Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:214
Datum uitspraak:
31-10-2017
Datum publicatie:
03-01-2018
Zaaknummer(s):
C/13/619702 / DW RK 16/1291
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
 Diverse onduidelijkheden in de communicatie en correspondentie vanuit het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. In het dossier van de moeder van klager zijn verschillende fouten gemaakt die niet kunnen worden bestempeld als een enkele vergissing. Een dergelijke reeks van fouten betaamt een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder niet. De klacht wordt gegrond verklaard en er wordt de maatregel van berisping opgelegd.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 31 oktober 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/619702 / DW RK 16/1291 ingediend door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde [     ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij klachtenformulier met bijlagen op 2 december 2016 heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift ingekomen op 28 december 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 september 2017 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 31 oktober 2017.

 

1. De feiten

 

a)    Wijlen [     ] (de moeder van klager) is bij vonnis van 9 januari 2002 door de kantonrechter te Leiden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6780,67 vermeerderd met de wettelijke rente, en tot betaling van de proceskosten ad € 756,16. De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van het vonnis.

b)    Bij brief van 28 januari 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder een met de moeder van klager overeengekomen betalingsregeling bevestigd. Hierbij is aangegeven dat de schuldeiser, bij stipte nakoming van de regeling, uit coulance instemt met stopzetting van de wettelijke rente per 28 januari 2002.

c)    Bij brief van 12 september 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder geconstateerd dat de moeder van klager de getroffen betalingsregeling niet is nagekomen en heeft hij aangegeven dat de regeling kwam te vervallen, tenzij de achterstand alsnog binnen vijf werkdagen zou worden aangezuiverd en de regeling in het vervolg zou worden nagekomen.

d)    De broer van de moeder van klager heeft vervolgens het verschuldigde bedrag op 15 september 2014 aan de balie van het gerechtsdeurwaarderskantoor voldaan.

e)    De oorspronkelijke regeling is vervolgens tegen dezelfde voorwaarden voortgezet. De moeder van klager is de regeling tot aan haar overlijden op 3 augustus 2016 nagekomen.

f)     Bij e-mailbericht van 26 oktober 2016 heeft klager de gerechtsdeurwaarder, in verband met het beneficiair aanvaarden van de erfenis van zijn moeder, verzocht om gegevens uit haar dossier.

g)    Bij e-mailbericht van 27 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis van 9 januari 2002 alsmede een specificatie van de openstaande vordering aan klager verzonden. In de specificatie is onder meer een bedrag van € 3654,03 aan berekende rente opgenomen en een bedrag aan proceskosten van € 869,37.

h)    Na bezwaar van klager tegen de berekende rente en het bedrag van de volgens de gerechtsdeurwaarder nog openstaande vordering heeft de gerechtsdeurwaarder klager bij brief van 15 november 2016 een specificatie toegezonden waarbij de berekende rente is weg geboekt. Uit de specificatie blijkt dat door wijlen de moeder van klager een bedrag van € 380,28 teveel was betaald. In de specificatie staat een bedrag van € 836,37 aan proceskosten vermeld.

i)     Bij brief van 22 november 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder op het bezwaar van klager gereageerd.

 

2. De klacht

 

Klager heeft de gerechtsdeurwaarder op 11 november 2016 gewezen op onduidelijkheden in de van de gerechtsdeurwaarder ontvangen specificatie van de vordering. Zo moest klager de gerechtsdeurwaarder erop wijzen dat op 28 januari 2002 was afgesproken dat er geen rente berekend zou worden over het te vorderen bedrag. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder er ook op moeten wijzen dat er teveel was betaald omdat de betalingen door zijn blijven lopen terwijl de vordering al was voldaan. In zijn email van 15 november vermeldt de gerechtsdeurwaarder dat een bedrag van € 380,28 teveel bij de moeder van klager in rekening is gebracht. In de specificatie staat echter ook een bedrag van € 869,37 aan proceskosten vermeld terwijl in het vonnis van de rechter een bedrag van € 756,16 staat vermeld. De gerechtsdeurwaarder erkent dat de communicatie en correspondentie duidelijker en vollediger had gekund. Zonder enige nadere toelichting wordt vervolgens op 28 november 2016 een bedrag overgemaakt van € 378,49 in plaats van € 380,28. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dan ook dat hij er een rommelige administratie, communicatie en correspondentie in de breedste zin van het woord op na houdt.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.1. De klacht is gericht tegen [     ] gerechtsdeurwaarders. Dat is de naam van een gerechtsdeurwaarderskantoor en een gerechtsdeurwaarderskantoor kan niet als beklaagde worden aangemerkt. Uit rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt.

 

4.2 Nu de in aanhef van deze beslissing vermelde gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat het dossier van klager onder zijn verantwoordelijkheid valt, wordt hij als beklaagde aangemerkt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Niet in geschil is dat de gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat de communicatie en correspondentie vanuit zijn kantoor duidelijker en vollediger had gekund. Daarnaast zijn in het dossier van de moeder van klager verschillende fouten gemaakt die niet kunnen worden bestempeld als een enkele vergissing. Zo is de wettelijke rente door blijven lopen ondanks dat de achterstand tijdig was voldaan en zijn de maandelijkse afschrijvingen door blijven gaan terwijl de vordering al was voldaan. Het is klager die de gerechtsdeurwaarder daarop heeft moeten wijzen. Ook heeft klager de gerechtsdeurwaarder moeten wijzen op het verschil in de in rekening gebrachte proceskosten. Die waren hoger dan het door de rechter toegewezen bedrag, naar het zich laat aanzien doordat de gerechtsdeurwaarder het toegewezen bedrag aan salaris-gemachtigde ad € 540,-- verhoogde met de omzetbelasting. Het salaris-gemachtigde is echter een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand, die een procespartij heeft gemaakt, en als tegemoetkoming niet onderhevig aan omzetbelastingverhoging.  

Als laatste heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven te zullen overgaan tot het betalen van een bedrag van € 380,28. Uit de brief van klager van 29 november 2016 blijkt echter dat zonder nadere toelichting een lager bedrag is overgemaakt. In het verweerschrift heeft de gerechtsdeurwaarder dit weliswaar toegelicht maar dat had eerder moeten worden gedaan. De kamer overweegt dat een dergelijke reeks van fouten een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist dat de klacht gegrond is. De kamer ziet aanleiding om tot het opleggen van een maatregel over te gaan. De kamer acht deze maatregel passend en geboden.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht gegrond en legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. C.W. Inden, voorzitter, mrs. W.M. de Vries en M.W. de Ruijter, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens