Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:38
Datum uitspraak:
03-04-2018
Datum publicatie:
06-04-2018
Zaaknummer(s):
C/13/627273 / DW RK 17/412
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De kamer is van oordeel dat het in dit geval op de weg van de gerechtsdeurwaarder had gelegen om bij de opdrachtgever na te gaan of het standpunt van klager dat er inmiddels bij het Hof was geschikt juist was en de bewijslast niet bij klager neer te leggen. Dit mede gelet op de omstandigheid dat klager het rolnummer van de zaak aan de medewerker heeft doorgegeven en daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een zaak was, hetgeen bovendien door het noemen van het nummer eenvoudig te verifiëren was. Verzet gegrond, geen termen aanwezig voor het opleggen van een maatregel.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 3 april 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 4 april 2017 met zaaknummer C/13/614317 / DW RK 16/926 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/627273 / DW RK 17/412 ingesteld door:

 

[  ],

wonende te [  ],

klager,

 

tegen:

 

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 26 augustus 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen (een medewerker van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 15 september 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 4 april 2017 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij e-mail, ingekomen op 14 april 2017, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 3 april 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           Op 23 mei 2016 is in hoger beroep tussen klager en de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder een schikking getroffen, waarna de vordering door de opdrachtgever is ingetrokken en vervangen door een schadeloosstelling ten gunste van klager.

-           Op 25 juli 2016 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder [  ] ten laste van klager.

-           Op 3 augustus 2016 heeft klager telefonisch contact met de gerechtsdeurwaarder opgenomen.

-           Omdat de medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor weigerde de mededeling van klager dat de zaak was geschikt te verifiëren bij de opdrachtgever, heeft klager zijn advocaat verzocht stappen te ondernemen teneinde de beslaglegging op te heffen.

-           Op 4 augustus 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder het beslag opgeheven.

-           Bij exploot van 9 augustus 2016 is het derdenbeslag aan klager overbetekend.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat diens medewerker, op 3 augustus 2016 naar aanleiding van zijn mededeling dat de zaak was geschikt, niet bereid was om deze informatie te verifiëren bij zijn opdrachtgever en evenmin bereid was om het beslag op te heffen.  Pas nadat klager noodgedwongen zijn advocaat had ingeschakeld, werd het beslag opgeheven. Op 9 augustus 2016 is het beslag alsnog overbetekend. Bij dit exploot zat een op 7 juli 2016 gedateerde bijlage die klager niet eerder had gezien. Volgens klager blijkt daaruit dat de gerechtsdeurwaarder er een slordige administratie op nahoudt.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 Dat geval doet zich hier niet voor. Niet gebleken is dat het aan te gerechtsdeurwaarder te wijten is dat het - onterechte - beslag is gelegd, omdat hij pas op 4 augustus 2016 door zijn opdrachtgever op de hoogte is gesteld van de schikking. Een gerechtsdeurwaarder heeft ministerieplicht. Dat betekent dat als aan hem de opdracht tot bijvoorbeeld een beslaglegging wordt gegeven hij aan die opdracht dient te voldoen en daarbij in beginstel mag afgaan op de informatie die hem door zijn opdrachtgever wordt verstrekt, zeker als die opdrachtgever zoals in dit geval een woningstichting  dan wel haar advocaat was. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder nadat hij door klager en zijn opdrachtgever was geïnformeerd adequaat gehandeld. Dat de gerechtsdeurwaarder niet bereid was om de informatie van klager bij zijn opdrachtgever te verifiëren, is niet gebleken.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager betwist dat de gerechtsdeurwaarder naar aanleiding van het telefoongesprek van klager op 3 augustus 2016 bij de opdrachtgever heeft geverifieerd of er hoger beroep was ingesteld waarbij is geschikt. Klager stelt dat het beslag pas is opgeheven nadat zijn advocaat contact heeft opgenomen met de advocaat van de opdrachtgever. 

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Niet betwist is dat klager, naar aanleiding van het gelegde beslag op zijn uitkering, op 3 augustus 2016 met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft gebeld met de mededeling dat reeds op 23 mei 2016 in hoger beroep is geschikt met de opdrachtgever en dat ten onrechte beslag is gelegd. Hij heeft daarbij genoemd onder welk rolnummer en bij welk Hof de zaak was behandeld. In geschil is de vraag of de gerechtsdeurwaarder naar aanleiding van het gesprek met klager zelf contact heeft opgenomen met de opdrachtgever om te verifiëren of er in hoger beroep was geschikt of dat het beslag is opgeheven nadat de advocaat van klager de opdrachtgever had benaderd.

 

7.2 Uit de door klager overgelegde producties en toelichting ter zitting blijkt dat klager direct na het gesprek met de medewerker van de gerechtsdeurwaarder contact heeft opgenomen met zijn advocaat, die op zijn beurt op 3 augustus 2016 een e-mail naar de advocaat van de opdrachtgever heeft verzonden. Hierop heeft de opdrachtgever op 4 augustus 2014 het betreffende proces-verbaal van 23 mei 2016 alsnog naar de gerechtsdeurwaarder verzonden met het verzoek zorg te dragen voor een juiste afhandeling. De gerechtsdeurwaarder heeft het beslag op diezelfde dag opgeheven. De kamer acht het gelet op voorgaande aannemelijk dat de medewerker van de gerechtsdeurwaarder klager heeft aangezegd voor bewijs te zorgen dat in het dossier was geschikt, zoals klager stelt. De kamer is echter van oordeel dat het in dit geval op de weg van de gerechtsdeurwaarder had gelegen om bij de opdrachtgever na te gaan of het standpunt van klager juist was en de bewijslast niet bij klager neer te leggen. Dit mede gelet op de omstandigheid dat klager het rolnummer van de zaak aan de medewerker heeft doorgegeven en daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een zaak was, hetgeen bovendien door het noemen van het nummer eenvoudig te verifiëren was.

 

7.3 De kamer is van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de klacht gegrond is en dat er geen termen aanwezig om tot het opleggen van een maatregel over te gaan.

 

7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

 



BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet gegrond;

-       ziet van het opleggen van een maatregel af.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M. Nijenhuis en A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens