Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:225
Datum uitspraak:
05-12-2017
Datum publicatie:
05-03-2018
Zaaknummer(s):
153.2017
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De beslagvrije voet en executiehandelingen tijdens of in de loop van een schuldsaneringstraject. De kamer is het eens met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM3

 

Beslissing van 5 december 2017 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 7 februari 2017 met zaaknummer C/13/604473 DW RK 16/274 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/623988 / DW RK 17/153 ingesteld door:

 

[   ],

wonende te [   ],

klager,

 

tegen:

 

[   ],

voorheen gerechtsdeurwaarder te [   ], thans gedefungeerd,

beklaagde,

gemachtigde: [   ]

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 15 maart 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.Bij verweerschrift, ingekomen op 25 maart 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 7 februari 2017 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 7 februari 2017. Bij brief, ingekomen op 16 februari 2017, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2017 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 5 december 2017.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-         De gerechtsdeurwaarder heeft vanaf 14 januari 2015 een vordering van VGZ

op klager in behandeling.

-         Daar klager bezig was met een aanvraag tot toelating tot de WSNP heeft de

gerechtsdeurwaarder de zaak in eerste instantie aangehouden.

-         Op 22 mei 2015 is een dagvaarding uitgebracht en op 7 januari 2016 is een vonnis op tegenspraak gewezen ten laste van klager.

 

 

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er in de hoofdzaak over dat de gerechtsdeurwaarder:

 

a)     zich niets aantrekt van de beslagvrije voet en het feit dat klager daardoor niets hoeft af te lossen van de schuld;

b)     geen rekening houdt met het feit dat klager op 20 februari 2015 door de gemeente Boxtel is toegelaten tot de schulddienstverlening.

 

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

4.1. Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert. Dat is niet het geval en zal in het navolgende per klachtonderdeel nader worden toegelicht.

 

4.2. Met betrekking tot klachtonderdeel a overweegt de voorzitter als volgt. Klager stelt dat de gerechts­deurwaarder zich niets aantrekt van de beslagvrije voet. Dit kan slechts een rol spelen indien de gerechtsdeurwaarder beslag zou hebben laten leggen op het inkomen van klager, maar de gerechtsdeurwaarder heeft in het geheel nog geen exe­cu­tie­maat­regelen (waarbij een beslagvrije voet dient te worden gehanteerd) genomen. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen wegens het niet hanteren van een beslagvrije voet kan dan ook geen sprake zijn.

 

4.3. Met betrekking tot klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat klager aanvoert bezig te zijn met het regelen van zijn schulden (of dat via de gemeentelijke kredietbank is, schulddienstverlening, of ter voorbereiding op een wettelijke schuld­sane­rings­­regeling). Het feit dat klager bezig is met een traject tot mogelijke toelating tot de schuldsanering heeft niet tot gevolg dat de gerechtsdeur­waar­der geen execu­tiehan­de­lin­gen meer kan verrichten. Slechts toelating tot de wettelijke schuldsa­ne­rings­regeling maakt dat de gerechtsdeurwaar­der geen executie­handelingen meer mag verrichten. Niet is gebleken dat klager tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toege­laten. Van tuchtrechtelijk laakbaar hande­len is niet gebleken. Nu de ge­­­rechtsdeurwaarder beschikt over een executo­riale titel op klager, staat het de ge­rechts­deurwaarder op grond van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op alle ver­mo­gens­­objecten van klager. Klager staat op grond van artikel 3:276 BW namelijk met zijn hele vermogen in voor de vordering.

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat er niet (geheel) wordt uitgegaan van de correcte feiten en omstandigheden. Klager wás niet bezig met een aanvraag tot toelating tot de WSNP, maar ís feitelijk nog steeds bezig met een juridische procedure om toelating te bewerkstellingen. Daarnaast mist klager in de beslissing van de voorzitter van 7 februari 2017 een overweging ten aanzien van de ‘ontstane miscommunicatie die niet adequaat is afgehandeld’, terwijl dit de voornaamste reden was om zich tot de Kamer te wenden. Bovendien heeft klager niet gesteld dat de gerechtsdeurwaarder zich niets heeft aangetrokken van de beslagvrije voet, maar dat het voor klager door de miscommunicatie zo “leek”.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Het verzet kan naar het oordeel van de Kamer niet slagen. Het onderzoek in verzet heeft naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter waarmee de Kamer zich verenigt. De motivering van de beslissing van 7 februari 2017 behoeft geen aanpassing, ook al voert klager aan dat hij niet bezig is met een aanvraag tot toelating tot de WSNP, maar met een juridische procedure om die toelating te bewerkstelligen. Dat verschil in bewoording is voor de beoordeling van het verzet niet relevant. De kamer is het met de betreffende beslissing van de voorzitter eens en het verzet tegen die beslissing dient ongegrond te worden verklaard.

 

7.2 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. C.W. Inden, voorzitter, mr. E. Diepraam en M.W. de Ruijter, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens