Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TADRSGR:2019:197
Datum uitspraak:
16-09-2019
Datum publicatie:
22-10-2019
Zaaknummer(s):
19-272/DH/RO
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Waarschuwing Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Klacht over eigen advocaat. Door het vonnis niet tijdig naar cliënten door te sturen hebben verweerders in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die van behoorlijk handelende advocaten mag worden verwacht. Maatregel van waarschuwing.

Rotterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 16 september 2019

in de zaken 19-271/DH/RO en 19-272/DH/RO

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klagers

 

over:

 

verweerders.

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 25 juli 2018 heeft klager 1 mede namens de andere klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerders.

1.2    Bij brief aan de raad van 8 april 2019 met kenmerk R 2019/23 edl/mb, door de raad ontvangen op 9 april 2019, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 15 juli 2019 in aanwezigheid van verweerders. Namens klagers is niemand verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Verweerders zijn kantoorgenoten en zij hebben klagers bijgestaan in een procedure bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) over onder meer de kadastrale erfgrens op de percelen van klagers.

2.2    Bij vonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank klagers veroordeeld tot onder meer verwijdering van bomen en ontruiming van stroken grond op straffe van verbeurte van dwangsommen.

2.3    Verweerders hebben het vonnis van de rechtbank niet naar klagers doorgestuurd.

2.4    Na afloop van de hogerberoepstermijn heeft de wederpartij van klagers het vonnis van de rechtbank aan klagers laten betekenen.

2.5    Verweerster heeft een e-mail naar klager 1 gestuurd over de gevolgen van het vonnis voor klagers. In deze e-mail is per klager vermeld welke actie moet worden ondernomen om aan het vonnis te voldoen en of daaraan een dwangsom is verbonden.

2.6    Klagers hebben verweerders aansprakelijk gesteld voor het niet doorsturen van het vonnis. Verweerders hebben de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar hun beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet doordat zij:

a)    het vonnis van de rechtbank niet aan klagers hebben doorgestuurd waardoor klagers hiermee pas na het verstrijken van de hogerberoepstermijn  bekend zijn geworden;

b)    niet tijdig in hoger beroep zijn gegaan van het vonnis van de rechtbank, terwijl verweerders wisten dat dit de wens van klagers was bij een voor hen negatief vonnis;

c)    onvoldoende met klagers hebben meegedacht over de mogelijkheden om de schade te beperken en klagers daarbij niet hebben begeleid.

3.2    De stellingen die klagers aan de klachtonderdelen ten grondslag hebben gelegd, zullen hierna, voor zover nodig, worden besproken.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerders hebben tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd, op welk verweer de raad hierna, voor zover nodig, zal ingaan. 

 

5    BEOORDELING

5.1    Voorop staat dat de tuchtrechter de kwaliteit van de dienstverlening in volle omvang toetst. De tuchtrechter houdt daarbij rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor hij bij de behandeling van een zaak kan komen te staan. Die vrijheid en die keuzes zijn niet onbegrensd, maar worden beperkt door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld. Die eisen brengen met zich dat het werk van de advocaat dient te voldoen aan wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt dat de advocaat handelt met de zorgvuldigheid die in de gegeven omstandigheden van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Deze maatstaf brengt mee dat de tuchtrechter bij een klacht over de door de advocaat geleverde kwaliteit een eigen oordeel vormt.

Klachtonderdeel a

5.2    Klagers verwijten verweerders dat zij het vonnis van de rechtbank niet naar hen hebben doorgestuurd.

5.3    Verweerders hebben erkend dat het niet doorsturen van het vonnis aan klagers een beroepsfout is. Volgens verweerders is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, maar van een administratieve omissie.

5.4    De raad is van oordeel dat verweerders, door het vonnis niet aan klagers door te sturen, in strijd hebben gehandeld met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Verweerders waren gehouden om klagers het vonnis, mede gelet op de hogerberoepstermijn, tijdig toe te sturen zodat zij hiervan kennis konden nemen en bij verweerders of derden advies konden inwinnen over de kansen van een eventueel hoger beroep. Het standpunt van verweerders dat verweerder het vonnis en de kansen van een hoger beroep mondeling met klager 1 heeft besproken, is door klager 1 weersproken. Nu verweerders het door hen gestelde gesprek niet schriftelijk hebben vastgelegd en ook overigens niet hebben aangetoond dat verweerder met klager 1 in persoon dan wel telefonisch over het vonnis en de mogelijkheid van hoger beroep heeft gesproken, is niet komen vast te staan dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden. Dat verweerders, zoals zij ter zitting hebben aangevoerd, klagers al in meerdere gerechtelijke procedures hebben bijgestaan en zij daardoor op de hoogte zijn van de duur van de hogerberoepstermijn maakt voor de vraag of verweerders een tuchtrechtelijk verwijt vanwege het niet doorsturen van het vonnis kan worden gemaakt niet uit. Datzelfde geldt voor het standpunt van verweerders dat hun advies aan klagers voor het instellen van hoger beroep negatief zou zijn geweest. Als klagers tijdig op de hoogte waren geweest van de inhoud van het vonnis, hadden zij met verweerders of derden kunnen overleggen over de mogelijkheid van hoger beroep. Pas daarna komt de vraag aan de orde of een hoger beroep zinvol is en of verweerders het hoger beroep voor klagers zouden willen instellen. Naar het oordeel van de raad is door het niet doorsturen van het vonnis niet slechts sprake van een administratieve omissie, maar van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Gelet op het voorgaande is klachtonderdeel a gegrond.

Klachtonderdeel b

5.5    In dit klachtonderdeel verwijten klagers verweerders dat zij niet in hoger beroep zijn gegaan van het vonnis. Volgens klagers hadden zij al tijdens de procedure bij de rechtbank aangegeven in hoger beroep te willen bij een voor hen negatief vonnis, omdat enkele getuigen nog niet  waren gehoord.

5.6    Verweerders hebben aangevoerd dat klagers tijdens de procedure bij de rechtbank niet de wens konden hebben om in hoger beroep te gaan, omdat de rechtbank toen nog geen vonnis had gewezen.

5.7    Naar het oordeel van de raad is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerders niet gebleken. Klagers hebben hun stelling over de instructie aan verweerders over het instellen van hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Ook de dossierstukken en hetgeen ter zitting door verweerders is gesteld, bieden geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van klagers dat zij al tijdens de procedure bij de rechtbank de instructie aan verweerders hebben gegeven om hoger beroep in te stellen bij een voor hen negatief vonnis. Klachtonderdeel b is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c

5.8    Klagers verwijten verweerders in dit klachtonderdeel dat zij onvoldoende hebben meegedacht over mogelijkheden om de schade te beperken en dat zij klagers daarbij niet hebben begeleid.

5.9    Verweerders hebben aangevoerd dat zij de beroepsfout direct bij hun beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar hebben gemeld en dat zij, na ontdekking van de fout, een uitgebreide e-mail aan klagers hebben gestuurd waarin op het vonnis en de daarin opgenomen verplichtingen voor klagers is ingegaan.

5.10    De raad is van oordeel dat verweerders ten aanzien van dit klachtonderdeel tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. Zoals ook uit de door verweerders ter zitting gegeven toelichting volgt, hebben verweerders de beroepsfout direct bij hun verzekeraar gemeld en heeft verweerder  navraag gedaan over de stand van zaken van de melding. Daarnaast heeft verweerster een e-mail aan klager 1 verzonden waarin per klager is vermeld op welke wijze aan het vonnis moet worden voldaan en aan welke verplichtingen een dwangsom is verbonden. Verder hebben verweerders ter zitting nog benadrukt dat het starten van een executiegeschil niet voor de hand lag, omdat klagers de in het vonnis opgenomen dwangsommen op dat moment nog niet waren verschuldigd. Naar het oordeel van de raad hebben verweerders door hun handelen in de gegeven omstandigheden en gelet op het belang van klagers voldoende schadebeperkend opgetreden en meegedacht over de gevolgen van de beroepsfout. Klachtonderdeel c is dan ook ongegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Door het vonnis van de rechtbank niet aan klagers door te sturen hebben     verweerders in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die van behoorlijk     handelende advocaten mag worden verwacht. De raad acht in de gegeven     omstandigheden de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moeten verweerders op grond van artikel 46e, vijfde lid, van de Advocatenwet ieder afzonderlijk het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerders op grond van artikel 48ac, lid 1, van de Advocatenwet ieder afzonderlijk veroordelen in de volgende proceskosten:

a)      € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b)      € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerders moeten ieder afzonderlijk het bedrag van € 750,- binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN: NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.4    Verweerders moeten ieder afzonderlijk het bedrag van € 500,- binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN: NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen b en c ongegrond;

-    legt aan ieder van verweerders de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerders ieder afzonderlijk tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;

-    veroordeelt verweerders ieder afzonderlijk tot betaling van de proceskosten van € 750,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerders ieder afzonderlijk tot betaling van de proceskosten van € 500,- aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. T. Hordijk, P.J.E.M. Nuiten,

R. de Haan en A. Schaberg, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2019.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens