Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:226
Datum uitspraak:
05-12-2017
Datum publicatie:
05-03-2018
Zaaknummer(s):
186.2017
Onderwerp:
Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De gerechtsdeurwaarder wordt verweten verbeurde dwangsommen te hebben laten verjaren. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM3

 

Beslissing van 5 december 2017 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 7 februari 2017 met zaaknummer C/13/604472 DW RK 16/273 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/624291 / DW RK 17/186 ingesteld door:

 

[   ],

wonende te [   ]

klaagster,

 

tegen:

 

[   ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 15 maart 2016, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (een medewerker van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.Bij aangehecht verweerschrift, ingekomen op 28 april 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 7 februari 2017 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 7 februari 2017. Bij e-mail, ingekomen op 20 februari 2017, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2017 alwaar klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 5 december 2017.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-         Op 14 november 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van klaagster een vonnis d.d. 24 oktober 2014 betekend aan de wederpartij.

-         Op 15 januari 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder de opdracht ontvangen van de toenmalige advocaat van klaagster, mr. [   ], om dwangsommen voortvloeiend uit het vonnis te innen.

-         Bij exploot van 28 januari 2015 heeft een collega-gerechtsdeurwaarder de tot dan verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 1.800,- opgeëist.

-         Op 17 februari 2015 is het dossier tot nader order aangehouden.

-         Bij e-mail van 20 februari 2015 is namens de gerechtsdeurwaarder verzocht om instructie. Dit verzoek om instructie is herhaald op 18 september 2015.

-         Op 7 december 2015 deelt klaagster mede dat zij op aanraden van haar advocaat de dwangsommen destijds heeft opgeschort, omdat dat wellicht een soepelere samenwerking met de veroordeelde teweeg zou brengen. Klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder tevens de opdracht gegeven de dwangsommen in zijn geheel op te eisen.

-         Namens de gerechtsdeurwaarder is op 7 december 2015 aan mr. [   ] verzocht om instructie, omdat hij formeel de opdrachtgever is.

-         Bij e-mail van 12 januari 2016 deelt klaagster de gerechtsdeurwaarder mede dat wegens een ontstane vertrouwensbreuk de samenwerking met mr. [   ] per 11 januari 2016 is opgezegd. Klaagster verzoekt de gerechtsdeurwaarder de dwangsommen volledig te innen.

-         Bij mail van 18 januari 2016 is door  de gerechtsdeurwaarder bericht aan de gemachtigde van de veroordeelde dat haar cliënte voorlopig instemt met de opschorting van de executiemaatregel van 3 weken.

-         Bij mail van 4 februari 2016 bericht de gemachtigde van de veroordeelde aan de gerechtsdeurwaarder dat hij zich beroept op verjaring  van de dwangsommen.

-         Bij mail van 5 februari 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster bericht dat de tegenpartij (veroordeelde) zich beroept op verjaring van de dwangsommen, waarna klaagster per dezelfde datum, via de e-mail (formeel) bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken en daarbij heeft aangekondigd dat haar advocaat in de week daaropvolgend contact op zal nemen met de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft op zijn beurt bericht dat hij de zaak tot nader order zal aanhouden.

-         Bij mail van 10 februari 2016 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht om het document waaruit blijkt dat mr. [   ] een officiële opdracht heeft gegeven tot het opschorten van de dwangsom. Klaagster heeft hiermee een juridische procedure tegen partijen willen opstarten.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klaagster beklaagt zich er, samengevat, over dat (een medewerker van) de gerechts­deur­­waar­der de zaak eenzijdig heeft opgeschort, waardoor dwangsommen zijn ver­jaard. De desbetreffende medewerker adviseerde klaagster om de zaak op te schorten en het contact met de nieuwe advocaat af te wachten.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1. Ingevolge het daartoe bepaalde in de Gerechtsdeurwaarderswet kunnen slechts klachten worden ingediend tegen gerechtsdeurwaarders (waaronder mede worden begrepen waarnemend-, toegevoegd- en kandidaat-gerechtsdeurwaarders). Klachten tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of medewerkers van een kantoor worden daarbij geacht te zijn gericht tegen gerechtsdeurwaarders, die voor dit kantoor c.q. de medewerkers verantwoordelijk zijn. Nu de verweervoerende gerechtsdeurwaarder zich met deze zaak heeft beziggehouden en tevens een ambtshandeling heeft verricht inzake het dossier van klaagster, zal deze gerechtsdeurwaarder als beklaagde worden aangemerkt. Hiermee is in de aanhef van de beslissing al rekening gehouden.

 

4.2. Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.3. Dat is niet het geval. De voorzitter zal zich niet uitlaten over de status van de dwangsommen. Een oordeel over een juridisch inhoudelijke kwestie valt buiten de competentie van de Kamer. Gelet op de overgelegde correspondentie wordt  het door klaagster in haar klacht gestelde niet gesteund door de feiten zoals deze uit de stukken blijken. De gerechtsdeurwaarder heeft de (nieuwe) opdrachtgever tweemaal, namelijk op 20 februari 2015 en op 18 september 2015, uitdrukkelijk verzocht om instructie. De zaak was in afwachting van deze nadere instructie op verzoek van klaagster c.q. haar echtgenoot vanaf februari 2015 opgeschort. Dat klaagster, al dan niet op aanraden van haar toenmalige advocaat, de zaak destijds voor een langere periodeheeftopgeschort teneinde een versoepelde samenwerking met de veroordeelde te bewerkstelligen, kan de gerechtsdeurwaarder niet worden verweten. Dit handelen komt voor rekening en risico van klaagster. In de e-mail van klaagster d.d. 7 december 2015 schrijft klaagster zelf dat zij de opdracht tot opschorting heeft gegeven: “(…) ik heb op aanraden van mijn advocaat dhr.[   ]de boete destijds opgeschort, met het oog op een soepelere samenwerking (…)” Een gerechtsdeurwaarder is afhankelijk van de uitdrukkelijke instructies van de opdrachtgever. Nu instructies aan de zijde van klaagster uitbleven, blijft klaagster zelf verantwoordelijk voor de eventuele gevolgen van deze opschorting, zoals verjaring van dwangsommen. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster – samengevat – aangevoerd dat:

 

-         de gerechtsdeurwaarder bewijsstukken heeft achtergehouden;

-         uit de communicatie met de gerechtsdeurwaarder blijkt dat klaagster er alles aan gedaan heeft de juiste informatie aan de gerechtsdeurwaarder te leveren;

-         de gerechtsdeurwaarder in een telefonisch onderhoud in januari 2016 geadviseerd heeft de volledige dwangsom van € 20.000 te verhalen;

-         de gerechtsdeurwaarder eerst met klaagster in zee is gegaan (en opschorting van drie weken heeft voorgesteld), maar zodra er een kort geding dreigde hij klaagster heeft laten stikken;

-         klaagster toestemming van de rechter had verkregen haar eigen zaak te behartigen;

-         het onzin is dat klaagster het [   ] onmogelijk maakte herstelwerkzaamheden uit tet voeren;

-         de gerechtsdeurwaarder alle documentatie opnieuw verzocht aan klaagster, terwijl de gerechtsdeurwaarder deze al had ontvangen via mr. [   ];

-         de herstelwerkzaamheden niet tijdig waren afgerond;

-         mr. [   ] een regeling met klaagster heeft getroffen ter voorkoming dat de ingediende klacht bij de Deken ook bij de tuchtraad zou belanden;

-         dat de regeling die getroffen is met [   ] – ter voorkoming van strafrechtelijke vervolging – losstaat van de dwangsom en het afronden van de herstelwerkzaamheden;

-         de wijzigingen ten aanzien van advocaten buiten de invloedsfeer lagen van klaagster;

-         de gerechtsdeurwaarder niet gereageerd heeft op het verzoek van klaagster om een officiële bevestiging waaruit blijkt dat mr. [   ] opschorting van de zaak heeft verzocht.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Het verzet kan naar het oordeel van de Kamer niet slagen. Het onderzoek in verzet heeft naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter waarmee de Kamer zich verenigt. De uitgebreide nadere toelichting van klaagster ter zitting maakt dit niet anders.

 

7.2 De Kamer merkt nog op dat klaagster in haar verzet eveneens nieuwe klachten c.q. nieuwe feiten en omstandigheden formuleert. De Kamer oordeelt in verzet echter niet over nieuwe klachten. De Kamer acht de beslissing van de voorzitter juist en de door klaagster aangevoerde gronden geven evenmin aanleiding de motivering van de beslissing aan te passen.

 

7.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. C.W. Inden, voorzitter, mr. E. Diepraam en  M.W. de Ruijter, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens