Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:204
Datum uitspraak:
28-11-2017
Datum publicatie:
03-01-2018
Zaaknummer(s):
C/13/623841 / DW RK 17/146
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Betekening dagvaarding. Is de dagvaarding wel of niet betekend? De kamer kan niet als vaststaand aannemen dat de dagvaarding niet aan klaagster is betekend en verklaart de klacht ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 28 november 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/623841 / DW RK 17/146 ingediend door:

 

[     ],

gevestigd te [     ],

klaagster,

gemachtigde [     ],

 

tegen:

 

[     ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde [     ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij klachtenformulier met bijlagen gedateerd 11 februari 2017 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 20 maart 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. Klaagster heeft daarop bij e-mail van 30 mei 2017 een reactie gegeven. Bij e-mail van 4 september 2017 heeft de gemachtigde van klager een vonnis van 7 augustus 2017 overgelegd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2017 alwaar namens klaagster [     ] en de gemachtigde zijn verschenen alsmede de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde. [     ] heeft de behandeling niet helemaal bijgewoond. De gemachtigde van klaagster heeft de klacht nader toegelicht aan de hand van een door hem overgelegde schriftelijke toelichting. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 28 november 2017.

 

1. De feiten

 

a)    Bij exploot van 23 december 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder de grosse van een door de kantonrechter te Amsterdam op 13 december 2016 bij verstek gewezen vonnis aan klaagster betekend. In het exploot staat vermeld dat een afschrift van het exploot is gelaten aan mevrouw [     ], aldaar werkzaam.

b)    Op 2 februari 2017 is ten laste van klaagster beslag gelegd onder de ABN Amro-bank.

c)    Klaagster heeft tegen het bij verstek gewezen vonnis verzet ingesteld.

d)    Bij vonnis van 7 augustus 2017 heeft de kantonrechter te Amsterdam het door klaagster tegen het verstekvonnis ingestelde verzet gegrond verklaard en de tegen haar ingestelde vordering afgewezen. In het vonnis is ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzet, waarbij de betekening van het vonnis bij exploot van 23 december 2016 aan de orde is gekomen, door de kantonrechter het volgende overwogen:

 

“9. Als uitgangspunt dient te gelden dat een betekeningsexploot van de deurwaarder een authentieke akte is die tegen een ieder dwingend bewijs oplevert van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en

verrichtingen heeft verklaard. Dit betekent in dit geval dat de kantonrechter ervan dient uit te gaan dat waar is wat de deurwaarder verklaart over de wijze van betekening. Tegenbewijs is echter mogelijk.

 

10. De kantonrechter is van oordeel dat [     ] dit tegenbewijs heeft geleverd. Immers, zij heeft diverse verklaringen van zowel haar directeur als haar medewerkers overgelegd, die haar stelling dat er geen betekening aan [     ] heeft plaatsgevonden, ondersteunen. Daar komt bij dat de deurwaarder zelf heeft verklaard dat hem bijstaat dat hem was gezegd dat de directeur niet aanwezig was en pas na enkele dagen weer terug zou zijn. Dit laatste onderbouwt het relaas van [     ]. Aannemelijk is dan ook geworden dat de deurwaarder naar de directeur heeft gevraagd, dat gezegd is dat de directeur er niet was en dat een derde namens de directeur de dagvaarding heeft aangenomen. Wie die derde was, is daarbij niet duidelijk geworden.

 

11. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [     ] in haar tegenbewijs is geslaagd, zodat niet is komen vast te staan dat het verstekvonnis op 23 december 2016 in persoon aan [     ] is betekend.”

 

2. De klacht

 

2.1 Klaagster is van mening dat het vonnis op 23 december 2016 niet rechtsgeldig  aan haar is betekend. Dit standpunt baseert klaagster op het onderzoek dat intern is uitgevoerd en de contacten die zij sinds 2 februari 2017 met meerdere medewerkers van de gerechtsdeurwaarder heeft gehad. Omdat de kinderdagverblijven sinds enkele jaren een streng deur- en toelatingsprotocol kennen is er een vaste procedure voor het in ontvangst nemen van (post)stukken of pakketten. Op de daarvoor bestemde plekken is echter geen enveloppe aangetroffen. Voor alle zekerheid is direct in het hele pand alsnog naar het stuk gezocht. Ook dit heeft geen resultaten opgeleverd. Voor klaagster was dit de eerste aanwijzing dat het stuk waarschijnlijk nooit bij haar is aangekomen. Omdat op de haar naderhand toegezonden kopie van het exploot geen tijdstip en geen handtekening stond vermeld is daar telefonisch bij de gerechtsdeurwaarder om gevraagd. Uiteindelijk is op die vraag geantwoord dat er nooit een tijdstip werd genoteerd. De reden dat klaagster zo graag dat tijdstip wilde weten was dat mevrouw [     ] slechts een beperkt deel van de dag op de vestiging aanwezig is geweest en gedurende een deel van de dag veel extra personeelsleden en ouders aanwezig waren vanwege de kerstviering. Het zou het zoekwerk naar getuigen, eventueel aan de hand van beelden van de beveiligingscamera’s, sterk vereenvoudigen.

 

2.2  Uiteindelijk wordt op vrijdag 10 februari 2017 een e-mail aan de advocaat van klaagster toegezonden waarin staat dat de betekening om 13.50 uur zou hebben plaatsgevonden. Er staat niet bij waarop dit gebaseerd is. Klaagster acht het vreemd dat nu ineens een exacte tijd kan worden genoemd. Omdat mevrouw [     ] op dat moment niet in het pand aanwezig was, kan zij het stuk dus niet hebben aangenomen. Die mogelijkheid was al eerder met de gerechtsdeurwaarder besproken en toen was de reactie dat de gerechtsdeurwaarder niet om een legitimatie hoeft te vragen en dat dus iemand zich heeft voorgedaan als mevrouw [     ]. Dat zou betekenen dat een van de medewerksters op de vraag van de gerechtsdeurwaarder naar de directeur, gezegd moet hebben: ‘Dat ben ik’ en vervolgens namens die directeur iets in ontvangst moet hebben genomen en niet hebben afgegeven. Klaagster acht dit erg onwaarschijnlijk. Maar indien zich dit inderdaad heeft afgespeeld dan is klaagster benieuwd naar de identiteit van de persoon aan wie het afschrift is gelaten. Wellicht heeft een van de ouders zich tijdelijk als directeur voorgedaan. Helaas heeft klaagster van de gerechtsdeurwaarder daarover geen informatie ontvangen. Zolang de gerechtsdeurwaarder niet bereid of in staat is om, al dan niet na een rechtstreekse confrontatie met de medewerksters die op dat tijdstip aanwezig waren, of door het verschaffen van meer gegevens over de omstandigheden waarin hij het stuk heeft overhandigd, aannemelijk maakt dat hij die middag daar aanwezig is geweest, moet worden aangenomen dat de betekening in werkelijkheid nooit heeft plaatsgevonden. 

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn de gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder, kandidaat-gerechtsdeurwaarder en degene die is toegevoegd in het kader van de stage verplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding, aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van dit artikel.

 

4.2 Op grond van het dossier, de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de kamer als volgt. Door de kamer kan de rechtsgeldigheid van een exploot waarbij een vonnis is betekend niet worden beoordeeld. Dat is ter beoordeling van de civiele rechter. In dat verband is van belang dat bij de beoordeling van de vraag of een tuchtklacht gegrond is andere maatstaven worden gehanteerd dan bij de beoordeling van civielrechtelijk bewijs, alsmede dat de mede ter bescherming van een gedaagde in een civiele procedure strekkende bewijsregels niet gelden in een tuchtprocedure.

 

4.3 De kamer kan slechts beoordelen of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de betekening van het vonnis niet heeft plaatsgevonden zoals in het exploot van 23 december 2016 is vermeld. Bij de beoordeling daarvan is het volgende redengevend.

 

4.4 De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat hij het vonnis op 23 december 2016 heeft betekend om 13:50 uur. Hij heeft dit duidelijk op zijn routelijst van die dag genoteerd. De gerechtsdeurwaarder heeft verder aangevoerd dat aangekomen op het adres van het kinderdagverblijf hij eerst heeft aangebeld bij het kantoor. Vervolgens heeft hij aangebeld bij het kinderdagverblijf zelf. Daar werd via de intercom gereageerd en de deur werd opgedaan. Vervolgens is er een vrouw verschenen aan wie de gerechtsdeurwaarder heeft gevraagd of zij de directeur was. Die vrouw heeft kenbaar gemaakt dat de directeur niet aanwezig was. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat hij het afschrift aan haar zou laten en heeft gevraagd naar de naam van deze vrouw. Daarop heeft zij als naam opgegeven: [     ]. Die naam heeft de gerechtsdeurwaarder opgeschreven op het exemplaar dat is achtergelaten en op de routelijst. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij geen reden had om te twijfelen aan haar mededeling ter zake haar naam.

 

4.5 Klaagster stelt hier, in haar reactie op het verweer van de gerechtsdeurwaarder tegenover, dat als de gerechtsdeurwaarder inderdaad op 23 december 2016 op haar adres aanwezig is geweest dat zich een van de volgende twee scenario’s moet hebben afgespeeld:

a. Mevrouw [     ] heeft zich kenbaar gemaakt als mevrouw [     ] (de directeur), zij heeft het vonnis in ontvangst genomen en heeft vervolgens, geheel ongevraagd, gemeld dat de directeur (zijzelf) niet aanwezig is.

b. Een van de medewerksters heeft zich, zonder daar enige reden toe te hebben, uitgegeven voor haar directeur zijnde mevrouw [     ] om vervolgens, ook weer geheel ongevraagd, te melden dat de directeur, waarvoor zij zich juist heeft uitgegeven, niet aanwezig is. Beide scenario’s zijn uiterst onwaarschijnlijk.

 

4.6 De werkelijke toedracht is volgens klaagster veel simpeler. De gerechtsdeurwaarder heeft bewust of onbewust de betekening niet gedaan. Toen er enkele maanden later naar werd gevraagd heeft hij, zich realiserend dat deze nalatigheid ernstige gevolgen kan hebben voor de partijen, voor zijn werkgever en niet in het minst voor hem zelf, de ‘feiten’ verzonnen. Hij raakt daar nu in verstrikt. Het belang wat de gerechtsdeurwaarder hierbij heeft is gelegen in het feit dat hij zijn ambtseed heeft geschonden en zich niet heeft gerealiseerd dat de gevolgen daarvan wel eens groot kunnen zijn. Dan kan je beter verzinsels volhouden dan toegeven dat je fout hebt gehandeld. Het genoemde scenario wordt volgens klaagster bevestigd door het feit dat de acht op 23 december 2016 ingeroosterde medewerksters een verklaring hebben afgelegd en ondertekend dat zij die dag geen gerechtsdeurwaarder hebben gezien en/of gesproken, laat staan een stuk in ontvangst hebben genomen.

 

4.7 De kamer overweegt dat gelet op hetgeen hiervoor wordt vermeld niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de gerechtsdeurwaarder het vonnis op 23 december 2016 niet aan klaagster heeft betekend. Weliswaar heeft de kantonrechter op grond van het door klaagster geleverde bewijs en de (schriftelijke) verklaring van de gerechtsdeurwaarder vastgesteld dat niet is komen vast te staan dat het verstekvonnis op 23 december 2016 in persoon aan [     ] is betekend, maar daarbij heeft de kantonrechter de mogelijkheid dat het vonnis is betekend aan een derde aannemelijk geacht zodat die mogelijkheid is opengebleven. In het vonnis van de kantonrechter kan dus geen steun worden gevonden voor de stelling van klaagster dat het vonnis die dag helemaal niet is betekend. Daarnaast heeft klaagster zelf aangevoerd dat een deel van die dag veel extra personeelsleden en ouders aanwezig waren vanwege de kerstviering. Ook dit laat de mogelijkheid open dat het vonnis is betekend aan een derde. Nu op de ter zitting door de gerechtsdeurwaarder aan de kamer en klaagster getoonde routelijst van 23 december 2016 het tijdstip van 13:50 uur genoteerd stond achter de naam van klaagster in onderling verband en samenhang bezien met het door de gerechtsdeurwaarder op ambtseed opgemaakte exploot van betekening, volgt dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard.

 

4.5 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. A. Sissing, voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. J.N. Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens