Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:34
Datum uitspraak:
03-04-2018
Datum publicatie:
06-04-2018
Zaaknummer(s):
C/13/616379 / DW RKn 16/1070
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
 De kamer acht het klachtwaardig dat de gerechtsdeurwaarder op een bepaald moment een uurtarief is gaan rekenen zonder klagers hiervan op de hoogte te stellen en te houden. De enkele verwijzing van de gerechtsdeurwaarder naar de algemene voorwaarden, nog afgezien van de vraag of klagers hierover beschikten, is te weinig om het berekenen van een uurtarief te rechtvaardigen. De kamer ziet niet in waarom de gerechtsdeurwaarder niet gelijk is overgegaan tot het overdragen van het gehele dossier, nadat de advocaat van klagers heeft aangegeven dat klagers de overeenkomst met de gerechtsdeurwaarder hadden opgezegd en om het dossier hebben verzocht. Verder heeft de gerechtsdeurwaarder ter zitting erkend dat er een rekenfout in de afrekening heeft gezeten, welke fout uiteindelijk in de civiele procedure is opgelost. Het verzet en de klacht is op deze onderdelen gegrond. Omdat de gerechtsdeurwaarder inmiddels ontslag heeft gekregen, nadat hij door de kamer is geschorst, wordt volstaan met het opleggen van een berisping.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 3 april 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 20 september 2016 met zaaknummer C/13/610098 / DW RK 16/620 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/616379 / DW RK 16/1070 ingesteld door:

 

1. [  ],

2. [  ],

wonende te [  ],

klagers,

 

tegen:

 

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 16 juni 2016, hebben klagers een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 18 juli 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. Bij beslissing van 20 september 2016 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klagers is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij e-mail, ingekomen op 4 oktober 2016, hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klagers hebben schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 3 april 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klagers hebben verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           De gerechtsdeurwaarder is op 1 oktober 2014 belast met de incassering van een vordering ten laste van [  ]. De gerechtsdeurwaarder heeft de overeenkomst op 2 oktober 2014 aan klagers bevestigd.

-           Op 7 oktober 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag onder [  ] gelegd ten laste van [  ].

-           Op 21 oktober 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal derdenbeslag onder [  ] gelegd ten laste van [  ].

-           Bij e-mail van 19 januari 2015 hebben klagers verzocht om een overzicht van de uitgaven en de (te verwachten) inkomsten dat telefonisch in december 2014 is toegezegd. Tevens hebben zij verzocht om informatie met betrekking tot een schuld van € 50.000,-- en de stand van zaken betreffende de lijfrenteverzekering bij [  ] waarvan de uitbetaling in januari 2015 zou starten. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 21 januari 2015 gereageerd.

-           Bij e-mail van 7 april 2015 hebben klagers nogmaals verzocht om een jaaroverzicht 2014 met daarin een specificatie van de door de gerechtsdeurwaarder gemaakte kosten, alsmede een overzicht van de te verwachten inkomsten.

-           Bij e-mail van 27 april 2015 hebben klagers een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend wegens het uitblijven van informatie en het gedrag van (destijds) kandidaat gerechtsdeurwaarder [  ].

-           Bij brief van 29 april 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder informatie aan klagers verstrekt.

-           Bij e-mails van 30 april 2015 en 11 mei 2015 hebben klagers nogmaals verzocht om een specificatie van zowel de onkosten als de ontvangsten. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 13 mei 2015 gereageerd.

-           Bij brief van 3 juli 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder bericht dat een tussentijdse afdracht tweede kwartaal 2015 ad € 4.424,77 aan klagers zal worden overgemaakt.  

-           Bij brief van 1 oktober 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder klagers geïnformeerd dat hij een verzoek tot opgave van de vordering heeft ontvangen van schuldhulp organisatie [  ] te [  ].

-           Bij e-mail van 23 november 2015 hebben klagers geïnformeerd naar de stand van zaken.

-           Bij brief van 25 november 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De gerechtsdeurwaarder heeft hierbij tevens informatie over de verkoop van de woning gegeven en heeft klagers gevraagd of zij akkoord gaan om een betaling tegen finale kwijting te ontvangen.

-           Bij e-mail van 13 januari 2016 hebben klagers verzocht om een specificatie en uitbetaling van het derde en vierde kwartaal van 2015. Tevens hebben zij verzocht om het transactie- en statusoverzicht over 2015.

-           Bij brief van 21 januari 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder de gevraagde gegevens verstrekt alsmede een overzicht van de diverse besprekingen van de afgelopen periode gegeven, gespecificeerd naar tijdsduur en de berekening daarvan.

-           Bij brief van 21 januari 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat er een bedrag van € 3.323,14 naar klagers zal worden overgemaakt.

-           Bij mail van 3 februari 2016 hebben klagers bezwaar gemaakt tegen het declareren van uren.

-           Bij brief van 18 februari 2016 heeft de advocaat van klagers de gerechtsdeurwaarder erop geattendeerd dat ten onrechte een bedrag van

€ 3.245,83 aan gewerkte uren in rekening is gebracht. Verder is een rekenfout gemaakt bij het berekenen van Honorarium III. In de brief is tevens aangegeven dat klagers zich erover beklagen dat er gedurende het traject diverse malen is verzocht om informatie over de status van de executie, maar dat de gerechtsdeurwaarder hier in zijn geheel niet of niet tijdig op heeft gereageerd. Omdat een schikking nabij lijkt, zijn klagers desondanks wel bereid om de gerechtsdeurwaarder de opdracht af te laten maken en verzoeken zij de schikking met [  ] te finaliseren voor een bedrag van € 60.000,--.

-           De gerechtsdeurwaarder heeft hier bij brief van 26 februari 2016 op gereageerd en gelijktijdig aangegeven kritisch naar de aanvullende declaratie te zullen kijken.

-           Bij brief van 2 maart 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder nadere informatie aan de advocaat van klagers verzonden en aangegeven dat hij na het bekijken van de tussentijdse declaratie een bedrag van € 789,35 aan klagers zal overmaken.

-           Bij brief van 31 maart 2016 heeft de advocaat van klagers medegedeeld dat zij de overeenkomst die zij hebben met de gerechtsdeurwaarder per direct opzeggen, omdat zij geen vertrouwen meer hebben in de behandeling van de zaak. De advocaat verzoekt om het volledige dossier naar klagers toe te zenden. De advocaat geeft tevens aan dat klagers niet akkoord gaan met het voorstel c.q. de handreiking uit de brief van de gerechtsdeurwaarder van

2 maart 2016. Klagers verzoeken om een aangepaste einddeclaratie waarbij het bedrag van in rekening gebrachte uren ad € 3.245,83 geschrapt wordt.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klagers beklagen zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarder in strijd met de overeenkomst uren in rekening heeft gebracht en zich zonder toestemming een bedrag van € 3.245,83 heeft toegeëigend;

b: zij door de latere intrekking van een aanbod tegen finale kwijting een bedrag van  € 60.000,-- zijn misgelopen en extra kosten hebben gemaakt omdat ze een advocaat hebben moeten inschakelen;

c: de gerechtsdeurwaarder niet de toegezegde handreiking ad € 789,53 op de rekening van klagers heeft overgemaakt en niet mee wil werken aan de overdracht van het complete dossier;

d: de gerechtsdeurwaarder hen de eerste acht maanden van de behandeling van het dossier slecht heeft geïnformeerd en geen overleg heeft gepleegd over procedures;

e: de gerechtsdeurwaarder onwaarheden aan hen heeft medegedeeld;

f: de gerechtsdeurwaarder teveel honorarium heeft berekend en rekenfouten heeft gemaakt;

g: de gerechtsdeurwaarder onterechte verrichtingen heeft verricht;

h: de gerechtsdeurwaarder hen minachtend en neerbuigend heeft behandeld.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

 

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

 

4.2 Het dossier van klagers is in behandeling (geweest) op het kantoor en onder verantwoordelijkheid van de in aanhef van deze beschikking vermelde gerechtsdeurwaarder. Derhalve wordt deze gerechtsdeurwaarder als zijnde aan het kantoor verbonden als beklaagde aangemerkt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de gerechtsdeurwaarder dat de genoemde kosten slaan op werkzaamheden welke verband houden met een buitengewoon omvangrijke opdracht. Deze kosten zijn opgenomen onder artikel 1 Algemene tarieven en tariefbepalingen voor alle zaken van de tarievenlijst van het onderhavige gerechtsdeurwaarderskantoor. Anders dan klagers stellen waren zij reeds tijdens de inleidende gesprekken in het bezit van de Algemene Voorwaarden en bijbehorende tarievenlijst en is deze uitvoerig besproken. De voorzitter ziet geen aanleiding hier aan te twijfelen. Uit de overgelegde producties blijkt bovendien dat klagers meermalen zijn gewezen op het feit dat deze voorwaarden (en tarieven) van toepassing zijn op de overeenkomst. De voorzitter is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder op grond van de genoemde voorwaarden gerechtigd was om de toekomende vergoedingen te verrekenen met betalingen aan klagers. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

 

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b stelt de gerechtsdeurwaarder dat hij niet bekend is met de intrekking van het bod tegen finale kwijting. Het bod tegen finale kwijting is nimmer definitief geworden. Uit de brief van de gerechtsdeurwaarder van 2 maart 2016 gericht aan klagers blijkt ook dat hij het voorstel tegen finale kwijting met de schuldhulpverlener heeft besproken en dat hier vooralsnog niet afwijzend op is gereageerd. De schuldhulpverlener heeft hierbij wel aangegeven dat er vermoedelijk verontreinigde grond is aangetroffen op het perceel van de schuldenaar, wat betekent dat een eventuele betaling tegen finale kwijting niet op korte termijn zal worden geëffectueerd, zodat de huidige executie dient te worden gecontinueerd. De voorzitter overweegt dat de vordering derhalve is blijven bestaan en klagers dan ook niets zijn misgelopen. Voor zover het aanbod tegen finale kwijting wel zou zijn ingetrokken is dit niet aan de gerechtsdeurwaarder te wijten.

 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat uit de brief van de (toenmalige) advocaat van klagers van 31 maart 2016 kan worden opgemaakt dat klagers niet akkoord zijn gegaan met het voorstel c.q. handreiking van de gerechtsdeurwaarder. Klagers hebben de samenwerking met de gerechtsdeurwaarder beëindigd en hebben verzocht om terugbetaling van hetgeen zij stellen waar ze recht op hebben. De gerechtsdeurwaarder had eerder al aangegeven zich hier niet in te kunnen vinden en heeft voorgesteld om in gesprek te blijven. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn verweer opgemerkt dat klagers het dossier aan een andere advocaat hebben overgedragen waar de gerechtsdeurwaarder nog van zou horen. Tot op heden heeft de gerechtsdeurwaarder niets meer vernomen. De voorzitter acht het gelet op voorgaande redelijk dat de gerechtsdeurwaarder de voorgestelde handreiking (nog) niet aan klagers heeft overgemaakt. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties en het verweer van de gerechtsdeurwaarder blijkt dat hij klagers (desgevraagd) wel degelijk schriftelijk dan wel telefonisch binnen een redelijke termijn van informatie heeft voorzien. Verder blijkt uit de overgelegde producties dat de gerechtsdeurwaarder alle acties op verzoek van en in overleg met klagers heeft verricht. Niet gebleken is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel e stellen klagers dat de gerechtsdeurwaarder onder meer onwaarheden heeft verstrekt over de uitkering van de levensverzekering van [ ]. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde verklaring derdenbeslag van [  ] blijkt dat er reeds eerder beslag is gelegd door gerechtsdeurwaarderskantoor [  ]. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder naar klagers gecommuniceerd. De gerechtsdeurwaarder heeft ondanks deze verklaring toch op 23 december 2014 een inhouding ontvangen en heeft hierover contact opgenomen met zowel [  ] als [  ]. [  ] heeft kenbaar gemaakt dat het beslag bij [  ] reeds was opgeheven. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook geen onwaarheden gecommuniceerd, maar is door derden niet correct geïnformeerd. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

 

4.8 Klagers betwisten verder dat de gerechtsdeurwaarder intensief contact met de schuldhulpverlener heeft gehad met betrekking tot de verhoogde beslagvrije voet. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde mailwisselingen tussen de gerechtsdeurwaarder en de schuldhulpverlener tussen 25 september 2015 en 25 november 2015 blijkt echter het tegendeel. Ten aanzien van de communicatie omtrent de verkoop van de woning van de schuldenaar stelt de gerechtsdeurwaarder dat de schuldhulpverlener telefonisch op 24 november 2015 te kennen heeft gegeven dat uit de woning geld zou vrijkomen welke kon worden aangewend ter betaling aan klagers. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder aan klagers gecommuniceerd bij e-mail van 25 november 2015. Nadat de gerechtsdeurwaarder zijn bedenkingen aan de schuldhulpverlener kenbaar heeft gemaakt, heeft de schuldhulpverlener geantwoord dat er wat betreft de verkoop van de woning nog onzekerheid bestaat. De voorzitter is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gerechtsdeurwaarder klagers van onjuiste informatie heeft voorzien. Met betrekking tot de daling van de verkoopprijs overweegt de voorzitter dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde producties blijkt dat de woning incidenteel voor € 995.000,-- te koop is aangeboden. De WOZ-waarde bedroeg in 2014 € 377.000,--. Potentiële kopers hebben, nadat de woning bouwkundig is onderzocht, een bod gedaan van € 700.000,--. De voorzitter volgt de gerechtsdeurwaarder dat een verkoper door de makelaar wordt geadviseerd omtrent de vraagprijs, maar dat de prijs uiteindelijk wordt bepaald door de verkoper. Uit de e-mailwisseling tussen de gerechtsdeurwaarder en de schuldhulpverlener tussen 5 januari 2016 en 7 januari 2016 blijkt verder, anders dan klagers stellen, dat er wel degelijk contact omtrent de verkoop van de woning  is geweest. Uit de e-mail van 7 januari 2016 van de schuldhulpverlener blijkt tevens dat hij heeft aangegeven dat het niet op zijn weg ligt om met klager in gesprek te gaan. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de gerechtsdeurwaarder is gelet op voorgaande niet gebleken.

 

4.9 Klagers hebben verder hun twijfel uitgesproken over de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat hij de financiële uitdraai van het dossier handmatig moest vervaardigen. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn verweer gesteld dat hij op

29 april 2015 een overzicht van het dossier aan klagers heeft verzonden. Dit overzicht betreft een standaard overzicht welke de gerechtsdeurwaarder aan al zijn opdrachtgevers verzendt. Nadat klagers op 30 april 2015 hebben verzocht om een uitgebreide specificatie van kosten en ontvangsten heeft de gerechtsdeurwaarder een gegenereerd overzicht aan klagers verzonden. De gegevens kunnen niet standaard gegenereerd worden, zodat de gerechtsdeurwaarder hier handmatig werkzaamheden aan moest verrichten. De voorzitter ziet geen reden hier aan te twijfelen. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

4.10 Ten aanzien van klachtonderdeel f erkent de gerechtsdeurwaarder dat enkele berekeningen niet de schoonheidsprijs verdienen, maar dat klagers alleen wijzen op fouten die merendeels al zijn besproken en hersteld. De voorzitter overweegt dat het slordig is dat er foutieve berekeningen zijn gemaakt maar dat klagers niet zijn benadeeld, nu dit reeds is hersteld. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder hier niet gemaakt worden. De gerechtsdeurwaarder merkt verder in zijn verweer op dat de kosten die geboekt zijn met boekingscode beginnende met een 9, toekomen aan de opdrachtgever. Deze kosten worden dan ook niet aan klagers berekend.

 

4.11 Ten aanzien van klachtonderdeel g stellen klagers dat zij niet weten welke roerende zaak op 7 november 2014 in beslag is genomen. De gerechtsdeurwaarder stelt in zijn verweer dat hij op 7 november 2014 op verzoek van klagers beslag heeft gelegd op een vijftal paarden welke eigendom waren van de schuldenaar. De voorzitter volgt niet de enkele niet onderbouwde stelling van klagers, dat zij hebben aangegeven dat slechts beslag op één merrie gelegd kon worden, omdat de overige paarden niets zouden opleveren. De voorzitter overweegt hierbij dat klagers zelf hebben aangegeven geen verstand van paarden te hebben en herhaaldelijk tegen de gerechtsdeurwaarder hebben gezegd dat de paarden verkocht moesten worden. Dat de gerechtsdeurwaarder beslag zou hebben gelegd op een paard dat niet aan de schuldenaar toebehoorde, volgt de voorzitter zonder nadere onderbouwing evenmin. Klagers stellen verder dat uit het financiële overzicht van de gerechtsdeurwaarder valt af te leiden dat reeds op 6 oktober 2014 beslag op de paarden is gelegd. De voorzitter stelt vast dat uit het financiële overzicht blijkt dat op 6 oktober 2014 overbetekening van “hypo 1 tot en met 5” heeft plaatsgevonden en dat op die datum geen sprake is van beslag roerende zaak. De stelling van klagers dat beslaglegging eerder dan op 7 november 2014 heeft plaatsgevonden blijkt niet uit de financiële uitdraai van de gerechtsdeurwaarders en volgt de voorzitter dan ook niet.

 

4.12 Ten aanzien van het door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag bij [  ] met betrekking tot een vordering ten behoeve van de schuldenaar ad € 50.000,-- overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties kan worden opgemaakt dat de gerechtsdeurwaarders dit beslag in overleg met klagers heeft gelegd. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

4.13 Ten aanzien van klachtonderdeel h benadrukt de gerechtsdeurwaarder dat klagers op een correcte manier te woord zijn gestaan. Dat de gerechtsdeurwaarder niet altijd het gewenste antwoord aan klagers kon geven maakt niet dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. De stelling van klagers dat het gedrag van de gerechtsdeurwaarder bijzonder intimiderend en zelfs agressief was is niet onderbouwd dan wel anderszins juist gebleken. Nu enig klachtwaardig handelen op dit punt niet kan worden vastgesteld, dient de klacht op dit punt als zijnde kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet hebben klagers aangevoerd dat:

a: het uurtarief nooit met de gerechtsdeurwaarder is besproken en zij ook nimmer in het bezit zijn geweest van de algemene voorwaarden;

b: de gerechtsdeurwaarder de beloofde boeking ad € 789,53 niet heeft verricht, het dossier niet aan klagers heeft overgedragen en geen eindafrekening heeft opgemaakt;

c: de afrekeningen van de gerechtsdeurwaarder, ondanks alle wijzigingen en correcties naar aanleiding van vragen van klagers, steeds foutief blijken en dat ook de laatste afrekening niet correct is.

 



7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Ten aanzien van de onder 6.a in verzet aangevoerde grond overweegt de kamer dat in beginsel geen sprake is van een uurtarief. Hiervan is volgens artikel 1 van de Algemene tarieven en tariefbepalingen voor alle zaken van de gerechtsdeurwaarder pas sprake indien een opdracht een buitengewone hoeveelheid werkzaamheden met zich meebrengt, die meer tijd en zorg nodig heeft dan gebruikelijk is. De kamer acht het klachtwaardig dat de gerechtsdeurwaarder op een bepaald moment een uurtarief is gaan rekenen zonder klagers hiervan op de hoogte te stellen en te houden. De enkele verwijzing van de gerechtsdeurwaarder naar de algemene voorwaarden, nog afgezien van de vraag of klagers hierover beschikten, is te weinig om het berekenen van een uurtarief te rechtvaardigen.

 

7.2 Ten aanzien van de onder 6.b in verzet aangevoerde grond stelt de kamer vast dat de gerechtsdeurwaarder bij brief van 2 maart 2016 heeft aangegeven dat hij in die week een bedrag van € 789,53 aan klagers zou overmaken. Klagers voeren aan dat de gerechtsdeurwaarder hierbij niet heeft aangegeven dat hij pas tot betaling zou overgaan op het moment dat hij nader bericht (van hun advocaat) had ontvangen. Dit is door de gerechtsdeurwaarder ook niet onderbouwd. Ter zitting is vast komen te staan dat de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 4.000,-- aan klagers heeft overgemaakt, nadat er in de door klagers aangespannen civiele procedure is geschikt. Klagers zijn daarbij tevens in het bezit gesteld van het gehele dossier. De kamer ziet niet in waarom de gerechtsdeurwaarder niet gelijk is overgegaan tot het overdragen van het gehele dossier, nadat de advocaat van klagers heeft aangegeven dat klagers de overeenkomst met de gerechtsdeurwaarder hadden opgezegd en om het dossier hebben verzocht. De kamer is dan ook van oordeel dat ook deze klacht, anders dan de voorzitter bij beslissing van 20 september 2016 heeft overwogen, terecht is voorgesteld.

 

7.3 Ten aanzien van de onder 6.c in verzet aangevoerde grond heeft de gerechtsdeurwaarder ter zitting erkend dat er een rekenfout in de afrekening heeft gezeten, welke fout uiteindelijk in de civiele procedure is opgelost. De kamer is daarom van oordeel dat deze klacht eveneens gegrond is.

 

7.4 Het verzet en de klacht is op deze onderdelen van de klacht gegrond. De kamer ziet aanleiding de gerechtsdeurwaarder, gelet op de omstandigheid dat hij inmiddels ontslag heeft gekregen, nadat hij door de kamer is geschorst, na te melden maatregel op te leggen.

 

7.5 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

 

 



BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet gegrond

-       legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M. Nijenhuis en A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens