Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TNORAMS:2015:5
Datum uitspraak:
13-01-2015
Datum publicatie:
13-02-2015
Zaaknummer(s):
557414/NT14-2P 564762/NT14-32SP
Onderwerp:
Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Klacht niet-ontvankelijk Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Klacht over - kort gezegd - onjuiste advisering inzake een nalatenschap - is deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond; de andere klacht - over partijdig en onzorgvuldig handelen met betrekking tot een overeenkomst van geldlening - is in zijn geheel niet-ontvankelijk.

 

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

 

Beslissing van 13 januari 2015in de klachten met nummers 557414/NT 14-2 SP en  564762/NT 14-32 SP van:

 

[klager],

wonende te [woonplaats],

raadsman: mr. M.W.G. Castelijns,

klager,

 

tegen:

 

[de oud-notaris],

oud-notaris te [vestigingsplaats],

de oud-notaris,

raadsman: mr. P.J. de Jong Schouwenburg.

 

 

1. Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

-       klaagschrift met bijlagen van 10 januari 2014;

-       verweerschrift met bijlagen van 27 februari 2014;

-       repliek met bijlagen van 27 maart 2014;

-       dupliek van 6 juni 2014;

-       klaagschrift met bijlage van 5 mei 2014;

-       verweerschrift met bijlage van 6 juni 2014.

 

Bij de mondelinge behandeling van de klachten op 13 november 2014 zijn verschenen: de raadsman van klager en de oud-notaris, bijgestaan door zijn raadsman. Op de zitting hebben de raadslieden en de oud-notaris het woord gevoerd, de raadsman van de oud-notaris aan de hand van een pleitnotitie.

De uitspraak is bepaald op heden.

 

2. De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klachten van belang zijnde feiten en omstandigheden:

a.   Op 29 december 2009 heeft de oud-notaris een ‘akte van levering registergoed’ verleden ten aanzien van het woonhuis met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, aan de [adres registergoed] en een perceel grond, grenzend aan voornoemd registergoed. De broer van klager, [naam broer] (hierna ook: Jan) trad op als verkoper en klager als koper.

b.  In voornoemde akte is voor de betaling van de koopprijs het volgende opgenomen:

“a.De koopprijs van het verkochte bedraagt: tweemiljoen driehonderdvijftigduizend euro

(€ 2.350.000,00), van welk bedrag een gedeelte ad eenmiljoen driehonderd vijftigduizend euro

(€ 1.350.000,00) door koper is voldaan door storting op de rekening van (…….)Notarissen [vestigingsplaats];(...)

b. Verkoper en koper zijn terzake van het resterend gedeelte van de koopprijs ad eenmiljoen euro (€ 1.000.000,00) overeengekomen dat de verplichting van koper tot betaling van dit resterend gedeelte van de koopprijs bij deze akte teniet wordt gedaan onder gelijktijdige indeplaatsstelling van deze tenietgegane verbintenis voor koper om wegens geldlening aan verkoper te voldoen een bedrag van eenmiljoen euro (€ 1.000.000,00). Derhalve is aan de verplichting van koper tot betaling van de koopprijs voor het verkochte voldaan; verkoper verleent koper daarvoor kwijting.

c. Koperheeft in verband met het voorafgaande verklaard schuldig te zijnaan verkopereen bedrag groot eenmiljoen euro (€ 1.000.000,00) (de Geldlening) welke schuldigerkenning door verkoper is aanvaard.

De Geldlening dient uiterlijk te zijn afgelost op één december tweeduizend veertien of zoveel eerder, binnen negentig dagen na het overlijden van de moeder van Verkoper en Koper,door storting op de kwaliteitsrekening van [naam notariskantoor],notarissen te [vestigingsplaats].

Vervolgens kan de aflossing eerst aan verkoperwordenovergemaakt na royement van de mede op heden door koper te vestigen hypothecaireinschrijving op het bij deze verkochte tot eenmiljoen euro (€1.000.000,) met rente enkosten ten behoeve van de ABN Amrobank N.V., gevestigd te Amsterdam, voor de voldoeningvan al hetgeen verkoper, de heer [naam broer klager]voornoemd, aan de Bank blijkens haaradministratie nu of te eniger tijd mocht blijken verschuldigd te zijn (de “ABN Amrobankhypotheek”).

De overige voorwaarden waaronder de Geldlening is aangegaan zullen separaat tussen Verkoper en Koper worden vastgesteld.”

c.    In eerste instantie was het de bedoeling dat Jan aan klager een geldlening zou verstrekken van € 1.000.000,-- en dat klager aan Jan een geldlening zou verstrekken van€ 500.000,- . Beide geldleningen zouden opeisbaar zijn binnen 90 dagen na overlijden van de moeder van Jan en klager. Tijdens onderhandelingen voorafgaand aan het passeren van de akten op 29 december 2009 is de geldlening van klager aan Jan verhoogd naar

€ 1.000.000,- in verband met de verhoging van de verkoopprijs van de aandelen van [X] B.V. (door klager aan Jan verkocht) met € 500.000,-.

d.  In de onderhandse overeenkomst van geldlening tussen Jan en klager van29 december 2009 is door de oud-notaris de volgende bepaling opgenomen:

“3. De hoofdsom van de lening dient uiterlijk te zijn afgelost op één decembertweeduizend veertienof zoveel eerder, binnen negentig dagen na het overlijden van demoeder van de Schuldenaaren Schuldeiser,door storting op de kwaliteitsrekening van [naam notariskantoor], notarissen te [vestigingsplaats].Vervolgens kan de aflossing eerst aan Schuldeiser worden overgemaakt na royement van

de in artikel 2 lid 1 sub b van voormelde akte dd. 29 december 2009 omschrevenhypothecaire inschrijving ten behoeve van de ABN Amrobank N.V.”

e.   Op 24 maart 2010 is de moeder van klager, mevrouw [naam] (hierna: erflaatster), overleden.

f.   Erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament verleden door notaris

[naam andere notaris] op 7 oktober 2008. In het testament heeft erflaatster de zuster van klager, [naam zuster], benoemd tot executeur.

g.  De erfgenamen van erflaatster zijn Jan, [naam zuster] (hierna: de executeur) en klager (hierna samen: de erfgenamen).

h.  Op 7 april 2010 heeft de oud-notaris de akte ‘verklaring van executele’ verleden, waarin is vermeld dat de executeur zelfstandig bevoegd is om de nalatenschap te beheren overeenkomstig hetgeen in de verklaring is opgetekend.

i.    Op 27 december 2010 is door [A] B.V. een ‘overzicht nalatenschap’ opgesteld.

j.    Op 28 december 2010 heeft de oud-notaris in een e-mailbericht aan de erfgenamen onder meer het volgende geschreven:“(…) Op basis van dit overzicht(het overzicht hiervoor onder 2i. vermeld, KN)heb ik een concept akte van verdeling gemaakt welke jullie als bijlage aantreffen. (…) Voor de bijzondere bepalingen voor de toedeling van het woonhuis van Jan is een aparte overeenkomst bijgevoegd. Jan heeft mij medegedeeld bereid te zijn op basis van bovengenoemd overzicht de nalatenschap af te wikkelen en kwijting en decharge te verlenen.

Het door hem te betalen bedrag groot EUR 402.873,00 is inmiddels op mijn kwaliteitsrekening ontvangen. Voor wat betreft de doorhaling van de ABN Amro hypotheek ben ik nog in afwachting van de bevestiging daartoe van de bank. Jan heeft te kennen gegeven dat tegelijkertijd met de doorhaling van de hypotheek van [klager] medewerking wordt verlangd aan de wijziging tenaamstelling van de gezamenlijke rekening bij ABN Amro Bank en overzetting van de huurovereenkomst uitweg [naam weg] (..). Tevens wenst hij alleen te mogen beschikken over het terugkooprecht met betrekking tot het woonhuis [naam weg]. Voor wat de beide portretten in opslag stelt Jan voor dat [klager] het mannenportret in eigendom houdt en Jan het vrouwenportret. Jan wenst dat het vorenstaande allemaal tegelijk wordt afgewikkeld om er in een keer uit te komen. Hij heeft mij medegedeeld dat bij gebreke daarvan hij zijn aanbod om af te wikkelen op vorenstaande wijze, intrekt.”

k.  Namens klager heeft zijn adviseur, de heer [naam](hierna: de adviseur van klager), aan de oud-notaris in een e-mailbericht op 6 januari 2011 geschreven: “(…) In mijn mail van dinsdag 11:43 uur herhaalde ik de toestemming van [klager] aan de afwikkeling, mits de hypotheekdoorhaling zou zijn geëffectueerd. Op 29 december 2010 verleende ABN AMRO Bank jouw kantoor volmacht om de doorhaling te effectueren. (…) In deze volmacht van de ABN AMRO Bank staan geen aanvullende voorwaarden vermeld. Daarbij komt dat de enige partijen in dezen zijn ABN AMRO Bank als schuldeiser en [klager] als rechthebbende van de bezwaarde goederen. Een roiementsvolmacht wordt afgegeven aan de rechthebbende en niet aan de schuldenaar.

Jan is dus geen partij en kan geen voorwaarden verbinden. Nu de schuldeiser uitdrukkelijk heeft vastgelegd deze zekerheid niet langer te verlangen, verzoek ik je de doorhaling heden te effectueren, waarna [klager] geen enkele voorwaarde aan de afwikkeling van de boedel verbindt.(…)”

l.    Op 11 januari 2011 heeft de oud-notaris de ‘akte van verdeling’ verleden.

Tot de nalatenschap van erflaatster behoorde het woonhuis met erf, schuur en toebehoren, staande en gelegen aan de [naam weg en plaats]. In een ‘overeenkomst tot verdeling woonhuis’, getekend door partijen op 11 januari 2011, zijn de erfgenamen overeengekomen dat het woonhuis wordt toegedeeld aan Jan. In de akte van verdeling wordt het woonhuis aan Jan geleverd.Artikel IV van voornoemde akte van verdeling luidt als volgt:

“IV VERKRIJGINGEN/VERREKENINGEN

(..) Te ontvangen door [de zuster van klager] (..) (EUR 307.330,00);

Te ontvangen door [klager] (..) (EUR 317.922,00)

Te voldoen door Jan (..) (EUR 402.873,00) (..)”

m.Bij beslissing van 15 april 2014 zijn twee klachten van klager en twee klachten van zijn partner, mevrouw [naam], alle gericht tegen de oud-notaris door de kamer voor het notariaat gegrond verklaard. Tegen deze beslissing is door de oud-notaris hoger beroep ingesteld.

 

3. De klachten

3.1 De klachtonderdelen van de klacht met nummer 557414/NT 14-2 SP zijn:

3.1.1 De oud-notaris heeft niet gehandeld als een redelijk vakbekwaam en redelijk handelend notaris. De verklaring van executele (van 7 april 2010) en de akte van verdeling (van 11 januari 2011) zijn juridisch onder de maat. De oud-notaris kent de deontologische regels van het (nieuwe) erfrecht niet, hetgeen volgens klager blijkt uit de als bijlage 11 bij het klaagschrift gevoegde notitie van prof. mr. M.J.A. van Mourik, waarnaar klager in zijn klacht verwijst.

 

3.1.2 De oud-notaris heeft zich niet ingeschreven in het boedelregister.

 

3.1.3 De oud-notaris heeft geen toelichtende brief gestuurd aan de erfgenamen met de keuzemogelijkheden ten aanzien van het aanvaarden van de nalatenschap.

 

3.1.4 De oud-notaris heeft geen kopie van de akte van executele aan Jan en klager gezonden.

 

3.1.5 De oud-notaris heeft ten onrechte geweigerd een specificatie te sturen van zijn werkzaamheden als boedelnotaris. Gelet op de inhoud van de overeenkomst tot verdeling woonhuis is klager van mening dat hij niet hoeft te betalen voor de door de oud-notaris opgestelde akte van verdeling. Klager meent dat de kosten van deze werkzaamheden van de oud-notaris voor rekening van Jan zijn.

 

3.1.6 De oud-notaris heeft de executeur onjuist geadviseerd ten aanzien van:

  1. aan klager toebehorende schilderijen;
  2. de teruggave erfbelasting.

Ad 1: Twee van door klager in september 2002 op de veiling gekochte schilderijen (‘de twee oude gekken’) hingen in het huis van erflaatster. De oud-notaris heeft de executeur geadviseerd de schilderijen, over de eigendom waarvan tussen Jan en klager discussie bestond, op te slaan bij een specialist. Toen de executeur van het opslagcontract af wilde, heeft klager de oud-notaris verzocht om de schilderijen in beheer te houden. De oud-notaris heeft geweigerd daaraan mee te werken. Uiteindelijk heeft de executeur de schilderijen verdeeld zoals geëist door Jan, één voor Jan en de andere voor klager. Klager verwijt de oud-notaris dat hij met betrekking tot de schilderijen eerst de regie naar zich heeft toegetrokken om vervolgens de regie uit handen te geven: volgens klager heeft de oud-notaris daardoor partijdig gehandeld ten nadele van klager.

 

Ad 2: De oud-notaris heeft de executeur geadviseerd de teruggave van teveel betaalde erfbelasting van klager niet terug te betalen aan klager, maar zelf te houden.

Ten onrechte heeft de oud-notaris in de akte van verdeling geen bepaling opgenomen over het bezwaar tegen de oorspronkelijke aanslag en de teruggave.

 

3.1.7 Bij repliek heeft klager zijn klacht aangevuld. De oud-notaris heeft partijdig gehandeld door in zijn e-mailbericht van 28 december 2010 namens Jan voorwaarden te koppelen aan het gebruik van de royementsvolmacht van de ABN Amro Bank.

 

3.2 De klachtonderdelen van de klacht met nummer 564762/NT 14-32 SP zijn:

3.2.1 De oud-notaris heeft partijdig gehandeld ten gunste van Jan, door nimmer Jan te rappelleren aan de aflossingstermijn van 90 dagen na overlijden van erflaatster, opgenomen in de akte van levering registergoed [naam weg en plaats] en de onderhandse overeenkomst van geldlening van 29 december 2009.

 

3.2.2 Het royement is pas 280 dagen na het overlijden van erflaatster door de oud-notaris ontvangen van de ABN Amro Bank en Jan.

 

3.2.3 De betaling en de aflossing heeft niet plaatsgevonden op de derdengeldrekening van de oud-notaris, terwijl dat wel in voornoemde akte en de overeenkomst van geldlening is bepaald.

 

3.2.4 De oud-notaris heeft verzuimd om in een akte vast te leggen dat de hypothecaire geldlening is doorgehaald.

 

3.2.5 Klager meent dat, gelet op de uitspraken van de kamer van 15 april 2014, sprake is van recidive in partijdig gedrag, slordige ambtsuitoefening en het niet als redelijk vakbekwaam notaris handelen.

 

4. Het verweer

In beide klachten heeft de oud-notaris gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. 

 

5. De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De oud-notaris is gedefungeerd met ingang van 15 juli 2012.

Notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn, blijven aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig inartikel 93 lid 1 Wna bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren (artikel 93 lid 2 Wna).

De kamer dient in alle hierna te bespreken zaken te beoordelen of de handelwijze van de oud-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van artikel 93 lid 1 Wna oplevert.

 

5.2 De kamer gaat in de eerste plaats in op de ontvankelijkheid van klager in zijn klachten. Artikel 99 lid 15 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen.

Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis [Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12] als volgt verwoord:

 

“[...] De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. [...]”

 

Hieruit volgt dat deze vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan een klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

De klacht dateert van 10 januari 2014. Dat betekent dat de termijn om een klacht in te dienen is vervallen ten aanzien van handelen of nalaten van de oud-notaris dat heeft plaatsgevonden en waarvan klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis had kunnen nemen vóór 11 januari 2011.

 

5.3 De kamer is van oordeel dat op grond van artikel 99 lid 15 Wna voornoemd, klager niet kan worden ontvangen in de volgende klachtonderdelen van de klacht met nummer 557414/NT 14-2 SP:

  1. De verwijten van klager met betrekking tot de op 7 april 2010 verleden verklaring van executele, hiervoor onder 3.1.1 genoemd.
  2. Het niet inschrijven in het boedelregister, hiervoor onder 3.1.2 genoemd.
  3. Het niet zenden van een toelichtende brief aan de erfgenamen met betrekking tot de aanvaarding van de nalatenschap, hiervoor onder 3.1.3 genoemd.
  4. Het niet zenden van een kopie van de verklaring van executele aan Jan en klager, hiervoor genoemd onder 3.1.4.
  5. Partijdig handelen, hetgeen zou blijken uit het e-mailbericht van 28 december 2010 (gericht aan de erfgenamen), hiervoor genoemd onder 3.1.7.

Erflaatster is op 24 maart 2010 overleden. Vast staat dat de oud-notaris (kort) daarna als notaris bij de afwikkeling van de nalatenschap is betrokken (en dat klager daartegen geen bezwaar heeft gemaakt), maar zich toen niet als boedelnotaris heeft ingeschreven in het (openbare) boedelregister en de erfgenamen geen toelichtende brief heeft gezonden.

Na afgifte van de  verklaring van executele aan de executeur op 7 april 2010 heeft hij klager van die afgifte op de hoogte gesteld, maar geen kopie daarvan gezonden aan Jan en klager. Er is ten aanzien van voornoemde klachtonderdelen aldus sprake van handelen of nalaten van de oud-notaris waarvan klager vóór 11 januari 2011 heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis had kunnen nemen.

 

5.4 In het klachtonderdeel, genoemd onder 3.1.1 hiervoor met betrekking tot de akte van verdeling (van 11 januari 2011), verwijst klager naar de notitie van prof. mr. M.J.A. van Mourik, als bijlage 11 bij de klacht gevoegd. Voor zover klager heeft bedoeld op grond van die notitie de oud-notaris verwijten te maken, anders dan uitdrukkelijk in de klacht zelf vermeld, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard, aangezien van klager had mogen worden verwacht dat hij deze specifiek in het klaagschrift had vermeld en toegelicht.   

 

5.5 In de klacht met nummer 564762/NT 14-32 SP geldt dat de in overweging 5.2 genoemde termijn naar het oordeel van de kamer is vervallen voor de onder 3.2.1 tot en met 3.2.4 vermelde klachtonderdelen.

De kamer stelt vast dat klager op de hoogte was van de 90 dagentermijn voor het aflossen van hetgeen Jan aan klager was verschuldigd, omdat klager partij was bij de akte van levering registergoed [naam weg en plaats] en de overeenkomst van geldlening van29 december 2009.

Uit het e-mailbericht van de notaris van 28 december 2010 en het e-mailbericht van de adviseur van klager aan de oud-notaris van 6 januari 2011 blijkt dat klager bekend was met het feit dat niet binnen 90 dagen was afgelost. Het royement heeft kennelijk op 6 januari 2011 plaatsgevonden, aangezien er op dat moment 280 dagen waren verstreken sedert het overlijden van erflaatster. Ten aanzien van het nalaten van de oud-notaris, hiervoor genoemd in de klachtonderdelen 3.2.3 en 3.2.4 geldt naar het oordeel van de kamer dat klager daarvan redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen, direct nadat het royement had plaatsgevonden. Ook dat moment is nog vóór 11 januari 2011 gelegen.

 

5.6 Voor zover hij klaagt over akten waarover de kamer zich reeds bij beslissing van15 april 2014 heeft uitgesproken, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard. Het is vaste rechtspraak van de notariskamer van het hof Amsterdam dat het strafrechtelijke beginselne bis in idem - inhoudende dat niemand mag worden berecht of gestraft voor hetzelfde feit waarover reeds bij definitieve einduitspraak is beslist - ook van toepassing is binnen het notariële tuchtrecht.

 

5.7 Ook ten aanzien van het klachtonderdeel hiervoor genoemd onder 3.2.5 wordt klager niet-ontvankelijk verklaard. Klager klaagt niet over handelen van de oud-notaris dat heeft plaatsgehad na 15 april 2014, de datum van de beslissing van de kamer, maar over handelen van de notaris dat (ver) voor die datum heeft plaatsgevonden. Van recidive in tuchtrechtelijke zin is dus al op deze grond geen sprake.

 

5.8 De kamer komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van de in de klacht met nummer 557414/NT 14-2 SP overgebleven punten, de klachtonderdelen hiervoor genoemd onder 3.1.5 en 3.1.6.

 

5.9 Naar het oordeel van de kamer kon de oud-notaris volstaan met het afgeven van een specificatie aan de executeur, omdat een executeur als aanspreekpunt geldt voor de erfgenamen. Dat de oud-notaris naar aanleiding van het verzoek van klager om een specificatie hem daarvoor heeft verwezen naar de executeur levert geen klachtwaardig handelen van de oud-notaris op. Het klachtonderdeel, hiervoor genoemd onder 3.1.5 wordt daarom ongegrond verklaard.

 

5.10 Gelet op het feit dat alle erfgenamen het erover eens waren dat de schilderijen die in het huis van erflaatster hingen niet tot de boedel van de nalatenschap behoorden kan in het kader van de afwikkeling van de boedel naar het oordeel van de kamer de oud-notaris geen verwijt worden gemaakt en dient zijn advies aan de executeur om de schilderijen op te slaan bij een specialist - mede gelet op de strijd tussen de beide broers over die schilderijen - te worden gezien als een goedbedoelde raad. Zelfs indien zou worden aangenomen dat dit een daad was van de executeur die in het kader van de boedelafwikkeling werd uitgevoerd op advies van de boedelnotaris, houdt dat naar het oordeel van de kamer nog niet de plicht in voor de oud-notaris om - op verzoek van klager - de schilderijen zelf in beheer te houden op het moment dat de executeur het opslagcontract wilde beëindigen.

Dit klachtonderdeel wordt daarom ook ongegrond verklaard.

 

5.11 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de oud-notaris verklaard dat hij de executeur niet heeft geadviseerd om de teruggave van de erfbelasting zelf te houden, maar dat hij haar, toen zij hem die suggestie deed, wel heeft gezegd dat hij dat redelijk zou vinden, gezien de tijd die de executeur in de afwikkeling van de nalatenschap had gestoken, en dat hij haar heeft gezegd dat zij dat verder met haar broers moest bespreken. Voor zover deze uitlating van de oud-notaris als advies aan de executeur zou moeten worden opgevat, acht de kamer dat niet klachtwaardig.

Ook is de kamer van oordeel dat het enkele niet opnemen in de akte van verdeling van een bepaling ter zake van het bezwaar tegen de oorspronkelijke aanslag en de teruggave niet klachtwaardig is, mede gelet op het feit dat de erfgenamen met dat bezwaar en de mogelijkheid van teruggave bekend waren.

 

5.12 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

 

 

Beslissing

 

De kamer voor het notariaat:

 

-       verklaart de klacht met nummer 557414/NT 14-2 SP deels niet-ontvankelijk, zoals hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen;

-       verklaart de klacht met nummer 557414/NT 14-2 SP voor het overige ongegrond;

-       verklaart de klacht met nummer 564762/NT 14-32 SP niet-ontvankelijk.

 

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.P. Pompe, voorzitter, E.R.S.M. Marres,

E.E. von Wolzogen Kühr, J.P. van Harseler en A.J.H.M. Janssen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.T. Kienhuis, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2015.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens