Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:209
Datum uitspraak:
21-11-2017
Datum publicatie:
03-01-2018
Zaaknummer(s):
C/13/627113 / DW RK 17/403
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Ondanks bereidheid tot het  treffen van een betalingsregeling worden beslagen gelegd. Onjuiste beslagvrije voet ? Beslagen proportioneel. Betalingsvoorstel onvoldoende geconcretiseerd. Aanpassen beslagvrije voet afhankelijk van informatie van degene die daarom verzoekt. Op het moment van indiening van de klacht waren nog niet alle gegevens door klaagster aangeleverd waardoor de beslagvrije voet niet eerder correct kon worden berekend. De klacht wordt ongegrond verklaard.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 21 november 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/627113 / DW RK 17/403 ingediend door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij klachtenformulier met bijlagen ingekomen op 12 april 2017 heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde. Bij brief met bijlagen, ingekomen op 7 juni 2017, heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. Bij e-mail van 9 oktober 2017 heeft klaagster medegedeeld niet ter zitting te kunnen verschijnen en nieuwe producties overgelegd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 21 november 2017.

 

1. De feiten

 

a)    De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een tegen klaagster gewezen arbitraal vonnis. De gerechtsdeurwaarder heeft het vonnis op 5 juli 2016 in persoon aan klaagster betekend.

b)    Op 8 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klaagster beslag gelegd onder de ABN Amro Bank op de rekening van klaagster en onder de Belastingdienst.

c)    Op 12 juli 2016 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder een overzicht van haar inkomsten en uitgaven toegezonden. Op 12 ,13, 14 en 15 juli 2016 is tussen klaagster en de gerechtsdeurwaarder per e-mail gecorrespondeerd over door klaagster gedane voorstellen met betrekking tot het treffen van een betalingsregeling. Alle door klaagster gedane voorstellen zijn door de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder afgewezen.

d)    Op 18 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klaagster beslag gelegd onder de UWV op de uitkering van klaagster met toepassing van een beslagvrije voet. Op 21 juli 2016 is het van het beslag opgemaakte proces-verbaal aan klaagster betekend voorzien van het bijbehorende modelformulier.

e)    Op 2 maart 2017 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder om aanpassing van de beslagvrije voet verzocht.

f)     Bij e-mail van 7 maart 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster om een onderbouwing gevraagd. Op 5 april 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder dit verzoek herhaald. Een deel van de gevraagde stukken is door klaagster op 12 april 2017 aangeleverd.

 

2. De klacht

 

2.1 Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze binnen één maand drie beslagen heeft gelegd, ondanks haar bereidheid tot het treffen van een betalingsregeling. Bij de betekening van het vonnis heeft zij haar moeilijke financiële situatie uitgelegd aan de gerechtsdeurwaarder en heeft zij gezegd dat zij reeds eerder aan zijn opdrachtgever betalingsvoorstellen had gedaan maar dat daar niet op was ingegaan. Zij heeft ook gemeld dat zij meerdere schulden had die bij andere gerechtsdeurwaarders in behandeling waren en dat met die gerechtsdeurwaarders wel een goede betalingsregeling kon worden getroffen. Klaagster vindt het vreemd dat direct op 8 juli 2016 tot de beslaglegging is overgegaan, terwijl nog geen reactie was gegeven op haar betalingsvoorstel. Hierdoor zijn nodeloos kosten gemaakt. Bij gelegenheid van diverse (telefonische) contacten is klaagster onheus bejegend. Klaagster voelt zich daardoor geremd om nog contact met de gerechtsdeurwaarder op te nemen.

 

2.2 Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder voorts dat hij een onjuiste beslagvrije voet hanteert, in ieder geval een veel lagere beslagvrije voet dan wordt berekend door andere gerechtsdeurwaarders. Volgens klaagster heeft zij alle gegevens toegezonden voor de herberekening van de beslagvrije voet, maar beweert de gerechtsdeurwaarder ten onrechte dat hij niets ontvangen heeft en dat hij daarover een e-mail heeft gestuurd. Echter die is nooit ontvangen.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.1 De door klaagster bij e-mail van 9 oktober 2017 overgelegde producties worden als zijnde te laat ingediend en aldus in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

 

4.2 De klacht is gericht tegen [     ] gerechtsdeurwaarders. Dat is de naam van een gerechtsdeurwaarderskantoor en een gerechtsdeurwaarderskantoor kan niet als beklaagde worden aangemerkt. Op grond van rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt.

 

4.3 Nu het beslag is gelegd door de in aanhef van deze beslissing vermelde als enige aan het kantoor verbonden gerechtsdeurwaarder, wordt hij als beklaagde aangemerkt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.4 De kamer stelt voorop dat het een gerechtsdeurwaarder in beginsel is toegestaan om ter inning van een vordering ten laste van een debiteur meerdere beslagen te leggen. Dat houdt echter niet in dat lukraak beslagen kunnen worden gelegd. Onder omstandigheden kan het binnen korte termijn leggen van meerdere beslagen strijdig zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de beoordeling of dit het geval is dient rekening te worden gehouden met omstandigheden zoals de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de debiteur door het beslag op een van die goederen in zijn belang wordt getroffen.

 

4.5 Het bedrag waarvoor beslag is gelegd bedroeg ongeveer € 9000,00. Dat betrof dus geen geringe vordering en er is ook geen beslag gelegd op vermogensbestanddelen die aanmerkelijk meer waard zijn dan de vordering waarvoor beslag werd gelegd. Aan de proportionaliteitseis is hiermee voldaan. Ook de gekozen beslagvormen zijn niet dermate bezwarend dat er sprak is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Dat de schuldeiser niet wenste in te stemmen met de door klaagster voorgestelde betalingsregeling doet hieraan niet af en dit kan bovendien niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten. Welk betalingsvoorstel klaagster de gerechtsdeurwaarder bij de betekening van het vonnis heeft gedaan wordt niet door haar geconcretiseerd. Uit het feit dat de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder al eerder niet was ingegaan op betalingsvoorstellen van klaagster had klaagster overigens reeds af kunnen leiden dat een betalingsregeling niet aan de orde was.

 

4.6 De kamer overweegt dat uit het wettelijke systeem dat van toepassing is bij de beslagvrije voet volgt dat een juiste berekening in hoge mate afhankelijk is van informatie die door de schuldenaar moet worden verstrekt. Die informatie is niet altijd bij de gerechtsdeurwaarder bekend. Veel schuldenaren zijn zich helaas in beperkte mate bewust van de aspecten die van invloed zijn op de voor hen van toepassing zijnde beslagvrije voet. Zelfs met een proactieve gerechtsdeurwaarder is niet alle informatie beschikbaar die nodig is om de beslagvrije voet opnieuw te berekenen. Als dus om aanpassing van de vastgestelde beslagvrije voet wordt verzocht, ligt het op de weg van degene die dit verzoekt informatie te verschaffen op grond waarvan de beslagvrije voet kan worden aangepast. De beslagvrije voet kan eerst op de juiste manier worden berekend op het moment dat de gerechtsdeurwaarder de beschikking heeft over deze informatie.

 

 

4.7 Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gerechtsdeurwaarder op 7 maart 2017 om een onderbouwing gevraagd heeft van met name de woonkosten, de toeslagen en de zorgverzekering. Daar klaagster de gevraagde gegevens niet aanleverde, is op 5 april 2017 nogmaals om de bewijsstukken gevraagd. Bij e-mail van 12 april 2017 heeft klaagster een deel van de gevraagde bewijsstukken aangeleverd. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens op 26 april 2017 klaagster wederom verzocht de ontbrekende gegevens met betrekking tot de huur- en de zorg toeslag toe te zenden. Daar die gegevens niet werden toegezonden heeft de gerechtsdeurwaarder dit op 4 mei 2017 aan klaagster kenbaar gemaakt. Nadat door klaagster op 9 mei 2017  uiteindelijk de gevraagde gegevens waren aangeleverd  kon de beslagvrije voet  opnieuw worden berekend waarna de beslagvrije voet met terugwerkende kracht vanaf april 2017 is aangepast en het teveel voldane bedrag van € 517,20 aan het UWV is gerestitueerd.

 

4.8 Uit het voorgaande volgt dat op het moment van indiening van de klacht alle gegevens nog niet door klaagster waren aangeleverd. Het niet of onvoldoende aanleveren van de gevraagde onderbouwing en de daardoor ontstane onmogelijkheid om de beslagvrije voet correct te kunnen berekenen, ligt dus aan het feit dat dat nog niet alle gevraagde gegevens waren aangeleverd.

 

4.9 Dat de communicatie met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder moeizaam verloopt is niet gebleken. Concrete voorbeelden van de meedogenloze, arrogante, neerbuigende en onbeschofte behandeling die klaagster ten deel zou zijn gevallen ontbreken. Op deze punten kan geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen worden vastgesteld.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. M. Nijenhuis, voorzitter, C.W. Inden en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens