Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:193
Datum uitspraak:
19-12-2017
Datum publicatie:
03-01-2018
Zaaknummer(s):
C/13/608325 / DW RK 16/490
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De klacht betreft dat er meer is geïncasseerd dan de vordering, dat de bank het teveel geïncasseerde bedrag heeft verrekend met de roodstand, klager geen eindafrekening is verzonden en geen antwoord werd gegeven op e-mails. De klachten worden ongegrond verklaard. 

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 19 december 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/608325 / DW RK 16/490 van:

 

[     ] bewindvoerder bij [     ] Bewindvoering namens [     ],

gevestigd te Nijmegen ,

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde [     ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 19 mei 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen [     ]. Bij brief van 18 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 november 2017 alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 19 december 2017.

 

1. Feiten en omstandigheden

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

a)    De gerechtsdeurwaarder heeft in de periode april 2010 tot en met april 2013 namens SNS Bank drie keer beslag gelegd onder drie verschillende werkgevers van [     ].

b)    Op 12 oktober 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder € 20.371,90 ontvangen, zijnde een ontslagvergoeding, welke in juli 2015 door een eerste beslaglegger aanvankelijk onjuist was verdeeld.

c)    Na deze - los van de derde beslaglegging staande - nabetaling was de vordering volledig voldaan en resteerde een positief saldo.    De gerechtsdeurwaarder heeft het dossier afgewikkeld met haar opdrachtgever SNS Bank.

d)    Bij e-mails van 19 april 2016 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder verzocht om een eindafrekening.

e)    Bij e-mail van 22 april 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster medegedeeld dat een eindafrekening niet kon worden verstrekt.

f)     Op 23 april 2016 en 11 mei 2016 heeft klaagster de gerechtsdeurwaarder opnieuw verzocht om een eindafrekening.

g)    De gerechtsdeurwaarder heeft klager op 18 mei 2016 telefonisch medegedeeld dat een eindafrekening niet kon worden verstrekt.

h)    Op 17 juni 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klager een specificatie verstrekt van alle door hem ontvangen bedragen.

 

2. De klacht

 

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat er

1) na opheffing van beslaglegging op het salaris van haar cliënt er een positief saldo van € 3.693,30 resteerde en er dus meer is geïncasseerd dan de vordering. Verder beklaagt klaagster zich er over dat er

2) naast de hypotheek, waarvoor beslag was gelegd, eveneens een roodstand bestond bij de bankinstelling en het teveel geïncasseerde daarmee verrekend is, zodat er per saldo slechts € 1.670,04 resteerde. Klaagster werd

3) ook geen eindafrekening verstrekt, zodat zij niet kan zien wat er exact gebeurd is met het beslag. Verder heeft klaagster

4) geen antwoord meer op later door haar verstuurde e-mails ontvangen.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. Beoordeling

 

4.1 [     ] is de naam van een kantoor en een gerechtsdeurwaarderskantoor kan niet als beklaagde worden aangemerkt. Op grond van vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam volgt dat bij klachten gericht tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt.

 

4.2 Het dossier is in behandeling op het kantoor te [     ]. Het betreft een zogenaamde kantoorklacht waarvoor de in aanhef van deze beschikking vermelde, aan dat kantoor verbonden gerechtsdeurwaarder als beklaagde wordt aangemerkt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel 2.1 overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder gemotiveerd heeft uiteen gezet wat de oorzaak is van het ontstaan van een positief saldo. In de periode april 2010 tot en met april 2013 is  drie maal beslag gelegd ten laste van de cliënt van klaagster onder drie verschillende werkgevers. Bij het eerste beslag was een collega-gerechtsdeurwaarder van een ander gerechtsdeurwaarderskantoor eerste beslaglegger. Dat beslag is vanwege beëindiging van het dienstverband geëindigd. De cliënt van klaagster kwam een ontslagvergoeding toe, welke oorspronkelijk door de eerste beslaglegger onjuist is verdeeld. In juli 2015 heeft de eerste beslaglegger de onjuist verdeelde bedragen retour ontvangen. Na een nieuwe herverdeling ontving de gerechtsdeurwaarder op  12 oktober 2015 ineens een bedrag van € 20.731,90. Deze nabetaling stond los van het door de gerechtsdeurwaarder voor de derde keer gelegde beslag van 22 april 2013. Daar de vordering wegens de betaling van € 20.731,90 volledig voldaan was, is het (derden) beslag opgeheven. Dit resulteerde in een positief saldo. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens afgerekend met zijn opdrachtgever en het dossier gesloten. Deze buiten toedoen van de gerechtsdeurwaarder ontstane situatie kan de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk niet worden aangerekend.

 

4.4. Gelet op en in navolging van de beoordeling van het vorige klachtonderdeel heeft de gerechtsdeurwaarder het positieve saldo (dat is ontstaan door de herverdeling in verband met de aan de cliënt van klaagster toekomende ontslagvergoeding) volledig aan zijn opdrachtgever overgemaakt. Het is vervolgens de opdrachtgever, de SNS Bank, die de verrekening heeft verricht in verband met een roodstand. Dit heeft verder niet met de beslaglegging te maken en kan de gerechtsdeurwaarder dan ook niet worden tegengeworpen. Na de afwikkeling van het dossier en het restitueren van alle gelden heeft de gerechtsdeurwaarder geen invloed meer op wat er vervolgens gebeurt. De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van klachtonderdeel 2.2 niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.

 

4.5 De kamer stelt vast dat klaagster de gerechtsdeurwaarder op 19 april 2016 heeft verzocht om een eindafrekening. Bij e-mail van 22 april 2016 is hierop gereageerd met de mededeling dat deze niet verstrekt kon worden. Klaagster werd verwezen naar salarisspecificaties van haar cliënt. Op 23 april 2016 en op 11 mei 2016 heeft klaagster nogmaals verzocht om een eindafrekening. Op 18 mei 2016 is klaagster nogmaals medegedeeld dat een eindafrekening niet verstrekt kon worden. De kamer stelt vast dat er een misverstand is gerezen waarbij de gerechtsdeurwaarder en klaagster elkaar verkeerd hebben begrepen over wat er nu precies van elkaar werd verwacht en wat moet worden verstaan onder een eindafrekening. Een eindafrekening wordt opgemaakt na sluiting van een dossier en is iets wat uitsluitend de gerechtsdeurwaarder en de opdrachtgever aangaat. Nu klaagster volhardde in het vragen om een eindafrekening is het niet tuchtrechtelijk laakbaar dat die (steeds) niet werd verstrekt. Op 17 juni 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster een specificatie verschaft van alle door hem ontvangen bedragen, kennelijk is dat wat klaagster bedoelde met een eindafrekening. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken zodat klachtonderdeel 2.3 ongegrond wordt verklaard.

 

4.6 Dit lot treft ook klachtonderdeel 2.4 nu de gerechtsdeurwaarder op 18 mei 2016 nog telefonisch heeft gereageerd naar aanleiding van de door klager verzonden e-mails. Dan kan niet worden gezegd dat niet op de e-mails van klager is gereageerd. Dat klager het niet met die reactie eens was, maakt nog niet dat er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

 

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus gegeven door mrs. C.W. Inden, voorzitter, Ch. A. van Dijk en A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2017, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens