeft gekregen om de woning te verkopen (vonnis in kortgeding van 8 maart 2017) was klaagster geen partij. Het was de wens van de ex-man om klaagster geen inzage te geven in de koopovereenkomst. Verweerster heeft die wens gerespecteerd en was ook niet gehouden om klaagster wel een afschrift te verstrekken of inzage te geven. Verweerster beschikte overigens ook niet over de koopovereenkomst.

Ad klachtonderdeel d en e)

3.4    Verweerster betwist dat zij de makelaar heeft geïnstrueerd. Het is ook ondenkbaar dat de makelaar zich door haar zou laten instrueren. Omdat klaagster geen opdrachtgeefster was, heeft zij van de makelaar geen informatie ontvangen. Enkel de cliënt van verweerster was opdrachtgever. De makelaar heeft richting de cliënt van verweerster en de advocaat van klaagster uitvoerig beargumenteerd waarom het bod op de woning serieus genomen moest worden.

Ad klachtonderdeel f)

3.5    De woning is niet verkocht aan haar familie of vrienden. Als klaagster bedoeld heeft dat de makelaar corrupt is en de woning zelf heeft gekocht of aan bekenden heeft verkocht, dan heeft klaagster dit niet onderbouwd en heeft verweerster daar bovendien niets mee van doen.

 

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter constateert dat het een klacht tegen de advocaat van de wederpartij betreft. Daartoe geldt de volgende maatstaf. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goed dunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Het optreden van verweerster zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.

4.2    De voorzitter constateert verder dat deze klacht een vervolg is op de eerdere (twee) door klaagster ingediende klachten over verweerster (inzake 17-469 en 18-390). Hoewel er enige samenhang is, zal de voorzitter deze klacht zelfstandig beoordelen.

Ad klachtonderdeel a en b)

4.3    Vanwege de onderlinge samenhang worden de klachtonderdelen a en b gezamenlijk beoordeeld. De voorzitter heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster klaagster opzettelijk heeft bedreigd en klaagster opzettelijk op onnodige kosten heeft gejaagd. Uit het klachtdossier volgt genoegzaam dat de woning op 1 augustus 2017 door de cliënt van verweerster moest worden opgeleverd. Dat verweerster namens haar cliënt heeft aangegeven dat woning per 1 juli 2017 leeggehaald moest zijn, acht de voorzitter redelijk. Daartoe is onder meer van belang dat klaagster al langere tijd wist dat dit eraan zat te komen, dat verweerster deze mededeling tijdig (op 15 mei 2017) en in zakelijke bewoordingen aan klaagster heeft gedaan en omdat de ex-man vanwege zijn werk en de afstand tot de woning tijd nodig had om er zeker van te zijn dat de woning per 1 augustus 2017 (leeg) opgeleverd kon worden. Dat verweerster heeft gedreigd met het weggooien van de spullen van klaagster is de voorzitter uit niets gebleken. Aldus kan niet worden gezegd dat verweerster zonder een redelijk doel te dienen de belangen van klaagster onnodig of onevenredig heeft geschaad. De klachtonderdelen a en b worden kennelijk ongegrond geoordeeld.

Ad klachtonderdeel c)

4.4    Klaagster heeft onvoldoende toegelicht dat en waarom verweerster gehouden was om klaagster een afschrift van de koopovereenkomst te doen toekomen. Verweerster heeft genoegzaam toegelicht dat zij hiertoe niet was gehouden en de makelaar evenmin nu klaagster geen partij was bij de verkoop en de rechtbank hiertoe ook geen opdracht heeft gegeven. Verweerster heeft klaagster geïnformeerd over de koopprijs en de overdrachtsdatum. Dat zij tot meer gehouden was, is de voorzitter niet gebleken. Van enig tuchtrechtelijk laakbaar is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel c is kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel d en e)

4.5    De klachtonderdelen d en e worden gezamenlijk beoordeeld nu zij beide zien op het vermeend instrueren van de makelaar door verweerster. Verweerster heeft expliciet betwist de makelaar te hebben geïnstrueerd zoals klaagster heeft gesteld. Daartegenover staat de kale stelling van klaagster die niet feitelijk is onderbouwd. Klaagster heeft immers niet helder gemaakt dat en waaruit zou blijken dat verweerster op ontoelaatbare wijze met de makelaar heeft samengespannen ten nadele van klaagster. Nu de feitelijke grondslag ontbreekt, oordeelt de voorzitter deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

Ad klachtonderdeel f)

4.6    Van enige corruptie bij de verkoop van de woning is de voorzitter niets gebleken. Het verwijt van klaagster op dit punt is onvoldoende onderbouwd en wordt eveneens kennelijk ongegrond geoordeeld.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. L.M. Roorda als griffier op 22 augustus 2018.

 

griffier    voorzitter

 

Verzonden d.d. 22 augustus 2018.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens