Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2011:YH0190
Datum uitspraak:
15-08-2011
Datum publicatie:
16-08-2011
Zaaknummer(s):
10/1581 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht gegrond met doorhaling Klacht ongegrond Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:
Financiele samenwerking met client kan tuchtrechtelijk beoordeeld worden. Te  vergaande samenwerking financiele samenwerking/belangenverstrengeling in het uitbaten van voor gezamenlijke rekening aangeschaft onroerend goed tussen accountant en zijn client. Accountant moet bij doorlopende opdracht periodiek beoordelen of zijn relatie met de client kan worden gecontinueerd.  Binnen de financiele samenwerking was de accountant verantwoordelijk voor de boekhouding/administratie daarvan; deze was echter onvolledig en niet adequaat; betrokkene heeft zich derhalve daarbij ondeskundig, onzorgvuldig en niet professioneel gedragen. Door de samenwerking met de client niet deugdelijk schriftelijk vast te leggen heeft de accountant in strijd met het beginsel van professionaliteit gehandeld. Zulks geldt eveneens het niet voldoende tussentijds vervaardige van een financieel overzicht van de samenwerking. Zich onvoldoende laten adviseren inzake fiscale kwestie is in strijd met het beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. Niet eerlijk en oprecht handelen jegens client door in zijn contacten met derden over client belastend te verklaren. Niet eerlijk en oprecht handelen jegens client door tegen (stilzwijgende) afspraak in na 7 jaar opeens facturen te gaan zenden. Betrokkenheid bij ten onrechte opgemaakte BTW-facturen.Ter zitting naar voren gekomen betrokkenheid bij het uitbetalen van zwarte lonen; de klacht gaat hier echter niet over. Ambtshalve aanvulling van klacht is sinds invoering van de Wtra (ook) mogelijk voor niet Wta-kwesties; echter, in casu niet opportuun daartoe over te gaan.Doorhaling voor de maximale duur van 10 jaren.  Hoger beroep ingesteld. Uitspraak zie LJN BV8615 (www.rechtspraak.nl)

 

 

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra)

van15 augustus 2011 inde zaak met nummer 10 / 1581 Wtra AKvan

 

 

 

Y,

wonende te (woonplaats),

K L A G E R,

raadsman mr. M. Rebel,

 

t e g e n

 

 

Y,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats],

B E T R O K K E N E,

raadsman: mr. J. van Ravenhorst.



1. Het verloop van de procedure

 

1.1 De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het op 16 september 2010 bij de Accountantskamer binnengekomen, door klagers raadsman mr. M. Rebel opgestelde klaagschrift van 14 september 2010, met bijlagen;

-        een op 18 oktober 2010 bij de Accountantskamer binnengekomen brief van de raadsman van klager, houdende een nadere omschrijving van de klacht;

-        het op 7 december 2010 bij de Accountantskamer binnengekomen verweerschrift van 6 december 2010, met bijlagen;

-        de op 3 januari 2011 bij de Accountantskamer ingekomen brieven van de raadsman van klager, met als bijlagen een aantal nadere producties.

 

1.2 De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 14 januari 2011, waar aanwezig waren - aan de zijde van klager - X in persoon, tot bijstand vergezeld van zijn adviseur A en zijn raadsman mr. M. Rebel, advocaat te Renswoude, en - aan de zijde van betrokkene - betrokkene Y RA in persoon, tot bijstand vergezeld van mr. J. van Ravenhorst, advocaat te Utrecht, en diens kantoorgenote mr. M.V. Scheffer.

 

1.3 Partijen hebben op deze zitting hun standpunten toegelicht en doen toelichten aan de hand van aan de Accountantskamer overgelegde pleitaantekeningen, alsmede doen antwoorden en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

 

2. De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1 Betrokkene heeft van 1998 tot 2009 accountantswerkzaamheden uitgevoerd voor Afbouwbedrijf X, de eenmanszaak van klager. De accountantswerkzaamheden van betrokkene bestonden uit het samenstellen van de jaarrekeningen van klagers eenmanszaak en uit het doen van belastingaangiftes voor klager.

 

2.2 Vanaf 2002 zijn betrokkene en klager samen gaan investeren in panden voor de verhuur van woonruimte aan studenten. In de periode van 2002 tot en met 2008 hebben zij, al dan niet met behulp van derden, 25 panden aangekocht, waarvan sommige panden meteen klaar waren voor verhuur en andere nog moesten worden verbouwd.

 

2.3 Klager en betrokkene hadden bijna alle panden voor de onverdeelde helft in eigendom en zij kwamen wederzijds inspanningsverplichtingen overeen, in die zin dat klager zou zorgen voor de verbouwingen, de onderhoudswerkzaamheden en het verhuurgereed maken van de panden en dat betrokkene verantwoordelijk was voor de contacten met de huurders, het opstellen van de huurcontracten, het aanzeggen van huurverhogingen, het verzorgen van de betalingen en het voeren van de boekhouding.

 

2.4 Klager en betrokkene zijn samen en ten behoeve van hun gezamenlijkheid hypothecaire leningen aangegaan en hebben de rente daarop destijds vastgezet voor een periode van twintig jaar, omdat zij wilden vermijden dat zij bij een oplopende rente niet aan hun betalingsverplichtingen zouden kunnen voldoen.

 

2.5 Omdat de werkzaamheden toenamen hebben klager en betrokkene in 2007 de vennootschap “B.V.1” opgericht, waarvan zij beiden directeur waren en ieder 50% van de aandelen in bezit hadden. Door deze vennootschap werd een aantal personeelsleden in dienst genomen en het onderhoud van en de verbouwings-werkzaamheden aan de panden uitgevoerd.

 

2.6 In2009 ontstond wantrouwen tussen klager en betrokkene en vergden zij van elkaar het afleggen van verantwoording inzake hun voldoen aan de wederzijdse verplichtingen. Uiteindelijk hebben zij gesproken over verdeling van de panden, onder meer onder begeleiding van zelf aangestelde bewindvoerders en de advocaten van partijen. Tot op heden is geen overeenstemming bereikt over de beëindiging en splitsing van het gezamenlijke project van klager en betrokkene.

3. De klacht

 

3.1 De klacht, zoals deze werd ingediend bij het oorspronkelijk klaagschrift en nader omschreven in de brief van klagers raadsman van 14 oktober 2010, omvat een achttal onderdelen, te weten:

              I.     dat betrokkene klager onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd en geadviseerd over beleggingen die zij samen zouden gaan doen en ook daadwerkelijk hebben gedaan;

           II.     dat betrokkene heeft nagelaten de afspraken, de wijze van inbreng en verdeling e.d. op schrift te stellen en dat hij dit, ondanks herhaald verzoek daartoe, weigert alsnog te doen;

         III.     dat betrokkene deze ondernemingsactiviteiten van klager ten onrechte heeft verwerkt in box 3 in plaats van in box 1 in de IB-aangiftes van klager (prod. 2, bijlage 63), omdat klager veel werkzaamheden heeft verricht aan de panden om ze rendabel te krijgen;

        IV.     a) dat betrokkene weigert de gevoerde boekhouding en administratieve bescheiden volledig af te geven aan klager, ondanks vele en gespecificeerde verzoeken daartoe, en b) dat betrokkene zichzelf heeft bevoordeeld door zonder medeweten van klager aanzienlijk meer gelden aan de gezamenlijkheid te onttrekken dan klager;

           V.     dat betrokkene van “B.V.1”, waarvan klager en betrokkene beiden 50% aandeelhouder zijn, de jaarrekening 2008 heeft gedeponeerd zonder dat klager, die bij de conceptcijfers zelfs vragen had gesteld die niet werden beantwoord, deze had goedgekeurd;

        VI.     dat betrokkene onvoldoende medewerking verleent aan de beëindiging/splitsing van de gezamenlijke ondernemingsactiviteiten van hem en klager;

      VII.     dat betrokkene klager onheus, onprofessioneel en belastend bejegent;

   VIII.     dat betrokkene klager schade heeft berokkend doordat hij zijn verplichtingen uit de samenwerking niet nakomt.

 

3.2 Voorts worden in de brief van klagers raadsman van 14 oktober 2010 nog “diverse overige klachten” genoemd, te weten dat betrokkene:

 

3.3 Ten slotte zijn uit de toelichting op de bijlagen 87 e.v. in de brief van de raadsman van klager van 29 december 2010 nog een vijftal nadere klachten te destilleren, te weten dat betrokkene:

 

 

4. De gronden van de beslissing

 

4.1.1 Volgens betrokkene dienen de klachten van klager niet-ontvankelijk te worden verklaard, enerzijds omdat sommige klachten niet het handelen en/of nalaten van betrokkene in zijn hoedanigheid van registeraccountant betreffen, en anderzijds omdat ten aanzien van verschillende klachten vaststaat dat deze gaan over handelen van betrokkene van meer dan zes jaar geleden, dan wel omdat klager van deze klachten al vanaf de eerste beleggingen in 2002 op de hoogte was en zich daarover pas in 2010 tot de Accountantskamer heeft gewend en derhalve niet binnen de in artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) genoemde termijn van drie jaar na constatering van het handelen of nalaten.

 

4.1.2 Ingevolge artikel 22 lid 1 Wtra neemt de Accountantskamer een klacht niet in behandeling indien tussen het moment van het verweten handelen of nalaten en het moment van indiening van de klacht een periode van zes jaar is verstreken. Ook kan geen klacht meer worden ingediend indien op het moment van indienen van de klacht drie jaren zijn verstreken nadat het verweten handelen of nalaten is geconstateerd.

 

4.1.3 De klacht moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wat betreft de onderdelen, betrekking hebbende op handelen en/of nalaten van betrokkene dat meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd. Indien en voor zover onderdelen van de klacht aan een of beide van deze criteria voldoen, zal hierna bij de bespreking daarvan daarvan melding worden gemaakt en zullen deze onderdelen van de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.1.4 Het verweer dat sommige klachten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat deze niet het handelen en/of nalaten van betrokkene in zijn hoedanigheid van registeraccountant betreffen, gaat niet op omdat hoofdstuk II van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (GBR-1994) regels voor alle registeraccountants bevat, deel A van de (sedert 1 januari 2007 geldende) Verordening Gedragscode (RA’s) (VGC) de gedragscode geeft voor iedere registeraccountant, deel B1 van de VGC de gedragscode voor de openbaar accountant en deel C voor de accountant in business. Daarbij heeft te gelden dat onder beroepsmatig handelen van een accountant in de zin van artikel 33 Wet RA in ieder geval mede moet worden verstaan alle handelingen die een accountant in een door hem feitelijk uitgeoefend beroep verricht en dat aldus handelingen van een accountant in het kader van diens werkzaamheden als ondernemer en/of als bestuurder van een vennootschap onder het bereik van het tuchtrecht van accountants vallen.

 

4.2 Het handelen en/of nalaten van betrokkene waaropde klacht betrekking heeft moet, voor zover dit plaatshad vóór 1 januari 2007, worden getoetst aan de GBR-1994 en, voor zover het plaatshad ná 1 januari 2007, aan deVGC) endaarvan in het bijzonder het (voor alle registeraccountants geldende) deel A, het (voor openbaar registeraccountants geldende) deel B1 en het (voor “accountants in business” geldende) deel C. Daarbij merkt de Accountantskamer in het thans aan haar oordeel onderworpen feitencomplex op dat betrokkene de facto deels gedragingen heeft verricht als openbaar accountant en deels als accountant in business en het blijkens de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 2 pagina 84, kennelijk de bedoeling van de regelgever is geweest dat in dat geval, afhankelijk van de gedraging, naast deel A, òf deel B1 òf deel C van de VGC toepassing dient te vinden.

 

4.3Bij de beoordeling van de klachtstelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

4.4 Ter toelichting op het hiervoor bij 3.1 onder I. vermelde klachtonderdeel heeft klager aangevoerd dat betrokkene:

a)     als accountant van klager deze ongevraagd heeft geadviseerd samen met hem in onroerend goed te beleggen (in de jaren 2002 tot en met 2008 ) en klager, nadat zij samen zijn gaan beleggen, niet naar een andere accountant heeft verwezen;

b)     bij die beleggingen klager niets heeft gemeld over eventuele risico’s;

c)     niet heeft gemeld dat bij eventuele verkoop van de panden boeterentes verschuldigd zouden zijn;

d)     geen afdoende inzicht heeft verschaft in de huuropbrengsten van de panden in gezamenlijk bezit met klager (in de periode van 2002 t/m 2009, begrijpt de Accountantskamer) en dat nog steeds niet doet;

e)     de samenwerking tussen partijen nimmer deugdelijk op schrift heeft gesteld en dus ook geen bepalingen omtrent de wijze van beëindiging van de relatie tussen partijen heeft vastgelegd;

f)      klager onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de verscheidenheid aan leningen;

g)     ten onrechte niet heeft gemeld wat de tussentijdse resultaten waren en wat beide partijen aan betalingen/onttrekkingen ten bate/laste van  de gezamenlijkheid hebben uitgevoerd;

h)     klager niet, althans onvolledig, heeft geïnformeerd over gedane betalingen/transacties en voor verscheidene betalingen geen toestemming aan klager heeft gevraagd;

i)       klager in de periode 2002 t/m 2009 doorlopend onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd en geadviseerd;

j)       bij ieder pand dat partijen gingen aankopen(in de periode 2002 t/m 2008, begrijpt de Accountantskamer), of als klager daar nadien om vroeg (in de periode 2009-2010, begrijpt de Accountantskamer), geen informatie heeft verstrekt over de (in de toekomst te verwachten) kosten, de (verwachte) opbrengsten, de (verwachte) rendementen en de risico’s, waaronder de financiële verplichtingen.

 

4.5 Door of namens betrokkene is tegen dit klachtonderdeel, naast het primair gevoerde en hiervoor reeds besproken niet-ontvankelijkheidsverweer, voor zover van belang en zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

ad a) Betrokkene heeft geen misbruik gemaakt van de klant- en vertrouwensrelatie die hij met klager had, althans dit is absoluut nimmer zijn intentie geweest. Klager was er vanaf het begin mee akkoord dat betrokkene gedurende de periode dat zij tezamen belegden, tevens de accountant van klagers eenmanszaak bleef, althans klager heeft hier al die jaren geen bezwaar tegen gemaakt. Betrokkene had klager achteraf bezien inderdaad beter kunnen verwijzen, zodat voorkomen had kunnen worden dat klager nu het idee heeft dat betrokkene niet onafhankelijk was in de uitoefening van zijn accountantswerkzaamheden voor de eenmanszaak van klager.

ad b) Dat betrokkene klager niets zou hebben gemeld over de eventuele risico's, is ver bezijden de waarheid.

ad c) Klager was er zeker wel van op de hoogte dat boeterente verschuldigd zou zijn bij de verkoop van een pand. Bij de aankoop van het eerste beleggingspand probeerden de vorige eigenaren hun boeterente namelijk op betrokkene en klager te verhalen. Er is toen uitvoerig gesproken over het feit dat banken bij beleggingspanden bij voortijdige aflossing boeterente berekenen indien de rente voor een bepaalde periode is vastgezet. Daarbij komt dat dergelijke investeringen in beleggingspanden nooit risicovrij zijn, hetgeen klager ook wel wist, althans had kunnen weten, omdat betrokkene daar herhaaldelijk met hem over heeft gesproken en tevens omdat dit een feit van algemene bekendheid is.

ad d) Over het feit dat betrokkene onvoldoende inzicht zou hebben verschaft in de huuropbrengsten van de panden hebben partijen vaak gesproken. Betrokkene heeft wel degelijk overzichten aan klager verstrekt. Echter klager weigerde op een gegeven moment onderhoud aan de panden te verrichten, verantwoording af te leggen van zijn bankopnamen in de jaren 2002 tot en met 2007 en 2009 en/of uit te leggen waarom de verbouwingen van de panden aan het [plein1] en de [straat2] in 2009 zo uit de hand gelopen waren. Betrokkene ziet niet in waarom hij dan wel telkens overzichten moest (blijven) verstrekken. Het enkele niet overleggen van nog meer overzichten is absoluut niet klachtwaardig, omdat hij dit niet heeft geweigerd in zijn hoedanigheid van registeraccountant (van klager). Overigens heeft betrokkene wel voldoende inzicht gegeven en verantwoording afgelegd.

ad e en f) Volgens betrokkene is het niet zijn plicht om met klager te communiceren over de mogelijkheden van een verdeling van de panden. Toen de samenwerking tussen partijen in 2009 niet lekker meer liep, kwam betrokkene tot de conclusie dat het beter was om niet meer verder met elkaar door te gaan en om de panden te verdelen. Betrokkene ziet niet in waarom hij klager had moeten informeren over de mogelijkheden daartoe. Over en weer zijn een paar voorstellen gedaan, die uiteindelijk niet tot aanvaarding door de ander hebben geleid. Dit alles is een boek 3 BW kwestie, die niet over de band van de tuchtrechter beslecht mag worden.

ad g t/m j) Ten aanzien van de beschuldigingen van klager dat betrokkene niet heeft gemeld wat de tussentijdse resultaten waren en wat beide partijen aan betalingen en onttrekkingen ten behoeve van de gezamenlijkheid hebben verricht, merkt betrokkene op dat klager van het begin af aan de beschikking heeft gehad over bankpasjes van alle bankrekeningen. Alle bankmutaties waren voor klager dus te volgen. Klager beschikte zelfs over alle bankafschriften en achterliggende nota's tot en met 2008, alsmede over een scan daarvan betreffende de periode van januari 2009 tot en met april 2010. Omdat volgens betrokkene in box 3 belegd werd, is nooit sprake geweest van het moeten opstellen van tussentijdse overzichten. De aandacht van betrokkene was dan ook meer gericht op de incasso's en de jaarlijkse verhogingen van de huuropbrengsten en daarnaast het laten afnemen van de hoogte van de leningen, terwijl klager zich bezighield met de directievoering wat betreft de onderhoud- en verbouwingswerkzaamheden. Betrokkene is van mening dat hij de inkomsten en uitgaven met betrekking tot de beleggingspanden voor zover mogelijk aan klager heeft overgelegd, terwijl klager naliet inzicht te verschaffen in de door hem gedane verbouwingsuitgaven.

In de toelichting op de inhoud van de bijlagen 68, 69 en 71 bij het klaagschrift stelt klager dat betrokkene geld aan de gezamenlijkheid onttrok zonder toestemming van klager. Volgens betrokkene zijn de in bijlage 68 vermelde bedragen echter op verzoek en in opdracht van klager opgenomen. Klager was belast met het onderhoud van de panden, maar had vaak vanwege de drukte in zijn eenmanszaak geen tijd om betalingen te verrichten. Dan werd betrokkene of diens echtgenote gevraagd voorschotten te betalen. De terugbetaling van deze voorschotten geschiedde dan daarna, zoals bijlage 69 ook weergeeft. Volgens betrokkene kan niet uit bijlage 71 blijken dat hij van de gezamenlijke bankrekening een bedrag van € 150.000,00 heeft overgeboekt naar een privérekening.

Betrokkene merkt als laatste nog op dat klager het alleen maar heeft over de verantwoording die betrokkene niet zou hebben afgelegd, terwijl hij zelf degene is die pertinent geweigerd heeft uitleg te geven over de door hem ingediende dubbele begrotingen met betrekking tot de verbouwingen aan de panden [plein1] en [straat2]. Betrokkene heeft bovendien ook nooit verantwoording afgelegd gekregen voor de verbouwingsuitgaven die gedaan zijn door klager. Volgens betrokkene kan het niet zo zijn dat in een dergelijke samenwerking alleen maar door één persoon rekening en verantwoording wordt afgelegd.

 

 

4.6 De Accountantskamer overweegt met betrekking tot het eerste klachtonderdeel en het daartegen gevoerde verweer het volgende.

 

4.6.1.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder a) vermelde wordt in feite aan de orde gesteld dat betrokkene in zijn hoedanigheid van openbaar accountant het fundamentele beginsel “objectiviteit” als bedoeld in artikel A-100.4 onder b. van de VGC niet heeft nageleefd. Gezien zijn werkzaamheden inzake het samenstellen van de jaarrekening van het bedrijf van klager, functioneerde betrokkene onder de vigeur van de VGC als openbaar accountant.

 

4.6.1.2 Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard. Klager diende immers reeds binnen deze laatste termijn te beseffen dat dit handelen van betrokkene wel eens op gespannen voet met de gedrags- en beroepsregels voor accountants zou kunnen staan.

 

4.6.1.3 Voor het handelen en/of nalaten van betrokkene als bedoeld in het onder a) vermelde heeft echter tevens te gelden dat in artikel B1-210.6 VGC staat vermeld: “In het geval van een doorlopende opdracht beoordeelt de openbaar accountant periodiek opnieuw of de relatie met de cliënt kan worden gecontinueerd.” Daarom had betrokkene niet alleen bij het aangaan van de onderhavige persoonlijk-zakelijke betrekkingen met klager (die met diens éénmanszaak cliënt van betrokkene was) zich er rekenschap van moeten geven dat er sprake was van een bedreiging in de vorm van een mogelijke aantasting van zijn professioneel of zakelijk oordeel door belangentegenstelling, maar ook telkens opnieuw als het samenstellen van de jaarstukken van klagers eenmanszaak weer aan de orde kwam. Niet gebleken of aannemelijk geworden is dat betrokkene - overeenkomstig artikel B1-210.3 VGC - tegen die bedreiging (van niet van te verwaarlozen betekenis) ooit enige waarborg heeft getroffen, laat staan een waarborg die deze bedreiging zou wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau zou terugbrengen. Dit betekent dat de klacht op dit onderdeel voor de periode ná 16 september 2007 gegrond moet worden verklaard.

 

4.6.2.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder b) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij bij de gezamenlijke beleggingen klager niets heeft gemeld over eventuele risico’s daarvan.



4.6.2.2Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.2.3 Voor zover het hier bedoelde handelen of nalaten van betrokkene heeftplaatsgehad na 16 september 2007, is de stelling van klager, die overigens door of namens betrokkene is weersproken, onvoldoende gespecificeerd om tot een gegronde klacht te kunnen leiden.

 

4.6.3.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder c) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij klager niet heeft gemeld dat bij eventuele verkoop van de panden boeterentes verschuldigd zouden zijn.

 

4.6.3.2Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.3.3 Voor zover het hier bedoelde handelen of nalaten van betrokkene heeftplaatsgehad na 16 september 2007 komt het verweer van betrokkene te dezen erop neer, althans zo begrijpt de Accountantskamer, dat hij klager van de bedoelde boeterentes niet expliciet op de hoogte heeft hoeven brengen omdat klager van het bestaan daarvan wel op de hoogte was, althans moest zijn.

 

4.6.3.4 De Accountantskamer is van oordeel dat het verschuldigd zijn van boeterentes bij vervroegde aflossing van hypothecaire leningen niet zodanig bijzonder is, dat betrokkene klager daarvoor zou hebben moeten waarschuwen. Bovendien moet worden aangenomen dat klager als contractspartij telkens bij het aangaan van zo’n hypothecaire lening de hypotheekakte, waarin de clausule inzake boeterente is opgenomen, heeft kunnen en moeten lezen en aldus van het bestaan van die clausule telkens op de hoogte had behoren te zijn. Het verwijt aan betrokkene te dezen is daarom ongegrond.

 

4.6.4.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder d) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij klager onvoldoende inzicht heeft verschaft in de huuropbrengsten van hun gezamenlijke panden.

 

4.6.4.2 Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.4.3 Betrokkene heeft aangevoerd dat hijniet inziet waarom hij klager wel telkens overzichten moest (blijven) verstrekken toen deze van diens kant geen rekening en verantwoording meer wenste af te leggen van diens bankopnamen en voorts, dat hij overigenswel voldoende inzicht heeft gegeven en verantwoording heeft afgelegd. Bij dat eerste heeft betrokkene echter, waar hij op zich had genomen de boekhouding te voeren, de bijzondere verantwoordelijkheid die hij als registeraccountant ten opzichte van klager had miskend en het tweede gaat ook niet op, want dat hij zich van deze taak op adequate wijze heeft gekweten, heeft hij niet door het overleggen van stukken aannemelijk gemaakt. Hij heeft daardoor in strijd gehandeld met datgene wat van een deskundig en zorgvuldig en professioneel accountant verwacht mag worden (zie onder meer artikelen A-100.4 sub c. en e. en hoofdstuk C-320 van de VGC).Het bedoelde handelen of nalaten van betrokkene heeft mede plaatsgehad na 16 september 2007; in zoverre moet de klacht dan ook gegrond worden verklaard.

 

4.6.5.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder e) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij de samenwerking tussen partijen nimmer deugdelijk op schrift heeft gesteld.

 

4.6.5.2 Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.5.3Betrokkene heeft niet betwist dathij de samenwerking tussen partijen nimmer deugdelijk op schrift heeft gesteld en de Accountantskamer is van oordeel dat in elk geval vanaf oktober 2007, toen de zaken in het samenwerkingsverband van klager en betrokkene zodanig waren gegroeid dat er een besloten vennootschap moest worden opgericht, voor betrokkene de verplichting bestond te zorgen voor een deugdelijke vastlegging van die samenwerking. Het ontbreken van een behoorlijke (schriftelijke) vastlegging komt (mede) voor rekening van betrokkene. Juist van een accountant had hier immers meer mogen worden verwacht, nu deze in zijn zakelijke betrekkingen professioneel dient op te treden en zich dient te onthouden van handelen of nalaten, dat door een redelijke en goed geïnformeerde derde die over alle relevante informatie beschikt, zal worden opgevat als schadelijk voor de goede naam van het accountantsberoep en/of schadelijk voor een goede uitoefening van het accountantsberoep. Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat betrokkene, door niet te zorgen voor een behoorlijke (schriftelijke) vastlegging van zijn samenwerkingsverband met klager, het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 onder e. van deVGCheeft geschonden en overigens ook in strijd met artikel C-320.3 van de VGC heeft gehandeld. De klacht moet in zoverre dan ook gegrond worden verklaard.

 

4.6.6.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder f) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij klager onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de verscheidenheid aan leningen.

 

4.6.6.2Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.6.3 Voor zover het hier bedoelde handelen of nalaten van betrokkene heeftplaatsgehad na 16 september 2007, is de stelling van klager, die overigens door of namens betrokkene is weersproken, onvoldoende gespecificeerd om tot een gegronde klacht te kunnen leiden. Overigens geldt hier evenzeer dat klager als contractspartij telkens bij het aangaan van zo’n hypothecaire lening de hypotheekakte, waarin de uit die lening voortvloeiende verplichtingen zijn opgenomen, heeft kunnen en moeten lezen en aldus van het bestaan van die verplichtingen telkens op de hoogte had behoren te zijn.

 

4.6.7.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder g) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij klager ten onrechte niet heeft gemeld wat de tussentijdse resultaten waren en welke betalingen/onttrekkingen ten bate/laste van de gezamenlijkheid door beide partijen waren gedaan.

 

4.6.7.2Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.7.3 Voor zover het hier bedoelde handelen of nalaten van betrokkene heeft plaatsgehad na 16 september 2007, overweegt de Accountantskamer dat de onderhavige stelling van klager weliswaar door betrokkene is betwist, maar dat tegenover die stelling niet aannemelijk is geworden dat betrokkene periodiek een financieel overzicht heeft vervaardigd en aan zijn zakenpartner heeft doen toekomen. Dit hangt samen met het ontbreken van een behoorlijke (schriftelijke) vastlegging van de zakelijke relatie met klager die hiervoor onder 4.6.5.3 aan de orde is gekomen en de klacht moet dan ook mede op grond van hetgeen daar werd overwogen op dit punt gegrond worden verklaard.

 

4.6.8.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder h) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij klager niet, althans onvolledig, heeft geïnformeerd over gedane betalingen/transacties en klager voor verscheidene betalingen geen toestemming heeft gevraagd.

4.6.8.2 Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.8.3 Voor zover het hier bedoelde handelen of nalaten van betrokkene zou hebbenplaatsgehad na 16 september 2007, is onvoldoende vast te stellen of en, zo ja, wanneer de door klager bedoelde betalingen en/of transacties zijn gedaan, zodat dit onderdeel van de klacht reeds daarom ongegrond moet worden verklaard. Daarbij wordt wel opgemerkt dat ook hier sprake is van een gevolg van het ontbreken van een behoorlijke (schriftelijke) vastlegging van het samenwerkingsverband van klager en betrokkene, zoals hiervoor reeds een en andermaal besproken. Voor zover klager heeft bedoeld dat een bedrag van 150.000 euro door betrokkene aan de gezamenlijke gelden is onttrokken, is onvoldoende aannemelijk geworden dat dit bedrag, hoezeer het ook door betrokkene in een e-mail als behorend tot de gezamenlijkheid is bestempeld, afkomstig was van een gezamenlijke rekening van klager en betrokkene, te minder nu uit door klager zelf ingebrachte stukken blijkt dat dit bedrag, dat was overgemaakt op een zogeheten “E-kwartaalspaarrekening” op naam van betrokkene en diens echtgenote, afkomstig was van een eveneens op naam van betrokkene en diens echtgenote staande tegenrekening.

 

4.6.9.1 In het ter toelichting op klachtonderdeel I onder i) en j) vermelde wordt betrokkene verweten dat hij klager in de periode 2002 t/m 2009 doorlopend onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd en geadviseerd en bij ieder pand dat partijen gingen aankopen (in de periode 2002 t/m 2008, begrijpt de Accountantskamer), of als klager daar nadien om vroeg (in de periode 2009-2010, begrijpt de Accountantskamer), geen informatie heeft verstrekt over de (in de toekomst te verwachten) kosten, de (verwachte) opbrengsten, de (verwachte) rendementen en de risico’s, waaronder de financiële verplichtingen.

 

4.6.9.2 Voor zover dit aan betrokkene verweten gedrag meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, moet de klacht dienaangaande, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

4.6.9.3 Voor zover het hier bedoelde handelen of nalaten van betrokkene zouhebbenplaatsgehad na 16 september 2007, heeft te gelden dat aan deze onderdelen van de klacht in het licht van het hiervoor reeds besprokene geen zelfstandige betekenis toekomt, zodat zij verder geen nadere bespreking behoeven.

 

4.7.1 In het klachtonderdeel onder II. wordt betrokkene verweten dat hij heeft nagelaten de afspraken, de wijze van inbreng en verdeling e.d. op schrift te stellen en hij weigert dit ondanks herhaald verzoek daartoe alsnog te doen.

 

4.7.2 Aannemelijk is dat klager de constatering van hetgeen hij betrokkene hier verwijt heeft gedaan op  27 november 2009, toen hij op het kantoor van betrokkene kwam om de administratie van de gezamenlijkheid op te halen. Dat brengt mee dat de klacht in dit onderdeel ontvankelijk is.

 

4.7.3 Betrokkene acht het hem in dit klachtonderdeel verwetene niet klachtwaardig omdat hij dit niet op schrift stellen niet heeft gedaan in zijn hoedanigheid van registeraccountant. Volgens betrokkene had klager ook zelf het initiatief kunnen nemen om één en ander op schrift te stellen en/of te laten stellen.

 

4.7.4 Dit verweer van betrokkene miskent hetgeen hiervoor onder 4.1.4 is overwogen, alsmede het feit dat een accountant een bijzondere verantwoordelijkheid heeft zoals hiervoor onder 4.6.5.3 is overwogen. Het wordt daarom verworpen. Nu dit klachtonderdeel overigens niet (inhoudelijk) door betrokkene is weersproken en zeker vanaf de oprichting van de besloten vennootschap met klager in oktober 2007 de noodzaak tot een behoorlijke schriftelijke vastlegging van de afspraken en de wijze van inbreng en verdeling extra urgent werd, moet het - mede in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het gebrek aan vastlegging door betrokkene van de zaken die zijn samenwerkingsverband met klager betreffen - eveneens gegrond worden verklaard.

 

4.8.1 In het klachtonderdeel onder III. wordt betrokkene verweten dat hij de activiteiten van klager in het samenwerkingsverband met betrokkene in de IB-aangiftes van klager ten onrechte heeft verwerkt in box 3 in plaats van in box 1, nu klager veel werkzaamheden heeft verricht aan de panden om ze rendabel te krijgen.

 

4.8.2 Betrokkene heeft betwist dat klager veel werkzaamheden heeft verricht aan de panden en gesteld dat deze daarom ook niet in box 1 hoefden te worden verantwoord, maar juist in box 3. Volgens betrokkene zou klager de onderhouds- en verbouwings-werkzaamheden telkens en vele malen door onderaannemers hebben laten uitvoeren, waarbij klager voornamelijk belast was met de directievoering. Omdat de onderhouds -en verbouwingswerkzaamheden toenamen, hebben klager en betrokkene in 2007 een besloten vennootschap opgericht, waarin zij personeelsleden hebben aangenomen, die deze werkzaamheden in het vervolg zouden verrichten.

 

4.8.3 De Accountantskamer is van oordeel dat in het midden kan blijven of de (inkomsten uit) de werkzaamheden van klager in diens aangifte IB in box 1 of in box 3 moesten worden verantwoord, reeds omdat betrokkene, die het blijkens zijn verklaring ter zitting zelf nodig vond deze kwestie telefonisch met een fiscalist te bespreken, heeft nagelaten bij de fiscus te rade te gaan en/of gedegen (schriftelijk) advies van een ter zake deskundige in te winnen. Door dit nalaten heeft betrokkene het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. juncto B1-210.7, 210.8 en 210.9 van de VGC geschonden en moet dit klachtonderdeel in zoverre gegrond worden verklaard.

 

4.9.1 In het klachtonderdeel onder IV. wordt betrokkene verweten a) dat hij weigert de gevoerde boekhouding en administratieve bescheiden volledig af te geven aan klager, ondanks vele en gespecificeerde verzoeken daartoe en b) dat hij zichzelf heeft bevoordeeld door zonder medeweten van klager aanzienlijk meer gelden aan de gezamenlijkheid te onttrekken dan klager.

 

4.9.2 Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij klager wel overzichten heeft verstrekt, maar niet jaarlijks, dat hij ook niet wist wat klager allemaal voor bankopnamen deed, dat de gezamenlijkheid hem veel werk opleverde, dat hem allemaal te veel is geworden en dat hij geen kasadministratie had bijgehouden omdat het op een gegeven moment zo’n massa was dat hij er geen zicht meer op had. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift betwist dat hij aanzienlijk meer gelden aan de gezamenlijkheid heeft onttrokken dan klager. Het ene jaar werd, aldus betrokkene, iets meer opgenomen door hem en het andere jaar weer door klager.

 

4.9.3 De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene heeft erkend dat de administratie niet volledig en adequaat was. Reeds daarom was hij niet in staat de boekhouding en administratieve bescheiden volledig aan klager af te geven. De onvolledigheid van de administratie is een gevolg van het hiervoor al een en andermaal besproken ontbreken van een behoorlijke schriftelijke vastlegging door betrokkene van zijn samenwerkingsverband met klager. In dat licht bezien mist het klachtonderdeel onder IV. ad a) naast de ter zake hiervoor reeds gegrond verklaarde klachtonderdelen zelfstandige betekenis en kan het verder onbesproken worden gelaten.

Gelet op de omstandigheid dat zowel betrokkene als klager opnamen heeft verricht en bij gebreke van een adequate boekhouding en van behoorlijke procedures dienaangaande, is niet dan wel onvoldoende vast te stellen dat betrokkene zichzelf heeft bevoordeeld door zonder medeweten van klager aanzienlijk meer gelden aan de gezamenlijkheid te onttrekken dan klager. Het klachtonderdeel onder IV. ad b) moet daarom ongegrond worden verklaard.

 

4.10.1 In het klachtonderdeel onder V. wordt betrokkene verweten dat hij van een op zijn advies opgerichte B.V., waarvan klager en betrokkene beiden 50% aandeelhouder zijn, de jaarrekening 2008 heeft gedeponeerd zonder dat klager, die bij de conceptcijfers zelfs vragen had gesteld die niet werden beantwoord, deze had goedgekeurd.

 

4.10.2 Betrokkene heeft zich tegen dit klachtonderdeel verweerd door te stellen dat hij deze cijfers heeft opgesteld en gedeponeerd in zijn hoedanigheid van directeur van de desbetreffende besloten vennootschap. Op grond van artikel 2:394 lid 3 BW dienden de publicatiestukken van 2008 vóór 1 februari 2010 te worden gedeponeerd. Volgens betrokkene is een vaststelling in een algemene vergadering van aandeelhouders niet gelukt, omdat de bestuurders en/of aandeelhouders (klager en betrokkene dus) omtrent de cijfers geen overeenstemming konden krijgen, hetgeen ook in de publicatiestukken van 2008 is vermeld. Hij heeft de stukken op een gegeven moment wel moeten deponeren, om het rechtsvermoeden van onbehoorlijk bestuur te voorkomen, waarbij klager als medebestuurder van de B.V. ook gebaat was.

 

4.10.3 De Accountantskamer is van oordeel dat dit verweer van betrokkene doel treft. Bij geen of onvoldoende overeenstemming over de jaarstukken bij de bestuurders is het immers opportuun die stukken toch te deponeren, zulks ter voorkoming van aansprakelijkheid van die bestuurders bij het achterwege laten daarvan. Het klachtonderdeel onder V. moet daarom ongegrond worden verklaard.

 

4.11.1 In het klachtonderdeel onder VI. wordt betrokkene verweten dat hij onvoldoende medewerking verleent aan de beëindiging/splitsing van de gezamenlijke ondernemings-activiteiten van hem en klager.

 

4.11.2 Betrokkene heeft zich te dezen op het standpunt gesteld dat hij juist wel voldoende heeft gedaan om tot een verdeling van de panden te komen, dat hij klager al twee voorstellen heeft gedaan en ook heeft getracht met klager in gesprek te blijven via de bewindvoerders en de advocaten.

 

4.11.3 Tot de vaste jurisprudentie van de Accountantskamer behoort inmiddels dat, behoudens bijzondere omstandigheden, het door een accountant in zijn zakelijke betrekkingen al dan niet in rechte innemen van een civielrechtelijk standpunt in het kader van de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit (artikel A-100.4 sub a. en sub e. juncto A-110.1 dan wel A-150.1 VGC) niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt kan leiden.[1] Van dergelijke bijzondere omstandigheden is onder meer sprake indien geoordeeld zou moeten worden dat een door een accountant ingenomen standpunt bewust en te kwader trouw onjuist of misleidend blijkt te zijn of naar haar aard bezien door een redelijke en goed geïnformeerde derde, die over alle relevante informatie beschikt, zal worden opgevat als schadelijk voor de goede naam van het accountantsberoep.Mede gelet op het feit dat door klager (in paragraaf 28 van de op 18 oktober 2010 binnengekomennadere omschrijving van de klacht)ter adstructie van het onderhavige klachtonderdeel onvoldoende elementen zijn aangevoerd die tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van betrokkene zouden kunnen opleveren, kan in het onderhavige geval naar het oordeel van de Accountantskamer niet met recht worden gesproken van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.Het klachtonderdeel onder VI. moet daarom ongegrond worden verklaard.

 

4.12.1In het klachtonderdeel onder VII. wordt betrokkene verweten dat hij klager onheus, onprofessioneel en belastend heeft bejegend. Ter adstructie van dit klachtonderdeel heeft klager in paragraaf 29van de op 18 oktober 2010 binnengekomennadere omschrijving van de klacht een aantal tegenover klager en anderen gedane uitlatingen van betrokkene over klager vermeld.

 

4.12.2 Betrokkene heeft de door klager te dezen gestelde feiten niet weersproken maar gesteld dat klager er hier ten onrechte van uitgaat dat betrokkene te dezer zake is opgetreden als registeraccountant en volgens betrokkene zou dit klachtonderdeel hierop afstuiten. Volgens betrokkene zou een door een registeraccountant in de privésfeer begane fout slechts klachtwaardig kunnen zijn, indien het een zodanig grove fout betreft dat van een misdrijf kan worden gesproken en dat is hier niet het geval.

 

4.12.3 Voor zover dit klachtonderdeel het verwijt behelst dat betrokkene andere cliënten van hem heeft betrokken bij de activiteiten die oorspronkelijk alleen door het samenwerkingsverband tussen hem en klager werden ontplooid, moet het gegrond worden geacht omdat het betrekken van die andere cliënten bij zijn zakelijke activiteiten, waarover hij met klager (ook een cliënt van hem) in conflict was, een onaanvaardbare aantasting van het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4 onder b. van de VGC vormt. Voorts moet het als zeer onprofessioneel en schadelijk voor de goede naam van het accountantsberoep - en aldus in strijd met het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 onder e. van de VGC - worden aangemerkt dat betrokkene die andere cliënten heeft ingelicht over de problemen die hij met klager had, nog daargelaten de bewoordingen waarin hij dat heeft gedaan. Ten slotte heeft betrokkene in een e-mail aan een advocaat van klager (met kopie aan klager zelf) gesteld:

“Door de heer B is aan de heer X en mijzelf een hypothecaire geldlening verstrekt groot Euro 200.000. Deze lening loopt af op 4 januari 2010. Ikzelf ben bereid mijn gedeelte (Euro 100.000,-) af te lossen door een nieuwe lening aan te gaan met een cliënt van mij. Gaarne verneem ik hoe de heer X  zijn gedeelte denkt af te lossen.”

Hier laat betrokkene, zoals terecht door klager aangevoerd, klager “zijn deel” van het probleem zelf maar oplossen en suggereert hij ten onrechte dat een deel van die lening van hemzelf en een deel ervan van klager zou zijn. Dit optreden van betrokkene kan geenszins als eerlijk en oprecht worden gekenschetst, zodat hier is sprake van schending van het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel A-100.4 onder a. van de VGC. Het klachtonderdeel onder VII. dient daarom gegrond te worden verklaard.

 

4.13.1In het klachtonderdeel onder VIII. wordt betrokkene verweten dat hij klager schade heeft berokkend doordat hij zijn verplichtingen uit de samenwerking niet is nagekomen. Klager heeft daartoe aangevoerd dat betrokkene:

  1. geen acties onderneemt bij huurachterstanden en weigert de huurprijzen in kaal+servicekosten te splitsen en de huurders geen jaarlijkse eindafrekening van de verbruikskosten verschaft;
  2. weigert redelijke voorstellen tot een splitsing te doen, waardoor klager hoge advocaat-kosten moest maken;
  3. weigert de bijgewerkte boekhouding en overige gevraagde gegevens in kopie af te geven;
  4. kennelijk voor zichzelf bedragen aan de gezamenlijkheid heeft onttrokken;
  5. plotseling de gezamenlijkheid ging factureren voor door hem verrichte werkzaamheden en voor rente;
  6. ten onrechte aantijgingen aan het adres van klager poneert.

 

4.13.2 Betrokkene heeft betwist dat hij bij veel huurders geen of veel te laat actie zou ondernemen bij maandenlange huurachterstanden. Volgens betrokkene heeft hij de huurprijzen ook wel gesplitst in kale huur en servicekosten. Klager heeft er zelf voor gekozen om een advocaat in te schakelen. Partijen hebben wel degelijk afgesproken dat betrokkene rente mag berekenen over het bedrag dat hij meer aan de gezamenlijkheid heeft geleend. Ook met betrekking tot personeel van het accountantskantoor hebben partijen afgesproken dat de voor de gezamenlijkheid gemaakte uren zouden worden doorberekend.

4.13.3 De Accountantskamer is van oordeel dat aan de in het onderhavige klachtonderdeel vervatte verwijten als hiervoor in 4.13.1 vermeld onder 1 t/m 4 en 6 in het licht van de andere reeds besproken - al dan niet gegrond geachte - klachtonderdelen geen zelfstandige betekenis toekomt. Dit klachtonderdeel kan op die punten dan ook verder onbesproken blijven.

Wat betreft het in dit klachtonderdeel onder 5 vermelde acht de Accountantskamer aannemelijk dat tussen betrokkene en klager een - al dan niet stilzwijgende - afspraak bestond dat zij elkaar over en weer geen facturen zouden sturen voor werkzaamheden ten behoeve van hun gezamenlijkheid. Immers, terwijl hun samenwerkingsverband al vanaf 2002 actief was, is betrokkene pas eind 2009 / begin 2010 begonnen met het zenden van facturen over de periode voordien naar klager. Dit kan niet als eerlijk en oprecht zaken doen worden gekenschetst en levert daarom een schending op van het fundamentele beginsel integriteit als bedoeld in artikel A-100.4 onder a. van de VGC. Het klachtonderdeel VIII. moet daarom in zoverre gegrond worden verklaard.

 

4.14.1 In de eerste van de onder 3.2 weergegeven “diverse overige klachten” wordt betrokkene verweten dat hijbuiten klager om een factuur heeft gemaakt op briefpapier van klager.

 

4.14.2 Betrokkene heeft hierover verklaard dat deze factuur boormachines betrof, die door klager waren gekocht om het personeel van B.V.1 mee te laten werken. Het aankoopbedrag is rechtstreeks door B.V.1 aan Z betaald. Omdat de nota op naam stond van het afbouwbedrijf van klager zou B.V.1 de voorbelasting niet kunnen verrekenen en daarom is er een onderlinge nota gemaakt.

 

4.14.3 Gelet op de reden die betrokkene heeft gegeven voor het - door hem erkende -buiten klager om opmaken van een factuur op briefpapier van klager, kan dit geen gegrond tuchtrechtelijk verwijt opleveren. De klacht hierover moet dan ook ongegrond worden verklaard.

 

4.15.1In de tweede van de onder 3.2 weergegeven “diverse overige klachten” wordt betrokkene verweten dat hijde gemaakte jaarrekeningen en gedane IB-aangiftes veelal niet juist heeft gedaan, nu in de aangiften 2005 en 2006 geen melding werd gemaakt van 50% belang van klager in de gelden van de gezamenlijkheid bij ABN-AMRO en Fortis, in de aangifte 2007 de bedragen onjuist zijn vermeld en in de aangifte 2007 de waarden van bepaalde in 2007 aangekochte panden niet zijn vermeld.

 

4.15.2 Voor zover deze klacht betrekking heeft op de IB-aangiftes 2005 en 2006, moet deze niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de laatste (die over 2006) is gedateerd op 23 juli 2007, zodat klager de onjuistheid daarvan meer dan drie jaren vóór het indienen van het onderhavige klaagschrift heeft geconstateerd, althans heeft kunnen constateren.

 

4.15.3 Betrokkene heeft één van de door klager gestelde onjuistheden in de aangifte over 2007 erkend en de andere niet expliciet betwist, maar de Accountantskamer acht de betekenis van deze omissies van betrokkene in het onderhavige geval zodanig gering, dat deze niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt kan leiden.

 

4.16.1In de derde van de onder 3.2 weergegeven “diverse overige klachten” wordt betrokkene verweten dat hijop 5 november 2009 en 6 januari 2010 klager opeens negen facturen voor werkzaamheden in de jaren 2000 t/m 2008 heeft gestuurd, terwijl hij veel eerder had medegedeeld dat hij deze werkzaamheden niet in rekening zou brengen omdat klager zoveel uren in de panden werkzaam was.

 

4.16.2 Betrokkene heeft weliswaar terecht gesteld dat hij ook jaarlijks accountantskosten heeft gereserveerd in de jaarrekening van klager, maar dat betrof aanzienlijk lagere bedragen dan die hij later bij klager heeft gedeclareerd. De Accountantskamer laat een verdere bespreking van deze klacht achterwege, bij gebreke van zelfstandige betekenis ervan in het licht van de hiervoor onder 4.13.1 onder 5 vermelde en in 4.13.3 besproken en gegrond geachte klacht.

 

4.17.1 Met betrekking tot de eerste van de uit de toelichting op de bijlagen 87 e.v. in de brief van de advocaat van klager van 29 december 2010 gedestilleerde nadere klachten, te weten dat betrokkene aan degene die werkzaamheden had verricht inzake de verbouwing van een pand van klager en betrokkene aan de [straat1] in Utrecht, heeft verzocht facturen op te stellen waarbij de BTW is verlegd en opdracht heeft gegeven om bij bestellingen van materialen voor de verbouwing van dat pand in de [straat1], bij de leveranciers de referenties op te geven van panden in de [straat2] en de [straat3], overweegt de Accountantskamer het volgende.

 

4.17.2 In de (als bijlage 88 namens klager overgelegde) e-mail van C aan klager van 28 december 2010 deelt deze C mede dat de werkzaamheden, genoemd in zijn facturen (overgelegd in bijlage 76 bij het klaagschrift, zo begrijpt de Accountantskamer) voor de [straat1] zijn verricht en dat hij, C, op deze facturen op verzoek van Y onjuist heeft vermeld: [straat3] 37 en [straat2] 7 en voorts, dat hij bij de inkoop van materialen voor de verbouwing van het pand in de [straat1] eveneens op verzoek van betrokkene als referentie de panden in de [straat2] en de [straat3] heeft opgegeven. Nu deze gang van zaken door of namens betrokkene niet althans onvoldoende is weersproken (en betrokkene daartoe gezien het tijdstip waarop de brief van 29 december 2010 hem heeft bereikt, wel voldoende gelegenheid heeft gehad), moet worden aangenomen dat deze zich zo heeft voorgedaan. Nu de bedoelde facturen in werkelijkheid werkzaamheden in of aan het (tot de gezamenlijkheid van klager en betrokkene behorende) pand in de [straat1] betroffen, had over die factuurbedragen - en over de aangekochte materialen voor die werkzaamheden - BTW moeten worden berekend en betaald. Nu dit niet is geschied, is de gezamenlijkheid ten onrechte financieel bevoordeeld met 19% van € 20.500,-- (het totaalbedrag van de overgelegde facturen) en is de fiscus met dat zelfde bedrag (€ 3.895,--) benadeeld. Nu dit op verzoek van betrokkene is geschied, moet worden geconcludeerd dat hij niet eerlijk zaken heeft gedaan en daarbij de waarheid geweld heeft aangedaan en zich voorts niet heeft gehouden aan de voor hem relevante wet- en regelgeving en dat een dergelijk (frauduleus) handelen zonder meer schadelijk is voor de goede naam van het accountantsberoep, zodat hem dit dient te worden aangerekend als een schending van de fundamentele beginselen van integriteit en van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 onder a. en e. (juncto hoofdstuk C-320) van de VGC. Dit klachtonderdeel is in zoverre dan ook gegrond te achten. Weliswaar is namens klager gesteld dat dit handelen van betrokkene ook schadelijk is geweest voor klager, maar dit is niet met stukken gestaafd of anderszins aannemelijk gemaakt en dit klachtonderdeel is wat dit betreft dan ook ongegrond.

 

4.18 Met betrekking tot de tweede tot en met de vierde van de uit de toelichting op de bijlagen 87 e.v. in de brief van de advocaat van klager van 29 december 2010 gedestilleerde nadere klachten, te weten dat betrokkene:

-        eenzijdig en in strijd met de afspraken huurders direct naar klager heeft verwezen voor het melden van problemen en daarbij een ongewenste en onzakelijke sfeer heeft gecreëerd,

-        aan een cliënt, althans diens houdstervennootschap, een door deze van hem gevorderd bedrag heeft betaald en daarmee hij de belangen van een andere cliënt heeft laten prevaleren boven die van klager, teneinde die cliënt daarmee in zijn kamp te trekken en

-        zich kennelijk ook tegenover een andere cliënt negatief over klager heeft uitgelaten,

overweegt de Accountantskamer dat deze klachtonderdelen zelfstandige betekenis missen in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.12.1 t/m 4.12.3 reeds is overwogen met betrekking tot het door betrokkene schenden van het fundamentele beginsel van objectiviteit en dat daarom een nadere bespreking van deze klachtonderdelen hier achterwege kan blijven.

 

4.19.1 Aangaande de vijfde van de uit de toelichting op de bijlagen 87 e.v. in de brief van de advocaat van klager van 29 december 2010 gedestilleerde nadere klachten, te weten dat betrokkene loonstroken van een werknemer van het bedrijf van klager heeft “aangepast” ter verkrijging van een financiering door deze werknemer, heeft betrokkene ter zitting verklaard:

-        dat de hier bedoelde werknemer een schoonzoon van klager is, die aanvankelijk werkte voor een onkostenvergoeding, waarbij hem wel een bestelbus en gereedschap ter beschikking werd gesteld,

-        dat die onkostenvergoeding op een gegeven moment is omgezet in een nettoloon,

-        dat de aanvankelijke gang van zaken voor de fiscus met een suppletie-aangifte is gecorrigeerd en

-        dat overigens het personeel onder de verantwoordelijkheid van klager viel.

Tegenover deze - door klager onweersproken - verklaringen van betrokkene is de tucht-rechtelijke verwijtbaarheid van het in dit verband door betrokkene aanpassen van loonstroken niet aannemelijk geworden en moet dit klachtonderdeel dan ook ongegrond worden geacht.

 

4.20 Op grond van artikel 2 Wtrakan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij het bepalen van de zwaarte van de op te leggen maatregel wordt in aanmerking genomen de aard en grote ernst van de hiervoor omschreven schendingen van de fundamentele beginselen ‘integriteit’, ‘objectiviteit’, ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ en ‘professioneel gedrag’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder a., b., c. en e. van de VGC, alsmede de omstandigheid dat betrokkene ter zitting onvoldoende blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Deze schendingen zijn naar het oordeel van de Accountantskamer zodanig ernstig dat, alles in aanmerking nemende, het passend en geboden is de doorhaling van betrokkenes inschrijving in het register te gelasten en daarbij de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven, op tien jaren te bepalen.

 

4.21.1 De Accountantskamer merkt ten overvloede nog het navolgende op.

 

4.21.2 Klager heeft ter zitting met betrekking tot laatstvermeld klachtonderdeel en het door betrokkene dienaangaande gestelde verklaard dat het personeel dat de verbouwingen deed aanvankelijk zwart werd uitbetaald met gelden uit contante opnames van de door klager en betrokkene aangehouden gemeenschappelijke rekening. Betrokkene heeft hierop ter zitting erkend dat hij wist dat er zwarte lonen werden uitbetaald. Daarenboven is ter zitting door klager gesteld dat betrokkene hem had medegedeeld dat hij met opzet een rommel had gemaakt van de stukken van de administratie van hun samenwerkingsverband voor het geval er een belastingcontrole zou komen. Dit laatste is evenmin door betrokkene weersproken.

 

4.21.3 De Accountantskamer merkt op dat naar haar oordeel een accountant, die actief betrokken is bij het uitbetalen van zwarte lonen en voorts doelbewust een administratie oncontroleerbaar houdt, ernstig in strijd handelt met de voor hem geldende gedrags- en beroepsnormen.

Echter, klager heeft voormelde mededelingen pas ter zitting gedaan, zulks ter toelichting en ondersteuning van een ander klachtonderdeel. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat klager over het hiervoor onder 4.21.2 gestelde geen klacht heeft ingediend.

 

4.21.4  De Accountantskamer heeft al eerder aangegeven dat het haar, anders dan vóór invoering van de Wtra, volgens de wetsgeschiedenis[2] vrijstaat klachten ambtshalve aan te vullen, ook indien er geen sprake is van een verplichte ambtshalveaanvulling ingevolge artikel 22 Wtra, vijfde lid juncto artikel 31 Wet toezicht accountantsorganisaties.

Nu de Accountantskamer echter in verband met de al wel gegrond geachte klachtonderdelen tot oplegging van de zwaarst mogelijke maatregel heeft besloten, is het niet opportuun tot een dergelijke ambtshalve aanvulling over te gaan. Daarbij komt dat betrokkene na de mondelinge behandeling alsnog heeft aangegeven zijn erkenning ter zitting te willen intrekken, althans aan te passen, en ter zake nader verweer te willen voeren. Mede gezien het tijdstip waarop klager deze feiten heeft aangedragen, kan de Accountantskamer zich voorstellen dat betrokkene te zeer verrast was om adequaat ter zitting te reageren, zodat, gezien de zwaarte van de verweten gedraging, nader onderzoek geboden zou zijn.

Mogelijkerwijs ligt hier een taak voor (de voorzitter van) het NIVRA.

 

4.22Zodra deze uitspraak onherroepelijk geworden is en de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd dienende AFM, de voorzitter van het NIVRA dan wel de voorzitter van de NOvAA ingevolge artikel 9, tweede lid juncto 47 Wtra, ervoor zorg te dragen dat de opgelegde maatregel in het register wordt opgenomen, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.

 

4.23 Op grond van al het hiervoor overwogene dient als volgt te worden beslist.

 

5. Beslissing

 

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht niet-ontvankelijk in de onderdelen, betrekking hebbende op handelen en/of nalaten van betrokkene dat meer dan zes jaren voor het indienen van het klaagschrift (op 16 september 2010) heeft plaatsgehad, dan wel meer dan drie jaren voor die datum door klager als tuchtrechtelijk verwijtbaar is geconstateerd, eenen ander zoals hiervoor omschreven;

·       verklaart de klacht ongegrond in de onderdelen als hiervoor aangeduid;

·       verklaart de klacht gegrond in de onderdelen en in voege als hiervoor omschreven;

·       legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant in het register als bedoeld in artikel 1, onder j. Wtra, welke doorhaling ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden èn de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;

·       bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven op 10 (tien) jaren;

·       verstaat dat de AFM, de voorzitter van het NIVRA dan wel de voorzitter van de NOvAA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak èn de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in het register als bedoeld in artikel 1, onder j. Wtra,voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.

 

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mrs. M.J. van Lee en E.F. Smeele, rechterlijke leden, drs. R.G. Bosman RA en A.M.H. Homminga AA, accountantsleden, in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2011.

 

 

 

 

 

_________                                                                          __________

secretaris                                                                               voorzitter

 

 

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:                                      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingevolge de artikelen 43 Wtra en 32 Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 kan/kunnen klager en/of  betrokkene, dan wel de voorzitter van het NIVRA tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan hoger beroep instellen door het indienen van een ondertekend beroepschrift dat de gronden van het beroep dient te bevatten, bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s‑Gravenhage.

 


[1] Zie onder meer de eerdere uitspraken van de Accountantskamer van 2 juli 2010 (Wtra 10-563), 13 juli 2010 (Wtra 10-192), 13 juli 2010 (Wtra 09-2073) en 5 november 2010 (Wtra 10/543).

[2]Zie daarvoor de memorie van toelichting bij de Wtra, hoofdstuk 2, onderdeel “De omvang van de tuchtprocedure”, eerste alinea.

RA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens