Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TADRARL:2018:63
Datum uitspraak:
12-03-2018
Datum publicatie:
04-04-2018
Zaaknummer(s):
17-888
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtGedragingen in strafzaken
Beslissingen:
Klacht gegrond, zonder maatregel
Inhoudsindicatie:
Verweerder heeft naar het oordeel van de deken zijn mobiele telefoon met geheimhoudernummer ter beschikking heeft gesteld aan zijn inverzekeringgestelde cliënt. Dit is strijd met artikel 6.11 VODA waarin staat dat een advocaat ervoor moet zorgen dat een persoon zonder een verschoningsrecht of zonder een van een advocaat afgeleid verschoningsrecht, geen gebruikmaakt van een dergelijke telefoon. Het feit dat verweerder bij het door zijn cliënt gevoerde telefoongesprek aanwezig was en de regie had van het gesprek doet daar naar het oordeel van de raad niet aan af. de raad verklaart het bezwaar gegrond zonder oplegging van een maatregel omdat verweerder er blijk van heeft gegeven de juistheid van het bezwaar van de deken in te zien.

Gelderland

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 12 maart 2018

in de zaak 17-888

naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

 

deken

tegen

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 26 oktober 2017 heeft de deken bij de raad een bezwaar ingediend tegen verweerder.

1.2    Het bezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 12 januari 2018 in aanwezigheid van de deken, vergezeld van mr. J. en verweerder, bijgestaan door mr. [O.]. Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.

1.3    De raad heeft kennis genomen van het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1    Op 26 juni 2017 heeft verweerder in het kader van de piketdienst consultatiebijstand verleend aan een verdachte in het cellencomplex te Apeldoorn. In een proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Nederland d.d. 27 juni 2017 is verslag gedaan van het optreden van verweerder inzake gebruik van zijn mobiele telefoon.

2.2    Uit dit verslag blijkt dat de verdachte contact heeft gehad met zijn partner door gebruik te maken van de mobiele telefoon van verweerder. Verdachte was niet onderworpen aan beperkingen.

 

3    DEKENBEZWAAR

3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij tijdens zijn optreden in het kader van de piketdienst op 26 juni 2017 zijn mobiele telefoon met geheimhoudernummer ter beschikking heeft gesteld aan zijn inverzekeringgestelde cliënt. Daardoor heeft hij gehandeld in strijd met artikel 6.11 VODA waarin staat dat een advocaat ervoor moet zorgen dat een persoon zonder een verschoningsrecht of zonder een van een advocaat afgeleid verschoningsrecht, geen gebruikmaakt van een dergelijke  telefoon

3.2    Op grond van bovenstaande bepalingen zijn strikte afspraken gemaakt en worden door alle partijen protocollen gevolgd. Het is voor strafrechtadvocaten van belang dat zij in goed overleg met politie en justitie de belangen van hun cliënt kunnen verdedigen. Het volgen van die protocollen is van belang voor een goede verstandhouding en ter bevordering van de contacten tussen advocaten, justitie en politie, alles weer in het belang van onder andere een professionele rechtsbijstand aan de cliënt. De deken verwijst naar:

A.    Reglement Piket Raad voor Rechtsbijstand

Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand op grond van artikel 37 eerste lid aanhef en onder b van de Wet op de rechtsbijstand

…………..

Artikel 10.3 Misbruik mobiele telefoon

Indien de politie aan een advocaat die deelneemt aan het (jeugd)strafpiket toestemming geeft om zijn mobiele telefoon in het bureau bij zich te dragen, mag deze telefoon niet misbruiken en een verdachte daarvan geen gebruik laten maken. De Raad zal bij misbruik, indien tuchtrechtelijke maatregelen tegen de advocaat zijn genomen of de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, de inschrijving van de advocaat voor het (jeugd)strafpiket (al dan niet tijdelijk) doorhalen.

B.    Landelijk reglement Arrestantenzorg

Artikel 3.8.4 Mobiele communicatieapparatuur

Het is bezoekers van ingeslotenen, waaronder medewerkers van Reclassering en Raad voor de Kinderbescherming, niet toegestaan zich binnen een cellencomplex of politiebureau te bevinden terwijl zij in het bezit zijn van mobiele communicatieapparatuur. Zij dienen deze in bewaring te geven bij de dienstdoende arrestantenverzorger. Bij weigering wordt hen geen toegang tot het cellencomplex of politiebureau verleend. Advocaten mogen tijdens consultatiebijstand en bijstand tijdens het politieverhoor hun mobiele communicatie apparatuur bij zich houden voor het ontvangen en beantwoorden van oproepen van de Piketcentrale. Een tablet of laptop kan daarnaast ook gebruikt worden voor het maken van aantekeningen.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft niet gehandeld in strijd met artikel 6.11 van de VODA. Hij heeft zijn cliënt/de verdachte geen gebruik laten maken van zijn telefoon met geheimhoudernummer. Er is een “conference call” gevoerd met de partner van de verdachte. Verweerder heeft aan dat gesprek deelgenomen en de regie daarover gevoerd.

4.2    Dit gesprek is gevoerd enerzijds om de partner van de verdachte op de hoogte te stellen van zijn vrijheidsbeneming en anderzijds om te voldoen aan de verplichting van een advocaat om te doen aan getuigenverificatie.

4.3    Het belang van de verdediging van de cliënt staat in dit soort situatie voorop.

 

5    BEOORDELING

5.1    Artikel 6.6 van de VODA geeft aan met welk doel de geheimhoudernummers wordt geregistreerd. Deze registratie vindt plaats ter waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt. Blijkens de toelichting op de  betreffende bepalingen wordt daarmee voorkomen dat telefoongesprekken van advocaten als geheimhouders  worden afgeluisterd en getapt. Daarvoor worden de opgegeven nummers in een filter in een aparte server opgenomen. Alle tapgesprekken gaan langs deze filter waardoor gesprekken van geheimhouders niet getapt kunnen worden.

5.2    In artikel 6.11 VODA is de zorgplicht van de advocaat die over een geheimhoudernummer beschikt, verwoord. De advocaat dient in principe voor vertrouwelijke communicatie (met zijn cliënt, de verdachte) gebruik te maken van het geheimhoudernummer.

5.3    In lid 3 van dit artikel is vastgelegd dat de advocaat er zorg voor draagt dat een persoon zonder (een van de advocaat afgeleid) verschoningsrecht geen gebruikmaakt  van zijn geheimhoudernummer.

5.4    Justitie moet ervan uit kunnen gaan dat de telefoon niet wordt afgestaan aan derden, die mogelijk verdachten in een opsporingsonderzoek kunnen zijn. Immers die gesprekken kunnen dan ook niet meer afgeluisterd worden, wat de opsporing ernstig zou kunnen belemmeren. Dit komt ook naar voren in de door de deken aangehaalde regelingen van de Raad voor Rechtsbijstand en het Landelijk Reglement Arrestantenzorg. Uit het geheel van  regelgeving blijkt dat Justitie slechts akkoord is gegaan met het op deze wijze beschermen van de vertrouwelijke communicatie tussen een advocaat en zijn (verdachte of gedetineerde) cliënt op voorwaarde dat zij er dan ook vanuit kan gaan dat die “beschermde telefoon” niet door anderen wordt gebruikt. Dit is in de onderhavige zaak wel het geval geweest. Verweerder heeft dan wel gesteld dat hij de regie over het gesprek heeft gevoerd maar dit maakt de overtreding van artikel 6.11 lid 3 VODA niet anders. De verdachte kan op die manier al dan niet versluierde informatie doorgeven die vervolgens buiten het netwerk komt te vallen dat justitie in het kader van de opsporing kan afluisteren. Het levert een schending op van het belang van het vertrouwen van justitie in de advocaat en omgekeerd (!) welk vertrouwen  nu juist door de onverkorte naleving van aangehaalde regelgeving gewaarborgd dient te worden. 

5.5    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder dit uitgangspunt geschonden en met name artikel 6.11 VODA overtreden door zijn (verdachte) cliënt te laten communiceren met een derde middels zijn telefoon.

Tot slot

5.6    Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt voor de raad tot de conclusie dat het bezwaar van de deken gegrond is.

 

6    MAATREGEL

6.1    Aangezien verweerder te kennen heeft gegeven zich nu te realiseren dat hij in deze kwestie beter voor een andere aanpak had kunnen kiezen, ziet de raad geen meerwaarde in het opleggen van een maatregel.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    De raad ziet aanleiding om verweerder gelet op artikel 48ac lid 1 onder b van de Advocatenwet te veroordelen in de kosten die de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.000,00. De raad bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de Nederlandse Orde van Advocaten door overmaking naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer 17-888.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het dekenbezwaar gegrond;

-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de wijze en binnen de termijn als boven onder 7 bepaald.

 

Aldus gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mrs. F. Klemann, J.A. Holsbrink, H.J.P. Robers, G.J. van der Veer, leden, bijgestaan door mr. J.M.G. Kuin–van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2018.

 

Griffier                      Voorzitter

 

Verzonden  d.d. 12 maart 2018

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens