Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:43
Datum uitspraak:
06-04-2018
Datum publicatie:
09-04-2018
Zaaknummer(s):
923.2016
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Klacht ongegrond. Klager stelt dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte beslag geeft gelegd onder een bank waar hij geen rekening heeft lopen. Ten aanzien daarvan overweegt de Kamer dat er in het geval van beslaglegging onder een derde een gerechtvaardigd vermoeden moet zijn van een relatie tussen de derde en de schuldenaar. De gerechtsdeurwaarder heeft in opdracht van de schuldeiser beslag heeft gelegd onder de bank. Uit de overgelegde producties blijkt dat het schuldeiser die heeft aangegeven dat klager (onder meer) bij deze bank zou bankieren. Aan de mededeling van de schuldeiser kon de gerechtsdeurwaarder een redelijk vermoeden ontlenen dat klager een rekening bij de betreffende bank. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag onder de bank te leggen.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM3

 

Beslissing van 6 april 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/614260 / DW RK 16/923 ingesteld door:

 

[   ],

wonende te [   ],

klager,

 

tegen:

 

1. [   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

2. [   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagden.

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 25 augustus 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen (de kantoren van) beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 13 oktober 2016, heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 gereageerd. Bij e-mailbericht van 16 mei 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 23 februari 2018 alwaar klager en beide gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 6 april 2018.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           De gerechtsdeurwaarders zijn belast met de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 20 juni 2011 en 13 december 2011 van de rechtbank Rotterdam, waarbij klager is veroordeeld tot het betalen van geldbedragen.

-           Op 10 oktober 2013 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 beslagen gelegd onder de [   ] en de [   ] (voorheen h.o.d.n. [   ]) ten laste van klager.

-           Op 11 oktober 2013 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 beslag gelegd onder de [   ] ten laste van klager.

-           Bij exploot van 17 oktober 2013 zijn de gelegde bankbeslagen door gerechtsdeurwaarder sub 2 aan klager overbetekend.

-           Bij brief van 7 november 2013 heeft de [   ] gerechtsdeurwaarder sub 1 medegedeeld dat er geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan met de schuldenaar.

-           Op 5 maart 2014 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 beslag gelegd op roerende zaken van klager. Het proces-verbaal van de beslaglegging is bij exploot van 10 maart 2014 aan klager betekend.

 

2. De klacht

Klager beklaagt zich er - samengevat – over dat de gerechtsdeurwaarder:

a)      ten onrechte kosten in rekening hebben gebracht voor een mislukt derdenbeslag;

b)      ten onrechte kosten in rekening hebben gebracht voor een slotenmaker die niet in actie is gekomen tijdens een eerste niet aangekondigde poging tot beslag roerende zaken;

c)      niet hebben voldaan aan de wettelijke bepalingen ten aanzien van noodzakelijke verschotten ex artikel 9 Btag;

d)     in een op ambtseed opgestelde akte melding hebben gemaakt van een weigering om de toegang te verlenen terwijl dit niet zo was;

e)      ten onrechte hebben gesteld dat er een eerdere mislukte poging tot beslag op roerende zaken is geweest;

f)       niet aan hun verplichting hebben voldaan om informatie te verstrekken;

g)      klager op onnodige kosten hebben gejaagd door de inzet van een slotenmaker uit een andere stad, die anderhalf uur aan reiskosten doorberekend.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

4.1 De klacht is gericht tegen Gerechtsdeurwaarderskantoor [   ] te Rotterdam en [   ] Gerechtsdeurwaarders te Den Bosch en aldaar werkzame gerechtsdeurwaarders op wie de klachten betrekking hebben. Uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt.

 

4.2 Gerechtsdeurwaarder sub 2 stelt in zijn brief van 15 mei 2017 dat de klacht is gericht tegen het handelen van (voormalig) gerechtsdeurwaarder [   ] die voorheen aan het kantoor [   ]was verbonden. [   ] heeft destijds beslag op roerende zaken gelegd of geprobeerd te leggen en daarvan proces-verbaal opgemaakt. Volgens gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft [   ] een en ander destijds op eigen initiatief en zonder overleg met kantoorgenoten gedaan. Klager heeft dit betoog niet weersproken. Bovendien blijkt de juistheid van het betoog uit de overgelegde stukken. Klager heeft in zijn klaagschrift meegedeeld dat hij uitdrukkelijk niet klaagt over (voormalig) gerechtsdeurwaarder [   ]. Nu niet blijkt dat gerechtsdeurwaarder sub 2 op enige manier (mede) tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen van [   ], moeten de klachten tegen gerechtsdeurwaarder sub 2 ongegrond worden verklaard. De overige klachtonderdelen, te weten a en f hebben betrekking op gerechtsdeurwaarder sub 1 (hierna: de gerechtsdeurwaarder).

 

4.3 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat -gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de Kamer dat er in het geval van beslaglegging onder een derde een gerechtvaardigd vermoeden moet zijn van een relatie tussen de derde en de schuldenaar. De gerechtsdeurwaarder heeft toegelicht dat hij in opdracht van de schuldeiser beslag heeft gelegd onder [   ], [   ] en [   ] ten laste van klager. Klager stelt nooit een rekening bij de [   ] te hebben gehad, welke stelling bij brief van 7 november 2013 van de [   ] wordt ondersteund. Uit de overgelegde producties blijkt dat de schuldeiser echter heeft aangegeven dat klager (onder meer) bij [   ] zou bankieren. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag onder de [   ], als rechtsopvolger van de [   ], te leggen. Ook al heeft klager geen rekening bij de [   ], is daarmee niet gezegd dat er geen beslag onder de bank gelegd mocht worden. Aan de mededeling  van de schuldeiser kon de gerechtsdeurwaarder een redelijk vermoeden ontlenen dat klager een rekening bij de [   ] had. Anders dan klager meent, was de gerechtsdeurwaarder niet verplicht dit vermoeden tevoren te verifiëren.

 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de Kamer dat van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde incasso binnen een redelijke termijn beantwoordt. Uit de overgelegde producties blijkt dat klager bij e-mailberichten van september en oktober 2015 heeft verzocht om informatie met betrekking tot een eerste mislukte beslagpoging. De gerechtsdeurwaarder heeft e-mails overgelegd waaruit blijkt dat hierop wel degelijk inhoudelijk is gereageerd. De gerechtsdeurwaarder heeft het dossier uit het archief laten halen en op basis daarvan een reactie gegeven en informatie over de gemaakte kosten verschaft. Uit de correspondentie blijkt voorts dat de gerechtsdeurwaarder de nota van de slotenmaker desgevraagd aan klager heeft toegestuurd. Van tuchtrechtelijk onbehoorlijk handelen is geen sprake.

 

4.6. Op grond van het voorgaande beslist als volgt.

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klacht ongegrond;

 

 

Aldus gegeven door mr. C.W. Inden, voorzitter, en mr. W.M. de Vries en mr. J.M. Wisseborn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens