Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:33
Datum uitspraak:
03-04-2018
Datum publicatie:
06-04-2018
Zaaknummer(s):
C/13/613745 / DW RK 16/878
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De kamer overweegt dat de opdracht een vonnis te betekenen, betaling aan te zeggen en beslag te leggen niet zonder meer een vrijbrief was om zonder overleg een betalingsregeling overeen te komen Te meer nu klaagster in haar brief van 29 juni 2016 expliciet heeft opgenomen dat zij verzoekt om beslag te leggen op alles wat mogelijk is en op de hoogte wil blijven van alle stappen die de gerechtsdeurwaarder gaat nemen. Klacht gedeeltelijk gegrond, geen reden voor opleggen maatregel.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 3 april 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/613745 / DW RK 16/878 ingesteld door:

 

[  ],

gevestigd te [  ],

vertegenwoordigt door [  ],

klaagster,

 

tegen:

 

[  ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde.

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen van 16 augustus 2016 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 26 augustus 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 3 april 2018.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-                     Bij brief van 29 juni 2016 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht de grosse van een vonnis te betekenen, betaling aan te zeggen en beslag te leggen op alles wat mogelijk is. Verder heeft klaagster verzocht op de hoogte te worden gehouden van alle stappen die worden ondernomen.

-           Op 4 juli 2016 is het vonnis aan de debiteur van klaagster betekend.

-                      Op 12 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op de inboedel van de slagerij van de debiteur.

-                      Bij e-mail van 15 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster medegedeeld dat de inboedel niet veel waard zal zijn en er geprobeerd zal worden een hogere regeling te treffen. Klaagster heeft de e-mail diezelfde dag beantwoord onder toezending van de waarde van de inventaris en onder meer de mededeling dat een betalingsregeling met de debiteur absoluut geen optie is.

-                      Bij exploot van 3 augustus 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder de openbare verkoop van de inbeslaggenomen zaken aangezegd aan de debiteur van klaagster.

-           Klaagster en de gerechtsdeurwaarder hebben per e-mail tussen 10 en

15 augustus 2016 gecommuniceerd over een met de debiteur van klaagster overeengekomen betalingsregeling.

-           Bij brief van 18 augustus 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder op een door klaagster ingediende klacht gereageerd.

 

2. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: niet althans onvoldoende communiceert over de stand van zaken in het dossier;

b: niet althans niet in voldoende mate op de door haar gestelde vragen dan wel klachten heeft gereageerd;

c: geen gespecificeerd overzicht van de door haar ontvangen gelden aan klaagster heeft doen toekomen;

d: tegen de wil van klaagster in een betalingsregeling overeenkomt met de schuldenaars;

e: nooit een juist onderzoek heeft gedaan naar de waarde van de inventaris van de schuldenaars;

f: de aangezegde verkoop heeft “voorkomen” door een bedrag ad € 1.000,-- te accepteren van de schuldenaars terwijl hierover nooit is gecommuniceerd met klaagster;

g: nooit heeft gereageerd op het feit dat klaagster telefonisch meerdere malen heeft aangegeven dat de schuldenaars reeds eerder een betalingsregeling van € 2.000,-- per maand zijn overeengekomen (en inmiddels hebben afgerond) terwijl nu akkoord is gegaan met een regeling van € 500,-- per maand.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat -gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en b overweegt de kamer dat uit het door de gerechtsdeurwaarder overgelegde activiteitenlog volgt dat er voldoende is gecommuniceerd. Dat niet naar tevredenheid van klaagster is gecommuniceerd is niet voldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat er in dat opzicht tuchtrechtelijk laakbaar is gehandeld.

 

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat uit niets blijkt dat eerder dan bij het indienen van de klacht om een gespecificeerde overzicht is gevraagd.  

 

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de kamer dat het

overeenkomen van een betalingsregeling van € 500,-- per maand voor een vordering van in totaal € 4634,59 op zich redelijk is. Echter gelet op de e-mail van klaagster van 15 juli 2016 had wel overleg met klaagster dienen plaats te vinden over het treffen van deze regeling. De gerechtsdeurwaarder is van mening dat artikel 6:29 BW niet van toepassing is en verwijst naar zijn algemene voorwaarden en de opdrachtbrief waarin het recht wordt voorbehouden een redelijke regeling overeen te komen. De gerechtsdeurwaarder heeft de brief en de algemene voorwaarden echter niet overgelegd. De kamer overweegt dat de opdracht een vonnis te betekenen, betaling aan te zeggen en beslag te leggen niet zonder meer een vrijbrief was om zonder overleg een betalingsregeling overeen te komen Te meer nu klaagster in haar brief van 29 juni 2016 expliciet heeft opgenomen dat zij verzoekt om beslag te leggen op alles wat mogelijk is en op de hoogte wil blijven van alle stappen die de gerechtsdeurwaarder gaat nemen. De klacht is dan ook terecht voorgesteld.

 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de kamer dat zonder nadere toelichting die niet is gegeven niet valt in te zien waarom het feit dat de gerechtsdeurwaarder nooit een onderzoek heeft gedaan naar de waarde van de inventaris van de schuldenaars, tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn. Dat behoort immers niet tot de taak van een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder dient globaal vast te stellen of de inventaris iets op zal brengen alvorens beslag te leggen.

 

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de voorzitter dat de stelling van klaagster dat nooit met haar is gecommuniceerd dat de aangezegde verkoop is “voorkomen” door een bedrag ad € 1.000,-- te accepteren van de schuldenaars, feitelijk onjuist is. Bij e-mail van 10 augustus 2016 is door de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat een aanbetaling van € 1000,-- zou worden gedaan en indien dit bedrag niet zou worden ontvangen, klaagster nader zou worden geïnformeerd.

 

4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel g stelt de gerechtsdeurwaarder dat dit gegeven haar onbekend was. In het activiteitenlog is daaromtrent ook niets terug te vinden. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

4.8 De kamer zal gelet op het hiervoor overwogene klachtonderdeel d gegrond verklaren. Nu de gerechtsdeurwaarder ter zitting heeft aangegeven dat de debiteur de vordering middels de overeengekomen betalingsregeling in het geheel heeft voldaan, is er geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel.

 

4.9Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

 



BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart klachtonderdeel d gegrond;

-       ziet van het opleggen van een maatregel af;

-       verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. M. Nijenhuis en A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens