Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2019:44
Datum uitspraak:
01-03-2019
Datum publicatie:
01-03-2019
Zaaknummer(s):
231/2018
Onderwerp:
Onjuiste declaratie
Beroepsgroep:
Verpleegkundige
Beslissingen:
Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie:
Klacht tegen verpleegkundige. Deze heeft als vrijwilliger gewerkt op een bureau dat vakanties voor mensen met een zorgbehoefte organiseerde. Zij heeft een intensief WhatsAppcontact gekregen met de man van een dementerende vrouw. Zij had het echtpaar in een vakantieperiode had ontmoet. Na het overlijden van zijn vrouw heeft de man nog een keer een vakantie doorgebracht terwijl verweerster eindverantwoordelijk was voor de zorg. Verweerster heeft op een zeker moment grote geschenken aangenomen van de man en heeft na diens overlijden haar aandeel in de nalatenschap van de man aanvaard. Klagers zijn neef en nicht van de overleden man. Het college verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid en er volgt een schorsing van drie maanden.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 1 maart 2019 naar aanleiding van de op 14 mei 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

 

A(klager), wonende te B, en

C(klaagster), wonende te D,

bijgestaan door J.B.H. Storck,

 

k l a g e r s

 

 

-tegen-

 

 

E, verpleegkundige, werkzaam te F,

bijgestaan door mr. I.P.C. Sindram, advocaat te Nijmegen,

 

v e r w e e r s t e r

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- het proces-verbaal van het op 19 november 2018 gehouden gehoor in het kader van

  het vooronderzoek;

- de brief met bijlagen van klager van 16 januari 2019;

- de brief met bijlage van verweerster van 17 januari 2019.

 

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 1 februari 2019, waar zijn verschenen

-     klager, bijgestaan door de heer J.B.H. Storck;

-     verweerster, bijgestaan door mr. I.P.C. Sindram.



 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

 

Klagers zijn de neef en nicht van G, geboren in 1934.

 

G was gehuwd met H. Zij hebben geen kinderen gekregen.

 

G heeft op 11 juli 2014 een levenstestament opgesteld, waarin hij klagers als gevolmachtigden heeft aangesteld.

 

G heeft jarenlang als mantelzorger voor zijn dementerende vrouw gezorgd. Hij is verschillende malen met haar op vakantie geweest via een vakantiebureau dat zich richt op patiënten en hun mantelzorgers, geheten het I.

 

Tijdens de vakantie eind 2016/begin 2017 was verweerster, die als (vrijwillig) verpleegkundige voor het I werkzaam was, de verpleegkundige voor de groep waartoe G en zijn echtgenote behoorden. Zij heeft gedurende deze vakantie zorg aan de echtgenote van G verleend. Na deze reis hebben verweerster en G contact met elkaar gehouden.  

 

De echtgenote van G is op 9 februari 2017 overleden. Na haar overlijden is het contact tussen verweerster en G intensiever geworden. Zij communiceerden via WhatsApp en bezochten elkaar ongeveer één keer per maand.

 

In het najaar van 2017 heeft G een aantal zaken voor verweerster betaald, waaronder een eetkamertafel en –stoelen, een wasmachine, een Saeco-koffiemachine, een laptop en kleding. Ook heeft hij een bedrag van € 43.500,00 aan verweerster geschonken.

 

Op 5 december 2017 heeft G een testament laten opstellen, waarin hij verweerster en zijn thuiszorgmedewerkster als zijn erfgenamen heeft aangewezen. Dezelfde dag heeft G – onder herroeping van zijn eerdere levenstestament - een nieuw levenstestament laten opstellen, waarin hij verweerster en zijn thuiszorgmedewerkster heeft aangewezen als zijn gevolmachtigden. Deze volmacht omvat het nemen van beslissingen voor zowel medische als financiële aangelegenheden. G noemde verweerster zijn (adoptief)dochter en de thuiszorgmedewerkster zijn kleindochter.

 

Eind 2017/begin 2018 is G weer op vakantie geweest via het I. G paste eigenlijk bij een groep alleengaande senioren, maar was ingedeeld in dezelfde groep als het jaar daarvoor omdat hij die al kende. Verweerster was tijdens deze vakantie zorgcoördinator en had (indien nodig) een verpleegkundige rol.

 

Tussen 8 januari 2018 en 12 april 2018 is er op verzoek van verweerster geen WhatsApp-contact tussen haar en G geweest.

 

Op 12 april 2018 is G opgenomen in het J te K. Verweerster heeft G viermaal bezocht in het ziekenhuis. Zij stond vermeld als eerste contactpersoon voor G. Het ziekenhuis heeft het familiegesprek over de medische situatie en de behandeling van G gevoerd met verweerster en de thuiszorgmedewerkster.

 

G is op 19 mei 2018 overleden. Verweerster heeft haar deel van de nalatenschap van G van in totaal ongeveer € 750.000,- aanvaard.

 

 

3.   HET STANDPUNT VAN KLAGERS EN DE KLACHT

 

Klagers verwijten verweerster -zakelijk weergegeven - in de eerste plaats dat zij in strijd met de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden (verder: de Beroepscode) een intensieve persoonlijke relatie met G is aangegaan, inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van G en zijn naasten, en giften en geschenken heeft aangenomen en deze schenkingen heeft gestimuleerd. Daarbij verwijten klagers verweerster dat zij zich tijdens de opname van G in het ziekenhuis heeft opgeworpen als eerste aanspreekpunt en dat zij ook het familiegesprek met het ziekenhuis heeft gevoerd. Daarnaast heeft verweerster volgens klagers in strijd gehandeld met artikel 4:59 lid 1 BW door de erfenis van G te aanvaarden. Ook is sprake van schending van de tweede tuchtnorm, omdat verweerster door haar handelen het aanzien en de integriteit van de zorgsector heeft geschaad. Verweerster heeft misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van G en zijn grote behoefte aan aandacht en genegenheid na het overlijden van zijn vrouw.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

 

Verweerster stelt dat de verwijten geen stand kunnen houden, omdat er nooit een zorgrelatie heeft bestaan tussen haar en G. Zij heeft tijdens de vakantie eind 2016/begin 2017 uitsluitend zorg verleend aan de dementerende echtgenote van G. Ook tijdens de vakantie eind 2017/2018 was G niet zorgbehoeftig. Daarnaast voert verweerster aan dat zich na de vakantie eind 2016/begin 2017 een vriendschap tussen haar en G heeft ontwikkeld. Als vriendin heeft zij G ondersteund na het overlijden van zijn vrouw. Deze vriendschap werd door G zo diep gevoeld dat hij haar zijn adoptiedochter heeft genoemd. G heeft zelf aangedrongen op het geven van cadeaus en giften aan verweerster, omdat hij wilde dat zij het goed zou hebben. G had weliswaar lichamelijke klachten, maar was cognitief goed in orde en hij was wilsbekwaam. Het familiegesprek in het ziekenhuis heeft op verzoek van G plaatsgevonden met verweerster en de thuiszorgmedewerkster. Ook basis van het laatste levenstestament van G mocht verweerster dit gesprek voeren.

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1          

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) wordt een tuchtzaak aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van – onder meer – een rechtstreeks belanghebbende (art. 65, eerste lid, onder a). Onder dit begrip valt in ieder geval de patiënt zelf. Na zijn overlijden kunnen de nabestaanden klachtgerechtigd zijn, maar dit recht berust op de te veronderstellen wil van de overleden patiënt.

 

5.2

Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg wordt voor de vraag aan wie een dergelijk afgeleid klachtrecht toekomt, aansluiting gezocht bij de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 7:465 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Op het moment van overlijden was het eerdere levenstestament weliswaar door G herroepen, maar dat leidt in dit geval niet tot het oordeel dat klagers niet klachtgerechtigd zijn, nu verweerster in dit laatste levenstestament als gevolmachtigde is aangewezen en de klacht is gericht tegen het handelen van verweerster dat – onder meer – heeft geleid tot het opstellen van een nieuw levenstestament. Klagers behoren tot de groep van meest nabije nabestaanden van G, zijn neven en nichten, en waren eerder in zijn levenstestament van 11 juli 2014 aangewezen als zijn gevolmachtigden. Gelet op aard en inhoud van de klacht zoals hiervoor geschetst zijn klagers naar het oordeel van het college gerechtigd een klacht in te dienen. Bovendien is door verweerster niet bestreden dat klagers klachtgerechtigd zijn.   

 

 

 

5.3

Naar het oordeel van het college zijn klagers ook voor het overige ontvankelijk in hun klacht. Hiertoe is van belang dat niet in geschil is dat tijdens de vakantiereis eind 2016/begin 2017 een zorgrelatie heeft bestaan tussen verweerster en de echtgenote van G. Vanwege deze zorgrelatie diende verweerster niet alleen ten opzichte van de echtgenote van G de waarden en normen van de beroepsgroep in acht te nemen, maar ook ten opzichte G. Daarbij wijst het college op artikel 47 lid 1 onder 3 van de Wet BIG alsmede op de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden, waarin normen zijn opgenomen met betrekking tot de naasten en mantelzorgers van de patiënt. Deze verplichting bestaat niet alleen tijdens de zorgverlening, maar ook daarna, zoals ook uit de reikwijdte van de Beroepscode volgt.

Daar komt bij dat verweerster tijdens deze vakantie als verpleegkundige  verantwoordelijk was voor de zorg aan de groep waartoe G behoorde. Dat G, die op dat moment reeds last had van nierfalen en prostaatproblemen, tijdens deze reis geen zorg nodig heeft gehad, betekent niet dat tussen verweerster en G geen enkele zorgrelatie heeft bestaan. Verweerster was immers tijdens deze reis de aangewezen persoon om bij een zorgvraag of in geval van een calamiteit – al dan niet in overleg met de eigen huisarts – zoals zij ter zitting heeft beaamd, ook zorg aan G te verlenen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vakantie was gericht op kwetsbare ouderen, waartoe ook G behoorde, en dat vanwege deze doelgroep verpleegkundige zorg aanwezig was. Ook tijdens de vakantie waaraan G eind 2017/begin 2018 heeft deelgenomen, is sprake geweest van een zorgrelatie tussen verweerster en G. Verweerster was immers naar haar eigen stelling eindverantwoordelijk voor alle zorg tijdens deze reis. Dat G geen daadwerkelijke zorg nodig heeft gehad, maakt dat gezien het vorenstaande niet anders. Het gaat erom dat hij op basis van het vakantieaanbod van het I, ook in de seniorengroep waartoe hij eigenlijk behoorde, mocht rekenen op zorg van onder meer verweerster, indien nodig.

 

5.4

Het college overweegt voorts het volgende. Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Het tuchtcollege stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat in een professionele relatie tot een hulpverlener een patiënt en diens naasten zich in een afhankelijke positie bevinden. Van deze afhankelijkheid mag een hulpverlener nooit, onder geen enkele omstandigheid, misbruik maken.

 

5.5

Verweerster heeft te kennen gegeven dat zij tijdens de reis eind 2016/begin 2017 telefoonnummers heeft uitgewisseld met G, in eerste instantie om foto’s te delen, waarna het privécontact met G is ontstaan. Verweerster heeft veelvuldig contact gehad met G. Zij hebben elkaar één keer per maand ontmoet en hebben elkaar daarnaast - naar onbestreden stelling van klagers - in ongeveer een jaar tijd meer dan 4.000 WhatsApp berichten gestuurd. Het college stelt dan ook vast dat een zeer intensieve relatie met G is ontstaan direct aansluitend op de behandelrelatie tussen verweerster en G en zijn echtgenote.

 

5.6

Verweerster heeft erkend dat zij in september 2017 verschillende waardevolle cadeaus alsmede een bedrag van € 43.500,00 van G heeft gekregen. Ook heeft zij erkend dat zij haar aandeel in de nalatenschap van G, die naar onbestreden stelling van klagers in totaal ongeveer € 750.000,00 bedraagt, heeft aanvaard en dat zij zorg heeft gedragen voor de afwikkeling daarvan. Ook stelt het college vast dat verweerster tijdens de ziekenhuisopname van G uitvoering gegeven aan de door G in het levenstestament van

5 december 2017 verleende volmacht, nu zij buiten de aanwezigheid van de familie het familiegesprek, waarin beëindiging van de behandeling van G is besproken, met het ziekenhuis heeft gevoerd. Op basis van deze volmacht was zij niet alleen bevoegd om ten aanzien van medische aangelegenheden beslissingen te nemen voor G, maar was zijn ook bevoegd om zijn bankzaken en de overige financiële zaken te regelen.  

 

5.7

Het college is van oordeel dat verweerster hiermee de professionele grenzen die zij als verpleegkundige in acht behoorde te nemen, heeft overschreden. Deze grenzen vloeien voort uit artikel 2.4 van Beroepscode (in dit geval uit 2015) “dat ik geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank” en “dat ik geen financiële banden van welke aard dan ook aanga met de zorgvrager”, alsmede – meer in het algemeen – uit artikel 7: 453 van het Burgerlijk Wetboek, “de hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. Verweerster heeft immers door het in ontvangst nemen van cadeaus en giften alsmede door het aanvaarden van de nalatenschap schenkingen aanvaard die een veel hogere waarde hebben dan een symbolisch gebaar van dank. Door het aanvaarden van de volmacht is verweerster financiële banden met G aangegaan en heeft zij bovendien de naaste betrekkingen van G buiten spel gezet.

5.8

De conclusie van het voorgaande is dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen behoorde te betrachten, zoals bedoeld in artikel 47 lid 1 onder 1 en 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gegrond.

 

5.9

De vraag waar het college voor staat, is welke maatregel aan verweerster dient te worden opgelegd. Bij de keuze van de maatregel moet de preventieve werking het uitgangspunt zijn. Nu verweerster desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat zij nooit heeft nagedacht over de vraag of haar handelwijze wel toelaatbaar was, waardoor zij haar gedrag niet heeft getoetst aan de professionele normen die op dit punt volstrekt duidelijk zijn, en zij ook ter zitting geen inzicht in haar eigen handelen heeft getoond, acht het college een schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van drie maanden passend en geboden.

 

5.10

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

 

6.   DE BESLISSING

 

 

Het college

-     verklaart de klacht gegrond;

-     legt aan verweerster op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van drie maanden;

-     bepaalt dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt enaan de tijdschriften Medisch Contact, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Tijdschrift voor Verpleegkunde (TVZ), Nursing en het V&VN VS Magazine (Dé Verpleegkundig Specialist)ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

 

 

 

 

Aldus gegeven door A.L. Smit, voorzitter, Ph. S. Kahn, lid-jurist, A.H. de Vries,

B. Nijhuis-Prigge en C. Smulders, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van  E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2019 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                  

 

 

 

                                                                                                                 voorzitter

 

 

 

 

                                                                                                                 secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen. Indien het beroepschrift op of na 1 april 2019 wordt ontvangen, is voor de indiening daarvan een griffierecht van € 50,- verschuldigd. U ontvangt hierover bericht van het Centraal Tuchtcollege. Als degene die in beroep is gegaan geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht terugbetaald.

                                                                                                                                      

 

 

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Herstelbeslissing d.d. 5 maart 2019 naar aanleiding van de op 1 maart 2019 gegeven beslissing op de klacht van

 

A(klager), wonende te B, en

C(klaagster), wonende te D,

bijgestaan door J.B.H. Storck,

 

k l a g e r s

 

 

-tegen-

 

 

E, verpleegkundige, werkzaam te F,

bijgestaan door mr. I.P.C. Sindram, advocaat te Nijmegen,

 

v e r w e e r s t e r

 

 

1.     DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

In deze zaak is op 1 maart 2019 een beslissing gegeven. Klager heeft bij e-mail van

4 maart 2019 om herstel van de beslissing gevraagd. Naar thans blijkt, bevat deze beslissing een kennelijke misslag. De aanhef vermeldt dat de klacht is ingekomen op

14 mei 2018. Uit de beslissing blijkt dat dat niet mogelijk is omdat G toen nog in leven was. De klacht is ingekomen op 3 september 2018.

 

Deze kennelijke misslag leent zich ertoe om op de onderhavige wijze te worden hersteld.

 

 

2.      DE BESLISSING

 

De aanhef van de beslissing moet als volgt worden gelezen:

“Beslissing d.d. 1 maart 2019 naar aanleiding van de op 3 september 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van”.

 

Deze herstelbeslissing zal worden aangetekend op de beslissing van 1 maart 2019 en maakt door aanhechting onderdeel uit van deze beslissing.

 

 

 

Aldus gegeven door A.L. Smit, voorzitter, Ph. S. Kahn, lid-jurist, A.H. de Vries,

B. Nijhuis-Prigge en C. Smulders, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van  E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2019 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

 

 

                          

 

                                                                                                 voorzitter

 

 

 

 

                                                                                                secretaris

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens