Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2018:55
Datum uitspraak:
16-07-2018
Datum publicatie:
16-07-2018
Zaaknummer(s):
16/2118 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht gegrond met waarschuwing Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
 Persoonsgericht gericht onderzoek naar het handelen van een voormalig werknemer/trader bij een internationale onderneming die zich o.m. bezighoudt met papieren transacties en het speculeren op fysieke transacties betreffende biobrandstoffen.NV COS 4400 niet van toepassing. Betrokkene diende ermee rekening te houden dat zijn opdrachtgever zijn uit te brengen rapportage in een civiele procedure tegen de voormalige werknemer zou inbrengen. Voor aan een dergelijke rapportage te stellen eisen, zie o.m. CBb 20 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:364. Onder omstandigheden dienen ook de voorlopige conclusies voor wederhoor aan de onderzochte persoon te worden voorgelegd. In casu had ook het deel van het rapport, waarin betrokkene concludeerde dat zijn cliënte door het toerekenbaar handelen van de voormalige werknemer $ 95,596 miljoen schade heeft geleden, eerst ter wederhoor aan die voormalige werknemer dienen te worden voorgelegd.Klacht gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants(Wtra)in de zaak met nummer16/2118Wtra AKvan16 juli 2018van

 

 

 

X,

wonende te [plaats1],

K L A G E R,

raadsman: mr. J.P. Koets,

 

 

t e g e n

 

 

drs. Y,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E,

raadsman: mr. J.B.S. Hijink.

 



1.       Het verloop van de procedure

 

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-       het op 29 augustus 2016 ingekomen klaagschrift van dezelfde datum met bijlagen;

-       het op 3 januari 2017 ingekomen verweerschrift van dezelfde datum met bijlagen;

-       de bij brief van klager van 1 juni 2017, ingekomen op 2 juni 2017, toegezonden Rapportage van bevindingen van drs. [A] RA van [BV1] van 26 mei 2017 (hierna: het [BV1]-rapport) .

 

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 16 juni 2017 waar zijn verschenen: klager in persoon, bijgestaan door mr. J.P. Koets, advocaat te Haarlem en betrokkene in persoon, bijgestaan door mr. J.B.S. Hijink, mevrouw mr. M.L. Schönau en mr. L.A. van de Sandt, advocaten te Amsterdam en [collegaY1] en

[collegaY2], collega’s van betrokkene. De Accountantskamer heeft de mondelinge behandeling geschorst.

 

1.3       De Accountantskamer heeft voorts kennisgenomen van de aan partijen bekende nadere stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-       de bij brief van 6 oktober 2017, ingekomen op dezelfde dag, toegezonden reactie van betrokkene op de Rapportage van bevindingen van 26 mei 2017;

-       de bij brief van 28 november 2017, ingekomen op dezelfde dag, toegezonden nadere producties van klager.

 

1.4       De Accountantskamer heeft de mondelinge behandeling van de klacht hervat ter openbare zitting van 8 december 2017 waar zijn verschenen: klager in persoon, bijgestaan door mr. J.P. Koets, advocaat te Haarlem en betrokkene in persoon, bijgestaan door mr. J.B.S. Hijink en mr. L.A. van de Sandt, advocaten te Amsterdam en [collegaY1] en [collegaY2], collega’s van betrokkene.

 

1.5      Klager en betrokkene hebben op genoemde zittingen hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

 

2.         De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1       Klager is per 1 januari 2008, dan 23 jaar oud, in dienst getreden bij [onderneming1] als trainee-trader op de biobrandstofafdeling, de afdeling [B]. In 2010 is hij trader geworden, later Trade Manager [B]. Op de afdeling [B] werkten nog twee andere traders, mevrouw [C] vanaf januari 2013 als junior trader en de heer [D] vanaf februari 2014 als trainee trader en vanaf 1 januari 2015 als junior trader. Klager,

[C] en [D] vormden toen de front-office van de afdeling. Zij werden onder meer ondersteund door de backoffice die de transacties afwikkelde en de afdeling Operational Risk die de transacties controleerde en de posities die [B] innam monitorde. 

 

2.2       [onderneming1] is in 1920 opgericht als een handelsbedrijf in granen en oliezaden en is uitgegroeid tot een internationale onderneming die zich bezighoudt met de verwerking, opslag en (fysieke en papieren) handel in agrarische producten. In 2014 heeft de in [land1] gevestigde onderneming [onderneming2] 51% van de aandelen in [onderneming1] verworven. Sinds augustus 2016 is [onderneming2] volledig eigenaar van [onderneming1].

 

2.3       [B] hield zich de laatste jaren vooral bezig met papieren transacties en het speculeren op fysieke transacties betreffende biobrandstoffen. De gesloten transacties werden in het administratiesysteem INTRAS ingevoerd. Omdat [B] grotendeels op illiquide markten opereerde, werd in INTRAS niet gewerkt met marktprijzen, maar met een prijsstellingssysteem, PCAT, dat grotendeels was gebaseerd op de prijzen van laatst gesloten transacties.

 

2.4       Het gerapporteerde resultaat van [B] in 2013 en 2014 bedroeg in totaal USD 14.612.000,- netto. In 2015 bleek - na intern onderzoek door [onderneming1] - dat door [B] een omvangrijk verlies was geleden, mogelijk vanwege een overwaardering van handelsvoorraden en toekomstige verplichtingen. De directie van [onderneming1] heeft daarop haar accountant [accountantskantoor1] een boekhoudkundig onderzoek laten doen ter beoordeling van de interne controlekwesties op het gebied van biotrading. Ook is een eigen interne review verricht naar de oorzaken van gerealiseerde verliezen / ongerealiseerde winsten in de 30 maanden voorafgaand aan 31 december 2014. Ten slotte heeft [onderneming1] het bedrijf [onderneming3] opgedragen onderzoek te doen naar mogelijke onregelmatigheden binnen [B]. [onderneming3] heeft op 26 mei 2015 gerapporteerd. [onderneming3] concludeerde onder meer dat klager interne regels betreffende de handel in biobrandstoffen had overtreden, zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door op naam van een eigen vennootschap activiteiten te verrichten voor een belangrijke handelspartner van [onderneming1] en dat hij data heeft gemanipuleerd in de systemen van [onderneming1]. Naar aanleiding van de bevindingen van [onderneming3] is klager op 6 mei 2015 op staande voet ontslagen door [onderneming1].



2.5       Betrokkene is partner bij [accountantskantoor2] op de afdeling Forensic Services.



2.6       [onderneming1] heeft betrokkene opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Betrokkene heeft de opdracht bevestigd in een brief van 7 april 2015 aan de heer [E], chief auditor bij [onderneming1]. In de (Engelstalige) brief is aangegeven dat in het onderzoek de volgende vragen centraal staan:

“How could [onderneming1] have lost approximately USD 200 million?

What does the loss consist off?

How could the overstatement grow to such a large number without the internal control and risk management systems of the company detecting it and stopping the build up?”

In de brief wordt verwezen naar de op dat moment lopende onderzoeken van [onderneming3] en [accountantskantoor1] en is vermeld dat de onderzoeksperiode 2013-2014 is. Verder is aangegeven dat [accountantskantoor2] geen ‘draft reports’ zal opstellen en dat het definitieve rapport pas aan [onderneming1] beschikbaar kan worden gesteld zodra hoor en wederhoor is toegepast.

2.7       Voor het uitvoeren van de opdracht is een team samengesteld dat onder leiding van betrokkene aan de opdracht heeft gewerkt. Van dat team maakten naast medewerkers van de afdeling Forensic Services ook medewerkers van de afdeling Treasury and Commodity Trading van [accountantskantoor2] deel uit. Het team onder leiding van betrokkene heeft bij het werken aan de opdracht een projectplan gehanteerd, waarin drie fasen zijn onderscheiden: het begrijpen van de handelsstrategie en het risicomanagement (fase 1), het analyseren van de data in het zogenaamde tradebook (fase 2) en het samenvatten van bevindingen, het houden van interviews ter beantwoording van vragen die voortvloeien uit de analyse en het schrijven van het rapport (fase 3).

 

2.8       Bij het verrichten van het onderzoek heeft het onderzoeksteam van betrokkene gebruik kunnen maken van de gegevens die [onderneming1] aan [onderneming3] beschikbaar heeft gesteld aan het begin van het onderzoek door [onderneming3] en van de review van [onderneming1] zelf. Aan het slot van het onderzoek heeft [accountantskantoor2] ook het concept rapport van [onderneming3] ontvangen.

In het kader van het onderzoek zijn door betrokkene en zijn team 22 medewerkers van [onderneming1] gehoord. Met twaalf medewerkers heeft een als interview aangeduid gesprek plaatsgevonden, waarvan een gespreksverslag is opgesteld dat veelal door de gesprekspartners is ondertekend.

 

2.9       Nadat klager door een medewerker van [onderneming1] per e-mailbericht van 19 mei 2015 op de hoogte was gebracht van het door [accountantskantoor2] te verrichten onderzoek en van de wens van [accountantskantoor2] om klager “in het kader van hoor- en wederhoor” in de gelegenheid te stellen zijn visie te geven op de bevindingen van [accountantskantoor2] uit het onderzoek, heeft [collegaY1] van [accountantskantoor2] klager in een e-mailbericht van 22 mei 2015 uitgenodigd voor een gesprek om de bevindingen van het onderzoek te bespreken. In het gesprek kan [accountantskantoor2] de diverse bevindingen met klager doornemen en vragen aan hem stellen over de achtergrond van individuele transacties.

De advocaat van klager, [advocaat1], liet weten dat klager de vragen en bevindingen schriftelijk wilde ontvangen, waarna [collegaY1] in een brief van 3 juni 2015 de bevindingen, bestaande uit een rapport van 57 bladzijden, heeft toegezonden. Op 24 juni 2015 heeft [advocaat1] een uitvoerige reactie van [X] op de bevindingen naar [collegaY1] gestuurd.



2.10     Na ontvangst van de reactie van klager heeft het team van betrokkene nog diverse medewerkers van [onderneming1] (nogmaals) gesproken.

 

2.11     Op 8 juli 2015 heeft betrokkene het (Engelstalige) rapport aangeboden aan [onderneming1]. In de managementsamenvatting van het rapport is (in de Nederlandse vertaling) onder meer het volgende vermeld:

Algemeen

01        [onderneming1]’s profit centre [B] handelt in verschillende gradaties biobrandstoffen op de Europese en mondiale biobrandstofmarkten teneinde marges te realiseren door (…) (2) posities in te nemen op de te verwachten veranderingen in marktprijzen. Tussen 1 oktober 2012 en 31 december 2014 hebben deze handelsresultaten geleid tot een positieve bijdrage aan [onderneming1]’s totaalresultaten, resulterend in een netto resultaat van 23 miljoen USD. Dit netto resultaat bestond uit een totaal van 97 miljoen USD niet-gerealiseerde winsten en een totaal van -74 miljoen USD verliezen. Echter, uit een gedetailleerde analyse van de trading book per op 31 december 2014 blijkt dat deze cijfers niet het werkelijke transactieresultaat van het profit centre [B] weergegeven en dat [onderneming1] 200 miljoen USD moest afboeken ingevolge de overwaardering van haar biobrandstofposities en kredietverliezen op specifieke wederpartijen.

02        Het profit centre [B] werd in die periode geleid door de heer [X]. We hebben begrepen dat de arbeidsrelatie met de heer [X] is beëindigd, omdat, zonder dat hij hiervoor toestemming had, de heer [X] betrokken was bij andere entiteiten en via deze entiteiten zakelijke relaties onderhield met (personen gelieerd aan) [onderneming4] en/of bedrijven gelieerd aan [onderneming4]. [onderneming3] heeft verslag uitgebracht over deze specifieke issues, welke niet binnen de scope liggen van dit [accountantskantoor2]-onderzoek.

03        Om de verschillende meest belangrijke belanghebbenden van [onderneming1] in staat te stellen te begrijpen wat er is gebeurd binnen het profit centre [B] in deze periode, geeft dit rapport antwoord op de die hoofdvragen die geformuleerd zijn in onze opdrachtbevestiging:

Hoe kan [onderneming1] naar schatting 200 miljoen USD verloren hebben?

04        Risicomanagement bij biobrandstof handelsactiviteit is gecompliceerd door de beperkte liquiditeit van verschillende brandstofmarkten en door de sterke invloed van overheidsvoorschriften in verschillende jurisdicties, die het lastig maken om de marktwaarde van de contracten in te schatten. Deze complexiteiten verklaren mede waarom de verschillende onderdelen binnen [onderneming1]’s risicobeheer niet op tijd hebben ontdekt hoe de voortdurende rapportage van niet-gerealiseerde winsten (die de op maandelijkse basis gerealiseerde verliezen ruimschoots compenseerden) leidde tot een overwaardering van het forward book en tank positions van het profit centre, die -207 miljoen USD bedroeg toen ze begin 2015 uiteindelijk werd ontdekt.

05        Uit de resultaten van ons forensisch onderzoek naar de verkeerde waardering van het forward book en de tank positions blijkt dat de ontdekte overwaardering kan worden toegeschreven aan de volgende oorzaken:

- Onjuiste marktprijzen voor waarderingsdoeleinden: De waardering van het forward book en tank positions van het profit centre is gebaseerd op marktgegevens die niet overeenkwamen met de prijsinschattingen verstrekt door onafhankelijke derden.

- Het onjuist weergeven van posities: De posities in het forward book waren niet juist ingeschat, omdat (1) de posities niet aan de correcte prijscurves waren gekoppeld, (2) de kostenramingen voor transport, verzekering etc. niet altijd de beste inschattingen weergaven en tevens werden aangepast tijdens de looptijd van de transacties en (3) de hoeveelheden vastgelegd in het trading systeem niet overeenkwamen met de werkelijke hoeveelheden in het contract. Belangrijker nog, de tank positions werden niet correct weergegeven, zodat “Niet duurzame” brandstofvoorraden werden gewaardeerd als “duurzame” biobrandstofvoorraden.

-          Registratie van niet-bestaande deals in het forward book: De posities in het forward book gaven geen juist en volledig inzicht, omdat (a) ook niet-bestaande deals geregistreerd werden in het trading systeem en omdat (b) bestaande deals niet altijd werden vastgelegd in het trading systeem.

-          Kredietverliezen op forwardposities: Het forward book en de post openstaande vorderingen waren daarnaast ook overgewaardeerd, omdat ze het verslechterende kredietrisico van één van de grootste handelspartijen ([onderneming4]) niet goed weergaven.

-          Kredietverliezen op het saldo van uitstaande vorderingen: De uitstaande vorderingen op verschillende wederpartijen moesten worden afgeschreven door verzuim van deze wederpartijen.

-          Niet-waarneembare schendingen van Markt- en Kredietrisicolimieten: Specifieke handelsactiviteiten ondernomen door het profit centre [B] waren blijkbaar zo opgezet dat ontdekking van schendingen van de kredietrisico- en marktrisicolimieten zou worden voorkomen. Schendingen van het kredietrisicolimiet waren bijvoorbeeld deels niet waarneembaar voor de verantwoordelijke risicomanagers, omdat het profit centre [B] geen trades toewees aan de werkelijke wederpartijen. Sommige deals werden bovendien niet in het trading systeem ingevoerd en confirmaties voor deals ontbraken. Dit duidt erop dat het marktrisico van het profit centre [B] niet correct werd weergegeven en dat de stop-loss limieten niet werden getriggerd.

 

Waar bestaat dit verlies uit?

06        In totaal hebben de bovengenoemde zaken geleid tot een afschrijving van 207 miljoen USD. Dit kan als volgt worden uitgesplitst:

(1) Herwaardering van Forward Book en Tank Position                            -86.753 (*)

(2) Herwaardering ingevolge de onnauwkeurige handelsgegevens

(hoeveelheid, PE etc.)                                                                                              -40.691 (*)

(3) Afschrijving op forward posities van [onderneming4] en gelieerde

wederpartijen                                                                                                           -51.957 (**)

(4) Afschrijving op forward posities van [onderneming5]                          -6.676

(5) Afschrijving op vorderingen [onderneming4]                                       -16.000 (**)

(6) Afschrijving op vorderingen andere wederpartijen                              -5.000

                                                                                                                     -207.077

(…)De onderdelen die gemarkeerd zijn met een “*” hebben betrekking op overwaardering van posities en onderdelen en de onderdelen die gemarkeerd zijn met een “**”hebben betrekking op de wederpartij [onderneming4].

0.7       De resultaten van ons onderzoek geven aan dat de overwaardering van het trading book die geleid heeft tot de hierboven opgesomde afschrijvingen het resultaat was van specifieke handelsactiviteiten door de trader van het profit centre [B]. Deze handelsactiviteiten vonden blijkbaar plaats in de periode dat de overwaardering van het forward book en de tank positions aan het opbouwen was, tussen 2012 en 2014.

(…)

09        [onderneming1] is een onderneming die handelt in grondstoffen, waardoor verliezen gemoeid met marktrisico en kredietrisico een onvermijdelijk risico vormen dat inherent is aan haar businessmodel. [onderneming1] heeft echter risicomanagementprocessen, beleid en systemen geïmplementeerd die haar risicomanagementteam helpen corrigerende acties te ondernemen als de verliezen een vooraf vastgelegde drempel overschrijden. Hierdoor kan het deel van de geleden verliezen dat gezien kan worden als de schade die [onderneming1] heeft geleden, worden berekend als het verschil tussen (i) de werkelijke situatie en (ii) de counterfactual situatie’. Deze counterfactual situatie geeft de omvang van de verliezen weer die geleden zouden zijn als [onderneming1] in de positie zou zijn geweest om tijdig corrigerende acties te ondernemen, dat wil zeggen als [onderneming1]’s risicomanagementteam de schendingen van de marktrisicolimieten (drawndown) en kredietrisicolimieten had geïdentificeerd.

10        Ten behoeve van de schadeberekening kan de financiële situatie van [onderneming1] in beide situaties als volgt berekend worden:

                                  Werkelijke situatie   Counterfactual situatie       Verschil

                                   USD ‘000                   USD ‘000                               USD‘000

Totaal handelsverlies 61.367                        4.000                                      57.367

Verlies op open

posities [onderneming4]79.633                   10.000                                  69.633

                                   141.000                      14.000                                    127.000

11        Op basis van bovenstaande tabel en de aannames kan worden geconcludeerd dat de door [onderneming1] geleden schade als gevolg van incorrect gerapporteerde trading resultaten die tot aanzienlijke verliezen hebben geleid doordat [onderneming1] geen corrigerende acties heeft ondernomen, 127.000.000 USD bedraagt. Het verschil tussen het eerder genoemde totaalverlies van 207.000.000 USD en het schadebedrag van 127.000.000 USD is te verklaren door de ongerealiseerde winstcomponent die afgeschreven moest worden in de boeken van [onderneming1], maar die in strikt juridische zin geen schade veroorzaakte.

Hoe kon de overwaardering oplopen tot een dusdanig groot bedrag zonder dat de interne controle- en risicomanagementsystemen van de organisatie dit ontdekt hebben en de opbouw gestopt is?

 

12        De motivatie van het profit centre [B] om in deze activiteiten deel te nemen kan worden verklaard door het totale trading book te scheiden in drie onderling gerelateerde segmenten.

- Allereerst, met haar fysieke logistieke diensten business, bood het profit centre [B] aan haar afnemers de nodige flexibiliteit door posities door te rollen in de tijd, waardoor het feitelijk opslag- en financieringsdiensten bood. Dit doorrollen van posities verklaart voor een deel de waargenomen handelsactiviteit, zoals de hoge frequentie van washout transacties. Bovendien was de winstgevendheid van dit segment naar is te veronderstellen relatief klein gezien de beperkte spreads tussen aan- en verkoopprijzen die een sterke stimulans creëren om de waardering van het forward book en tank positions kunstmatig op te drijven.

- Ten tweede, als onderdeel van haar “papieren” handelsactiviteiten, heeft het profit centre [B] feitelijk een markt opgebouwd in financiële posities op de gasolieprijs en hiermee wederpartijen met een beperkte kredietwaardigheid toegang gegeven tot dergelijke instrumenten. Als gevolg van deze handelsactiviteiten groeide de exposure jegens wederpartijen met een beperkte kredietkwaliteit gestaag, zelfs toen het mandaat om dergelijke deals te sluiten werd ingetrokken.

- Ten derde, als onderdeel van haar “papieren” handelsactiviteiten, was het profit centre [B] ook betrokken bij handelsactiviteiten voor eigen rekening om daarmee te speculeren op de verwachte ontwikkeling van de marktprijzen. Echter, zoals blijkt uit de negatieve resultaten, hebben deze handelsactiviteiten slechts geleid tot verliezen. De prestatie van dit deel van het book heeft ook sterke prikkels gecreëerd voor het profit centre [B] om de waarde van het forward book en tank positions kunstmatig op te drijven om daarmee niet-gerealiseerde winsten te creëren ter compensatie van de gerealiseerde verliezen.

 

13        Er is dan ook sterke aanleiding om te vermoeden dat de waargenomen handelsactiviteiten niet het resultaat zijn van een aaneenschakeling van fouten. Ze lijken eerder het beoogde resultaat van handelingen van de heer [X].

 

14        Deze activiteiten van het profit centre zijn in zekere mate gefaciliteerd door kwetsbaarheden in de organisatiestructuur van [onderneming1] en door tekortkomingen in het interne controlekader. Er was bijvoorbeeld geen feitelijke scheiding in taken tussen de front office en risicomanagement / back office, zodat het vastleggen van een deal en wijziging van die transactie door een trader niet effectief gemonitord konden worden. Bovendien was er geen systematische toetsing van eerstedagswinsten en -verliezen die het risicomanagement hadden kunnen helpen om de accuraatheid van de door de front office aangedragen marktprijsgegevens voor niet liquide grondstoffenmarkten te valideren. Verder was er geen totaalbeeld van de handelswinsten en -verliezen van het profit centre [B] doordat de operationele risicobeheersing en controlling zich richtte op de gerealiseerde winsten en verliezen, terwijl market risk toezag op de ongerealiseerde winsten en verliezen.

 

15 De heer [X] was op de hoogte van de kwetsbaarheden in de interne controleomgeving en maakte hiervan gebruik om uit de buurt te blijven van limieten zoals de kredietlimiet, draw down-limiet, stop-loss-limiet en position-limiet. De heer [X] creëerde andere wederpartijen om de kredietlimieten te omzeilen en vervalste broker statements om de MTM-waardering aan te passen en daardoor de draw down-limieten te omzeilen. Verder voerde de heer [X] niet-bestaande deals in in het systeem om de position-limiet te beïnvloeden.

 

16        Met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor is de heer [X] de mogelijkheid geboden om te reageren op die delen van ons rapport die op hem betrekking hadden. Op 24 juni 2015 stuurde de heer [X] [accountantskantoor2] zijn reactie.

 

17        In de reactie van de heer [X] op onze bevindingen stelt hij (onder andere) dat de [onderneming1]-organisatie wist dat het trading systeem verouderd was en onvoldoende ondersteuning bood aan de Biofuel handel. De heer [X] moest zogenaamde ‘workarounds’ gebruiken om transacties te kunnen registreren. Volgens de heer [X] werden de problemen met administratie steeds groter naarmate het trading book in volume steeg. Het viel ons op dat iedereen die hierbij betrokken is erkent dat het systeem beperkingen en workarounds heeft. Aan de andere kant benadrukken de betrokkenen ook dat dit geen reden mag zijn om data te bewerken, omdat uiteindelijk alle in het trading systeem opgeslagen data een weergave moeten zijn van alle handel die daadwerkelijk is gedaan. Wij merken op dat de heer [X] niet heeft toegelicht waarom hij de data heeft bewerkt (zoals het toevoegen van niet-bestaande deals of onjuiste marktwaardes) en bovendien heeft hij niet ontkend dat hij dit heeft gedaan.

 

18        Ondanks deze tekortkomingen kan uit interne emailwisselingen af worden geleid dat het profit centre [B] al geruime tijd, in ieder geval sinds 2013, de bijzondere aandacht had van verschillende toezichthoudende afdelingen vanwege haar hoge gebruik van werkkapitaal, gebrekkige naleving van het beleid rondom het vastleggen van handelstransacties en de omvangrijke exposure aan kredietrisico’s ten opzichte van enkele wederpartijen gedurende een lange periode beginnend aan het einde van 2013. Het is daarom verrassend dat deze patronen die geleid hebben tot de uiteindelijk geïdentificeerde verliezen niet in een eerder stadium opgemerkt zijn. Dit doet de vraag rijzen wie wat wist en op welk moment.

(…)

Werden problemen adequaat geflagged en reageerden [onderneming1]’s systemen adequaat?

19        Onduidelijkheid over hoe deals werden verwerkt in Intras en het feit dat hij de enige specialist in het team was, maakten het voor de heer [X] eenvoudig om transacties te verbergen die hij eigenlijk niet mocht doen of deals in te voeren die eigenlijk niet bestonden, laat staan de manieren die hij vond om gegevens in het systeem te veranderen die het MTM-bewakingssysteem corrumpeerden en, als gevolg daarvan, [onderneming1]’s daadwerkelijke exposure op de markt en haar debiteuren verhulden.

 

20        Wisten andere mensen dan de heer [X] over de manipulaties en niet-bestaande transacties? Nee, gebaseerd op ons onderzoek zijn wij tot de conclusie gekomen dat dat niet het geval was.

 

21        Wist iemand binnen de organisatie hoe omvangrijk het probleem was, dat wil zeggen een verlies van USD 207 miljoen? Nee, op basis van ons onderzoek begrijpen we dat niemand wist hoe groot het verlies was, en dat in feite financiële transacties werden gedaan in plaats van fysieke deals, hoe slecht de kredietkwaliteit van klant [onderneming4] was, dat vier andere klanten in feite ook [onderneming4]-ondernemingen waren en dat er geen back-to-back regeling was met degene waarvan men dacht dat het de eindafnemer was: [onderneming6].

 

22        Door het simpele feit dat de omvang van het probleem nooit duidelijk was, dacht men altijd dat “problemen” rondom het biofuels book opgelost waren na een bevredigend antwoord van de heer [X]. Dat is ook de reden dat de problemen nooit geëscaleerd werden tot aan directieniveau: de problemen leken simpelweg niet belangrijk genoeg; ze werden opgemerkt en er werd mee omgegaan op een lager niveau.

 

23        Dit ging zo door totdat de debt exposure van [onderneming1] ten opzichte van [onderneming4] eind 2014 tot grote hoogten opliep dat het probleem werd opgemerkt, onderzocht en leidde uiteindelijk tot de kennis waar [onderneming1] nu over beschikt. We verwijzen naar onze aanbevelingen hoe in de toekomst dergelijke problemen eerder ontdekt kunnen worden.

 

24        Voor zover het de risicofunctie binnen [onderneming1] aangaat, had de problematiek rondom het biofuels book naar onze mening eerder ontdekt kunnen worden als de eerstedagswinst en -verliezen van de trader systematisch zouden zijn gecontroleerd, en als er systematisch follow-up zou zijn toegepast ten aanzien van het wijzigingenlogboek [change log].

 

25 Met betrekking tot de interne controle binnen [onderneming1] herhalen we dat onvoldoende scheiding van taken tussen back office en front office de onregelmatigheden in de hand heeft gewerkt. Nogmaals, de kwestie had eerder ontdekt kunnen worden als een adequate controletechnische functiescheiding was geïmplementeerd.

 

2.12     [onderneming1] heeft klager op 17 september 2015 gedagvaard voor de kantonrechter te [plaats3]. Zij vordert onder meer betaling van een bedrag van USD 127.000.000 van klager. Aan deze vordering legt [onderneming1] ten grondslag dat klager haar opzettelijk, dan wel bewust roekeloos schade heeft berokkend (artikel 7:661 BW). Zij beroept zich daartoe onder meer op het rapport van betrokkene en citeert in dat verband de hiervoor aangehaalde nummers 13 en 20 uit de managementsamenvatting van het rapport.

 

2.13     [onderneming1] heeft aangifte gedaan tegen klager bij het Openbaar Ministerie.



3.         De klacht

 

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

 

3.2       In zijn klaagschrift heeft klager een groot aantal (sub)klachten geformuleerd. De klachten zijn niet alle als zodanig aangegeven of genummerd. Ze vallen in een viertal, wel als zodanig aangeduide, categorieën uiteen. De klachten komen in de kern op het volgende neer:

I.          De aard van de opdracht en van de werkzaamheden zijn zodanig onduidelijk dat niet valt vast te stellen wat aard en doel zijn. Bovendien heeft betrokkene het rapport, ondanks de beperkingenclausule in de aanbiedingsbrief bij het rapport, ten onrechte naar buiten gebracht.

II.        Betrokkene is in zijn onderzoek concluderend te werk zijn gegaan, terwijl de in het rapport opgenomen conclusies onvoldoende gefundeerd en niet herleidbaar zijn tot (objectieve) bronnen. Het rapport heeft dan ook geen deugdelijke grondslag.         

III.       Het rapport is moeilijk te lezen en te doorgronden en de bevindingen in het rapport zijn onvoldoende verantwoord en niet te herleiden tot de bronnen.

IV.       Betrokkene heeft onvoldoende wederhoor toegepast door relevante delen van het rapport niet ten behoeve van wederhoor aan klager beschikbaar te stellen.

Elk van deze klachten bevat een aantal subklachten.

 

3.3      Wat door of namens klager bij de beide mondelinge behandelingen als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) maar - voor zover het daartoe kan dienen - als een ondersteuning van de betwisting van de door of namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht. In dit verband merkt de Accountantskamer op dat voor zover het door klager ter voorbereiding op de eerste mondelinge behandeling in het geding gebrachte [BV1]-rapport onderdelen van het rapport van betrokkene bekritiseert die in het klaagschrift buiten beschouwing zijn gebleven de Accountantskamer deze kritiek buiten beschouwing zal laten. De Accountantskamer zal slechts die onderdelen van het [BV1]-rapport in aanmerking nemen, die (al dan niet in reactie op het verweerschrift van betrokkene) een onderbouwing bieden voor de in het klaagschrift geformuleerde klachten en alleen voor zover deze onderdelen ook door de raadsman van klager bij gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling van de klacht zijn ingeroepen. Dat betekent dat de Accountantskamer bij de bespreking van de klachten het klaagschrift steeds als uitgangspunt zal nemen en alleen op het [BV1]-rapport (en op de reactie van betrokkene op dat rapport) zal ingaan voor zover het rapport door (de raadsman van) klager is ingeroepen ter onderbouwing van de in het klaagschrift al vermelde klachten of in reactie op het verweerschrift van betrokkene. Daarbij heeft, zoals hiervoor is overwogen, te gelden dat voor zover klager naar aanleiding van het verweerschrift tijdens de beide mondelinge behandelingen, al dan niet met een verwijzing naar het [BV1]-rapport, klachten en verwijten over onderdelen van het rapport naar voren heeft gebracht waarvoor de oorspronkelijke klacht geen enkel aanknopingspunt biedt, de Accountantskamer die klachten en verwijten niet in aanmerking neemt. 

 

4.         De gronden van de beslissing

 

4.1       Over de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

 

4.2       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

 

4.3       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, nu dit plaatshad ná 4 januari 2014, worden getoetst aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

 

4.4      Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als deze in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

4.5       In de opdrachtbrief van 17 april 2015, hiervoor aangehaald in rechtsoverweging 2.6, heeft betrokkene aangegeven dat het doel van de werkzaamheden het beantwoorden van drie in de brief omschreven vragen is. Deze vragen zijn ook opgenomen in hoofdstuk 2 van het rapport “Reikwijdte van het onderzoek en verrichte werkzaamheden”. Het rapport is opgebouwd rond deze drie vragen en ook in de managementsamenvatting worden de drie vragen vermeld en beantwoord. Naar het oordeel van de Accountantskamer wordt in het rapport dan ook heel duidelijk gemaakt wat de bedoeling van het onderzoek was en dat het onderzoek is verricht dat aan betrokkene was opgedragen.

 

4.6       De Accountantskamer volgt klager niet in diens uitgangspunt dat de opdracht kwalificeert als een opdracht op basis van NV COS 4400. Betrokkene heeft er terecht op gewezen dat het doel van een opdracht op grond van deze standaard is het rapporteren van feitelijke bevindingen (vgl. NV COS 4400, paragraaf 4). De gebruikers van een NV COS 4400 rapport zullen zichzelf een oordeel moeten vormen over de werkzaamheden van de accountant, die zijn neergelegd in diens rapport (NV COS 4400, paragraaf 5). In zijn rapport heeft betrokkene de onderzoeksvragen, conform de door hem aanvaarde opdracht, uitdrukkelijk wel beantwoord en heeft hij daarmee ook een oordeel gegeven over de door hem en zijn team verzamelde informatie ter beantwoording van die vragen. De opdracht had dan ook uitdrukkelijk een ruimere strekking dan een opdracht op grond van NV COS 4400. Betrokkene heeft in zijn rapport dan ook terecht geen melding gemaakt van deze standaard en heeft zijn rapport terecht niet volgens deze standaard ingericht.

 

4.7       De Accountantskamer is, met partijen, van oordeel dat, nu ook het handelen van personen object van onderzoek was, de opdracht een persoonsgericht onderzoek is waarvoor de NBA handreiking 1112 Persoonsgerichte onderzoeken best-practice regels aanreikt. Deze regels, voor zover hierna toegepast, volgen ook uit de VGBA, met name uit de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

 

4.8       Omdat op het rapport de NV COS 4400 niet van toepassing is, hoefde betrokkene in het rapport niet te vermelden dat de verspreiding van het rapport beperkt is tot degenen met wie de uit te voeren werkzaamheden zijn overeengekomen (vgl. NV COS 4400, paragraaf 18 onder l). Voor betrokkene gold een dergelijke beperking van de verspreiding van het rapport niet. Die is in het rapport ook niet vermeld. Betrokkene heeft in de aanbiedingsbrief wel vermeld dat het rapport alleen bestemd is voor [onderneming1] en haar adviseurs en niet met anderen mag worden gedeeld zonder de voorafgaande toestemming van [accountantskantoor2].  [accountantskantoor2] heeft, onbestreden door klager, aangegeven dat zij toestemming heeft verleend voor het inbrengen van het rapport in de civiele procedure tegen klager, zodat niet valt in te zien dat betrokkene klager met de verspreidingsclausule in de aanbiedingsbrief op het verkeerde been heeft gezet. Niet alleen voorziet de clausule in het met toestemming van [accountantskantoor2] ter beschikking stellen van het rapport aan derden, maar bovendien heeft klager pas kennisgenomen van deze brief nadat het rapport in het geding was gebracht, zodat hij door de brief op het punt van de beperkte verspreiding niet op het verkeerde been kan zijn gezet.

 

4.9       De slotsom is dat klachtonderdeel I faalt.

 

4.10     Bij de bespreking van de klachtonderdelen II tot en met IV stelt de Accountantskamer voorop dat, als dit hem bij het aanvaarden van zijn opdracht al niet duidelijk was, betrokkene in elk geval gedurende zijn werkzaamheden bekend raakte met het feit dat [onderneming1] klager aansprakelijk hield voor de door haar geleden schade, deze schade op klager wilde verhalen in een gerechtelijke procedure en het rapport van betrokkene zou gebruiken ter onderbouwing van haar vordering op klager. Klager diende er dan ook rekening mee te houden dat zijn rapport in een civiele procedure zou worden gebruikt ter onderbouwing van het standpunt van [onderneming1]. Gelet op de toegevoegde waarde die in het maatschappelijk verkeer aan een accountantsrapport in een gerechtelijke procedure wordt toegekend en het algemene belang dat rechtspraak op objectieve waarheidsvinding berust, dient de betrokken accountant in een dergelijk geval ervoor zorg te dragen dat zijn rapportage de waarheidsvinding niet belemmert door zijn rapport niet vooral toe te spitsen op het belang van zijn opdrachtgever. Indien de accountant in zijn rapport conclusies trekt, dienen deze een deugdelijke grondslag te hebben en zal uit het rapport duidelijk moeten zijn op welke bevindingen de conclusies zijn gebaseerd en aan welke bronnen de accountant de bevindingen ontleent. In dit verband merkt de Accountantskamer op dat, zoals het CBb onder meer in zijn uitspraak van 20 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:364) heeft overwogen, van de accountant die weet dat het door hem in het kader van een persoonsgericht onderzoek op te stellen rapport zal worden gebruikt in een juridische procedure tegen degene op wie het onderzoek betrekking heeft een bijzondere zorgvuldigheid mag worden verwacht in de uitvoering van de werkzaamheden en bij de totstandkoming van de rapportage. Bij het bepalen van zijn onderzoeksmethode(n) dient de accountant in voldoende mate rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van degene wiens handelen of functioneren het object van het onderzoek is en die niet de mogelijkheid heeft om via de opdrachtformulering het doel, de aard en de omvang van het onderzoek te beïnvloeden. Bij zijn onderzoek dient de accountant zich verder altijd bewust te zijn van de (ernstige) gevolgen die (de uitkomst van) het onderzoek kan hebben voor deze persoon. Dat kan, volgens het CBb in deze uitspraak, meebrengen dat de accountant ook actief zal moeten onderzoeken of andere informatie beschikbaar is die een ander licht op de zaak kan werpen en dat hij de door hem gevonden informatie voor zover mogelijk dient te verifiëren, omdat de bij een persoonsgericht onderzoek uit te voeren werkzaamheden veelal ten minste gedeeltelijk een verifiërend karakter hebben.

 

4.11     In zijn rapport heeft betrokkene niet alleen conclusies getrokken over de omvang van de schade door het handelen van klager, maar ook over het karakter van het handelen van klager. Betrokkene heeft geconcludeerd dat de schade ten gevolge van incorrect gerapporteerde tradingresultaten USD 127.000.000 bedraagt en dat de handelsactiviteiten die tot dit verlies hebben geleid niet het resultaat zijn van een aaneenschakeling van fouten, maar van welbewust handelen van klager. Verder heeft betrokkene gerapporteerd dat klager alleen heeft gehandeld, dat anderen niet wisten van zijn handelen en dat klager de door hem verrichte incorrecte transacties heeft verborgen. Dat laatste was mogelijk doordat hij de enige specialist in het team was. Deze conclusies van betrokkene zijn naar redelijke verwachting van groot belang in de civiele procedure van [onderneming1] tegen klager, omdat [onderneming1] op grond van artikel 7:661 BW niet alleen zal moeten bewijzen dat en hoeveel schade zij door het handelen van klager heeft geleden, maar ook dat deze schade het gevolg is van opzettelijk of bewust roekeloos handelen van klager. In dit verband merkt de Accountantskamer op dat voor het antwoord op de vraag of klager opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld van belang kan zijn of klager alleen heeft gehandeld en/of of zijn handelen niet ongebruikelijk was binnen de afdeling van klager. Betrokkene diende ten aanzien van deze, naar hij wist of behoorde te weten, voor een civiele procedure zeer relevante, en voor klager nadelige, conclusies zorg te dragen voor een deugdelijke grondslag, door de door hem gevonden informatie zoveel mogelijk te verifiëren en door ook op zoek te gaan naar informatie die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. Hij diende ook ten aanzien van zijn voor deze conclusies relevante bevindingen wederhoor toe te passen en naar aanleiding van de wederhoor zo nodig nader onderzoek te verrichten. De Accountantskamer zal hierna nagaan of betrokkene dat (voldoende) heeft gedaan.

 

4.12     Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat een accountant die een persoonsgericht onderzoek verricht, conclusies mag verbinden aan de door hem verzamelde gegevens, mits deze conclusies een deugdelijke grondslag hebben. Dat geldt ook voor conclusies die een negatieve kwalificatie behelzen van het handelen van de persoon wiens handelen object van onderzoek is. De in klachtonderdeel II geformuleerde klacht dat betrokkene conclusies trekt en (in de managementsamenvatting) vergaande kwalificaties gebruikt voor het handelen van klager, is dan ook in zoverre ongegrond. Het enkele feit dat betrokkene conclusies trekt en vergaande kwalificaties gebruikt, is niet onjuist. Waar het om gaat, is of betrokkene daar voldoende grondslag voor had en of hij waar nodig voldoende wederhoor heeft toegepast.

 

4.13     De Accountantskamer volgt klager niet in diens betoog dat de in de managementsamenvatting geformuleerde conclusies en kwalificaties over het handelen van klager niet zijn gebaseerd op de inhoud van het rapport[1]. In zijn verweerschrift heeft betrokkene, onvoldoende weersproken door klager, aangegeven op welke onderdelen van het rapport de gewraakte conclusies en kwalificaties in de managementsamenvatting zijn gebaseerd. Naar het oordeel van de Accountantskamer biedt de managementsamenvatting een adequate samenvatting van het rapport en wordt de lezer van (alleen) de managementsamenvatting niet op het verkeerde been gezet, in die zin dat de inhoud van de managementsamenvatting niet wordt gedragen door de inhoud van het gehele rapport. In zoverre is klachtonderdeel II ongegrond.

 

4.14     Het algemene verwijt dat klager betrokkene in klachtonderdeel II maakt over het ontbreken van bronnen/redenen van wetenschap van de diverse bevindingen[2], is onvoldoende specifiek. In het rapport worden van veel bevindingen wel de bronnen vermeld. Een verplichting om van alle bevindingen de bron(nen) te vermelden, kan niet worden aangenomen. Of van een bepaalde bevinding de bron moet worden vermeld, hangt af van het karakter en de betekenis van de betreffende bevinding, terwijl ook van belang is of de bevinding in het kader van wederhoor ter discussie is gesteld.

 

4.15     In klachtonderdeel II verwijt klager betrokkene verder nog dat betrokkene voor zijn onderzoek gebruik heeft gemaakt van financiële gegevens zonder dat hij heeft kunnen verifiëren of deze gegevens correct en accuraat waren[3]. De gegevens zijn door [onderneming1] verstrekt, maar betrokkene heeft toch op basis van deze gegevens gerapporteerd en geconcludeerd, aldus klager. Klager verwijst in dit verband naar punt 39 van het rapport onder het kopje “beperkingen”, dat als volgt luidt:

De hierboven vermelde procedures vormen geen audit of een beoordeling van de genoemde financiële data. Derhalve biedt ons rapport geen garantie met betrekking tot de betrouwbaarheid van de financiële data.

 

4.16     Betrokkene heeft erop gewezen dat zijn werkzaamheden geen wettelijke controle of review inhouden; het betrof geen assuranceopdracht. Volgens betrokkene heeft hij de van [onderneming1] ontvangen financiële gegevens, waar nodig, geverifieerd. Bovendien heeft hij in punt 39 van zijn rapport een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt, inhoudende dat hij de financiële gegevens niet heeft gecontroleerd.

 

4.17     De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene inderdaad een voorbehoud heeft gemaakt op het punt van de van [onderneming1] ontvangen financiële gegevens en dat dit voorbehoud, mede door de plaatsing in de paragraaf “beperkingen”, duidelijk kenbaar is. Klager heeft in het licht van het verweer van betrokkene onvoldoende onderbouwd dat betrokkene, gelet op het door hem gemaakte voorbehoud, de door [onderneming1] verstrekte financiële gegevens niet had mogen gebruiken. In dit verband wijst de Accountantskamer erop dat klager niet heeft aangegeven welke gegevens betrokkene ten onrechte heeft gebruikt, waardoor van betrokkene niet kon worden gevergd dat hij zijn stelling dat hij deze gegevens waar nodig heeft geverifieerd zou preciseren. Ook op dit punt faalt klachtonderdeel II.

 

4.18     Klager verwijt betrokkene het gebruik van omineuze begrippen als manipuleren en financiële belangenverstrengeling[4]. Volgens klager mogen dergelijke begrippen in een rapport als dit niet worden gebruikt. De Accountantskamer volgt klager niet in dit betoog. Nog daargelaten dat het werkwoord ‘to manipulate’ in de Engelse taal waarin het rapport is uitgebracht een meer feitelijke betekenis kan hebben - in de zin van aanpassen of wijzigen - en niet de connotatie van fraude hoeft te hebben, geldt dat een accountant indien zijn bevindingen daarvoor voldoende grondslag bieden deze begrippen in een rapport mag gebruiken. Het komt er dan ook op aan of sprake is van voldoende grondslag. Dat daarvan geen sprake is, heeft klager in het kader van dit klachtonderdeel verder niet onderbouwd, zodat het als zelfstandig klachtonderdeel ongegrond is.

 

4.19     Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de algemene verwijten van klachtonderdeel II falen. Op de concrete verwijten, gericht op verschillende bevindingen en conclusies, zal de Accountantskamer hierna ingaan, tezamen met de verwijten die in klachtonderdeel III worden gemaakt, waarbij de Accountantskamer tot leidraad zal nemen wat hiervoor in rechtsoverweging 4.11 is overwogen.

 

4.20     Volgens klager is de berekening van de schade in het rapport van betrokkene onduidelijk[5]. In het verweerschrift heeft betrokkene dat bestreden. Hij heeft toegelicht hoe het schadebedrag is berekend en welke uitgangspunten daarbij zijn gehanteerd en hij heeft betoogd dat deze uitgangspunten ook in het rapport zelf al zijn vermeld en dat de berekening in het rapport van een adequate toelichting is voorzien. De Accountantskamer is, met betrokkene, van oordeel dat hij in het rapport inzichtelijk heeft gemaakt hoe de schade is berekend en op welke uitgangspunten de schadeberekening is gebaseerd. Dit klachtonderdeel faalt dan ook.

 

4.21     Volgens klager is bij de berekening van de schade ten onrechte rekening gehouden met de post [onderneming5][6]. In het rapport wordt uitgegaan van een overwaardering, maar in werkelijkheid betrof het een default/non performance, waarvoor hij niet verantwoordelijk is, aldus klager. Tussen partijen staat vast dat [onderneming5] failliet is gegaan en dat de vordering op [onderneming5] USD 7.000.000 bedroeg. Volgens betrokkene bedroeg de stop/loss limiet van [onderneming5] USD 1.500.000. Wanneer de transacties met [onderneming5] in het tradebook correct zouden zijn vermeld, zou de positie van [onderneming5] bij haar faillissement USD 1.500.000 hebben bedragen. Het verschil is aan klager toe te rekenen, omdat hij de handelstransacties met [onderneming5] niet correct in het tradebook heeft verwerkt, aldus betrokkene in diens verweerschrift. Dat klager de transacties met [onderneming5] in het tradebook heeft verwerkt, heeft hij niet bestreden. In zoverre is de klacht ongegrond.

 

4.22     Klager heeft bij gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling onder meer bij het verlies van [onderneming5] naar voren gebracht, dat [onderneming1] een winstegalisatiesysteem hanteerde waarbij verliezen op een klant (zoals [onderneming5]) werden gecompenseerd met ongerealiseerde winsten op die klant. Volgens klager heeft betrokkene deze winstegalisatie ten onrechte buiten beschouwing gelaten en daardoor ten onrechte geconcludeerd tot overschrijding van limieten van de desbetreffende klanten en tot het toerekenen van schade aan klager vanwege die overschrijdingen. De Accountantskamer stelt vast dat klager de kwestie van de winstegalisatie in zijn klaagschrift niet aan de orde heeft gesteld; het begrip winstegalisatie komt in het klaagschrift niet naar voren. Pas naar aanleiding van het verweer van betrokkene heeft de advocaat van klager tijdens de eerste mondelinge behandeling, met een beroep op het [BV1]-rapport, het onderwerp winstegalisatie geïntroduceerd. Bij gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling was de winstegalisatie een van de hoofdonderwerpen. Naar het oordeel van de Accountantskamer is klager daarmee buiten de grenzen van de oorspronkelijke klacht getreden, zodat de kwestie van de winstegalisatie buiten het debat behoort te blijven. De Accountantskamer neemt daarbij in aanmerking dat de oorspronkelijke klacht geen enkel aanknopingspunt bevat voor de gedachte dat klager aan betrokkene ook verweet dat hij ten onrechte het volgens klager toegepaste systeem van winstegalisatie buiten beschouwing had gelaten.

 

4.23     Bij gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling heeft de advocaat van klager betoogd dat betrokkene in zijn rapport de schade bij [onderneming5] om nog een andere reden ten onrechte aan klager heeft toegeschreven. Volgens klager is ten onrechte niet eerder een voorziening getroffen op de vordering van [onderneming5], die naar [onderneming1] bekend was, al lang openstond. De Accountantskamer stelt vast dat klager dit argument pas bij gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling, en daardoor te laat om nog in aanmerking te worden genomen, naar voren heeft gebracht.

 

4.24     De slotsom is dat de oorspronkelijke klacht betreffende de kwestie [onderneming5] ongegrond is en dat wat verder bij deze kwestie aan aanvullende klachten en verwijten naar voren is gebracht buiten beschouwing wordt gelaten.

 

4.25     Klager verwijt betrokkene dat diens in randnummer 7 van de management-samenvatting van het rapport weergegeven conclusie - kort gezegd dat de overwaardering van het tradebook het resultaat was van specifieke handelsactiviteiten van klager -onvoldoende grondslag heeft[7]. In zijn verweerschrift heeft verweerder aangegeven op welke vijf elders in het rapport uitgewerkte bevindingen hij deze conclusie heeft gebaseerd. Het gaat om een substantiële stijging van de ‘gasoil exposure’ ten opzichte van [onderneming4] in de tweede helft van 2014 (1), het aanpassen van broker statements (2), het hanteren van onjuiste marktprijzen (3), een onevenredig groot aantal ‘deal amendments’ bij de afdeling [B] (4) en het cancellen van deals met een positieve marktwaarde (5). Bij gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling is de advocaat van klager op deze bevindingen ingegaan en heeft hij in dat verband verwezen naar het [BV1]-rapport. Voor zover klager in zijn klaagschrift niet over de door betrokkene in zijn verweerschrift besproken bevindingen heeft geklaagd, zal de Accountantskamer de klachten en verwijten over deze bevindingen buiten beschouwing laten. Het zijn nieuwe klachten over specifieke onderdelen van het rapport, waarover klager in zijn klaagschrift had kunnen klagen. Voor zover hij dat voor het eerst tijdens de (eerste) zitting heeft gedaan, is hij te laat.

 

4.26     De Accountantskamer stelt over de genoemde bevindingen het volgende vast:

Ad 1:   in nummer 118 van het rapport is onder verwijzing naar figuur 13 - waarin het totaalbedrag van de kunstmatige gasposities die aan één specifieke wederpartij ([onderneming4]) zijn verkocht - vermeld:

“Deze figuur geeft aan dat met name vanaf het begin van de tweede helft van 2014, de kunstmatige gasolieposities die aan [onderneming4] zijn verkocht, kennelijk substantieel zijn toegenomen.”

In het klaagschrift is (de grondslag van) deze bevinding niet ter discussie gesteld.

 

ad 2:    in nummer 130 van het rapport is aangegeven dat broker statements zijn veranderd voordat deze naar de risicoafdeling werden gestuurd. Daarbij is opgemerkt dat deze broker statements gebruikt worden voor het verifiëren van de marktprijzen in het systeem.

In het klaagschrift is (de grondslag van) deze bevinding niet ter discussie gesteld.

 

ad 3:    in nummer 132 van het rapport is vermeld:

“Over het algemeen is er grondslag voor dat de marktprijzen vastgesteld als resultaat van het dagelijkse W&V proces niet altijd een getrouwe weergave van de marktwaarde vormden.”

Deze bevinding is toegelicht in nummer 131 van het rapport en in bijlage 3, een tabel waarin een overzicht wordt gegeven van de verschillen in de marktprijzen die in Intras zijn gehanteerd en de marktprijzen op basis van een onafhankelijke prijsbeoordeling.

Ook over (de grondslag van) deze bevinding wordt in het klaagschrift niet geklaagd.

ad 4:    in nummer 136 van het rapport wordt ingegaan op het grote aantal transactiewijzigingen door het profit centre [B]. In nummer 136 is aangegeven dat uit intern onderzoek van [onderneming1] volgt dat, in vergelijking met andere afdelingen, sprake is van een groot aantal transactiewijzigingen bij [B]. Deze transactiewijzigingen hadden vaak betrekking op de commerciële bepalingen van de transacties, wat tot een andere waardering van de marktwaarde van de transacties leidde.  In de nummers 137 en 138 wordt deze bevinding, onder verwijzing naar twee tabellen, waarin de wijzigingen zijn verwerkt, uiteengezet, waarna in nummer 139 wordt geconcludeerd:

“Deze resultaten bevestigen de uitkomst van [onderneming1]’s interne onderzoek dat het profit centre [B] verantwoordelijk was voor een groot deel van de transactiewijzigingen in [onderneming1]’s trading system.”

De Accountantskamer heeft in het klaagschrift geen klacht tegen (de grondslag van) deze bevindingen kunnen lezen.

 

- ad 5:             in nummer 144 van het rapport is, op basis van een tabel waarin de marktwaarde van ingetrokken deals is weergegeven, geconcludeerd:

“Over het algemeen geven de resultaten aan dat het profit centre [B] mogelijk winstgevende handelsresultaten heeft geboekt [de Accountantskamer leest hier: “prijsgegeven”, gelet op het gebruik van de woorden “given up” in het originele rapport] door deals met een positieve marktwaarde in te trekken. Juist deze effecten lijken het meest uitgesproken voor deals met de wederpartijen “[onderneming4]” en “[onderneming7]”.

In het klaagschrift wordt (de grondslag van) deze bevinding (in elk geval indirect, bij klacht III onder a. en e.) ter discussie gesteld. De Accountantskamer komt daar hierna op terug.

4.27     Ook wanneer de onder 5. weergegeven bevinding geen deugdelijke grondslag heeft, blijft staan dat klager de deugdelijke grondslag van de vier andere bevindingen niet (tijdig) ter discussie heeft gesteld. Die bevindingen kunnen de door klager gewraakte conclusie in de managementsamenvatting naar het oordeel van de Accountantskamer dragen. De slotsom is dan ook dat klager dit klachtonderdeel in het licht van het gemotiveerde verweer van betrokkene niet voldoende heeft onderbouwd.

 

4.28     Volgens klager is betrokkene ook ten onrechte concluderend tewerk gegaan bij nummer 13 van de managementsamenvatting[8]:

“Er is dan ook sterke aanleiding om te vermoeden dat de waargenomen handelsactiviteiten niet het resultaat zijn van een aaneenschakeling van fouten. Ze lijken eerder het beoogde resultaat van handelingen van de heer [X].”

 

Betrokkene heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat deze conclusie is gebaseerd op de volgende bevindingen:

a. een substantieel deel van de transactiewijzigingen was niet het gevolg van gebruikelijk ‘dealonderhoud’ (uitgewerkt in de nummers 140 en 141 van het rapport);

b. deals met een positieve marktwaarde werden geannuleerd waardoor winst werd gerapporteerd (uitgewerkt in de nummers 143 en 144 van het rapport);

c. er zijn onjuiste marktprijzen gehanteerd waardoor winst werd gerapporteerd, die niet daadwerkelijk was gerealiseerd (uitgewerkt in de nummers 171 – 173 van het rapport);

d. de bedragen uit de broker statements werden niet aangehouden, waardoor winst werd gerapporteerd die niet daadwerkelijk was gerealiseerd (uitgewerkt in de nummers 175 – 177 van het rapport).

 

Omdat klager verantwoordelijk was voor het biofueltradebook (nummer 156 van het rapport) kunnen deze bevindingen aan het handelen van klager worden toegeschreven, aldus betrokkene in het verweerschrift.

 

4.29     De Accountantskamer stelt vast dat de in het vorige randnummer onder a., c. en d. vermelde bevindingen in het rapport staan vermeld en in het klaagschrift niet door klager ter discussie zijn gesteld. Deze bevindingen kunnen - daargelaten wat er zij van de grondslag van de onder b. vermelde bevinding, waarop de Accountantskamer hierna terugkomt - in combinatie met de in het klaagschrift niet weersproken bevinding dat klager verantwoordelijk was voor het biofuel tradebook de conclusie dragen dat de in het rapport gesignaleerde opmerkelijke handelsactiviteiten het gevolg waren van doelgericht handelen en niet van vergissingen of fouten. Het klachtonderdeel faalt dan ook.

 

4.30     Klager klaagt ook over nummer 15 van de managementsamenvatting[9] waarin is aangegeven dat klager op de hoogte was van de kwetsbaarheden in de interne controle-omgeving en hiervan gebruik maakte om uit de buurt te blijven van limieten. Betrokkene heeft deze klacht weersproken onder meer door te verwijzen naar de wederhoor van klager waaruit volgens betrokkene volgt dat klager inderdaad op de hoogte was van zwakten in het interne controlesysteem van [onderneming1]. Ook heeft betrokkene gewezen op de bevinding in het rapport dat geen sprake was van controle op de winst van de eerste dag (nummer 124 van het rapport) en een adequate controle op de bevestiging van transacties ontbrak (nummers 334 en 336 rapport). Die bevinding vindt volgens betrokkene ook steun in de wederhoor van klager, waarin is aangegeven dat [B] vaak laat en niet volledig was met de bevestiging van contracten en de eigen bevestigingen moest regelen; de bevestigingen waren dus ook geregeld alleen van [B] zelf en niet van de contractspartij afkomstig.

 

4.31     De Accountantskamer stelt vast dat klager de hiervoor genoemde bevindingen niet in het klaagschrift aan de orde heeft gesteld. Deze bevindingen kunnen de conclusie waarover klager klaagt dragen, zodat het tegen de conclusie gerichte klachtonderdeel faalt.

 

4.32     Klager klaagt er vervolgens over dat betrokkene in nummer 144 van het rapport

- hiervoor aangehaald in rechtsoverweging 4.26 - heeft geconcludeerd dat “betrokkene” [de Accountantskamer gaat ervan uit dat hier “klager” is bedoeld] contracten heeft verwijderd en daardoor wellicht winstgevende contracten voor [onderneming1][10]. Volgens betrokkene wijst deze - ook nog eens voorzichtig geformuleerde - conclusie terug naar tabel 8 van het rapport en houdt deze uitsluitend de constatering in dat uit de gegevens die klager in Intras heeft vastgelegd volgt dat een aantal voor [onderneming1] winstgevende contracten vlak voor de vervaldatum werd geannuleerd. Klager heeft daarop, onder verwijzing naar het [BV1]-rapport betoogd dat ten onrechte niet is beoordeeld of er wellicht andere contracten voor de geannuleerde contracten in de plaats zijn gekomen en of er wel sprake is geweest van benadeling. Volgens het [BV1]-rapport is bij [onderneming4] een aantal malen een transactie door een andere, aan [onderneming4] gelieerde, tegenpartij overgenomen en zijn transacties met [onderneming7] ingetrokken vanwege een regeling die is getroffen met [onderneming8], waarbij [onderneming8] een deel van een oninbare vordering op [onderneming7] heeft voldaan.

 

4.33     De Accountantskamer overweegt als volgt. Nummer 144 van het rapport moet worden gelezen in verbinding met nummer 143, waarnaar het ook verwijst. In nummer 143 is aangegeven dat het geen gebruikelijke zakelijke werkwijze is om transacties vóór hun definitieve einddatum in te trekken. Vervolgens is in nummer 143 een tabel opgenomen waarin de cumulatieve marktwaarde van deals op de dag waarop deze worden ingetrokken wordt getoond. Daarna wordt in nummer 144 van het rapport vermeld dat [B] mogelijk winstgevende handelsresultaten heeft opgegeven door deals met een positieve marktwaarde in te trekken, en dat dit effect het meest uitgesproken lijkt voor deals met [onderneming4] en [onderneming7].

 

Klager heeft in wederhoor als volgt op de nummers 143 en 144 gereageerd:

“Dit was niet ongebruikelijk. Neutraliseren (dat wil zeggen financiële afwikkeling) vóór de einddatum was indien gewenst toegestaan en zou altijd bevestigd worden (hetzij direct of via de broker). Wij als [onderneming1] deden dit constant en niet alleen met [onderneming4], maar met veel meer andere tegenpartijen, hoewel [onderneming4] (in termen van volume) natuurlijk een fors deel van ons volume in 2014 uitmaakte. Wanneer we dit deden, dekten we dit altijd gelijk af om het resultaat aan onze kant vast te leggen.”

 

In het rapport is in reactie op de wederhoor opgemerkt dat een verschil bestaat tussen intrekken en neutraliseren. Waar het mogelijk tot de dagelijkse praktijk behoorde om transacties te neutraliseren, is het de ervaring van de opstellers van het rapport dat het niet gangbaar is om transacties veelvuldig in te trekken.

 

Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene met deze reactie onvoldoende recht gedaan aan de wederhoor van klager. Betrokkene heeft een eigen interpretatie gegeven van het door klager gebruikte begrip neutraliseren - ‘neutraliseren is wat anders dan annuleren’-, zonder eerst na te gaan wat klager met het niet eenduidige begrip neutraliseren bedoelde - in dit geval kennelijk: het annuleren van een deal met partij A, waartegenover dezelfde deal met de aan partij A gelieerde partij B wordt getroffen -, waardoor hij niet heeft onderzocht of de transacties niet toch zijn geneutraliseerd (vervangen door andere) in plaats van alleen maar geannuleerd. Zoals hiervoor is overwogen, dienen mede gelet op het beoogde gebruik van het rapport, hoge eisen te worden gesteld aan de omgang van betrokkene met de wederhoor van klager. Betrokkene heeft door dit aspect van de wederhoor de facto op een definitiekwestie af te doen, zonder te verifiëren of hij klager met deze definitie wel recht deed, onvoldoende zorgvuldigheid betracht en zich de mogelijkheid ontnomen om na te gaan of zijn conclusie dat winstgevende contracten waren geannuleerd een deugdelijke grondslag had. Het klachtonderdeel is op dit punt gegrond.

 

4.34     Dat betrokkene niet heeft onderzocht of het annuleren van contracten met [onderneming7] wellicht te maken had met een regeling met [onderneming8] over een oninbare vordering op [onderneming7], kan hem niet in redelijkheid worden verweten. De wederhoor bood geen enkel aanknopingspunt voor deze mogelijkheid en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat betrokkene zelf deze mogelijke verklaring voor het annuleren van de contracten had kunnen vinden en vervolgens had moeten onderzoeken.



4.35     Klager verwijt betrokkene vervolgens dat nummer 181[11] van het rapport een ongeoorloofde conclusie bevat. Deze klacht wordt in het klaagschrift niet toegelicht en bij gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling is de klacht evenmin toegelicht. De klacht is dan ook ongegrond vanwege het ontbreken van iedere onderbouwing. Dat geldt ook voor het volgende klachtonderdeel, dat zich keert tegen nummer 250[12] van het rapport. Noch in het klaagschrift noch bij gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling is dit onderdeel onderbouwd.

 

4.36     Volgens klager bevatten de nummers 426 - 429 van het rapport één van de meest kwalijke en ongefundeerde conclusies[13]. Deze nummers worden samengevat in nummer 426, die als volgt luidt:

“Wisten anderen dan de heer [X] van de manipulaties en niet-bestaande transacties? Nee, uitgaande van ons onderzoek moeten we concluderen van niet.”

 

Volgens klager heeft betrokkene met deze vraag een nieuwe onderzoeksvraag geïntroduceerd. Voor het antwoord op die vraag bestaat onvoldoende grondslag - alleen het hogere management is geïnterviewd en de medewerkers die betrokken waren bij de dagelijkse gang van zaken zijn buiten beschouwing gebleven - en klager ondervindt grote schade van de conclusie die betrokkene trekt.

 

4.37     De Accountantskamer volgt klager niet in diens betoog dat betrokkene met het stellen en beantwoorden van de bewuste vraag een nieuwe vraag heeft geïntroduceerd die buiten het bereik van de opdracht viel. De vraag past, zoals betrokkene in zijn verweer terecht opmerkt, binnen het kader van de beantwoording van de vraag “wie wist wat en wanneer?” die binnen elk persoonsgericht onderzoek centraal staat. Bovendien past de vraag binnen het kader van de derde hoofdvraag van het onderzoek. Naar het oordeel van de Accountantskamer kan deze vraag alleen verantwoord beantwoord worden wanneer de vraag naar de wetenschap van anderen binnen de organisatie is beantwoord.

 

4.38     De Accountantskamer is, gelet op wat hiervoor is overwogen over de civiele procedure tussen partijen, van oordeel dat het antwoord op deze vraag van groot belang kan zijn voor de beslissing in die procedure. Naarmate aannemelijker is dat klager solitair heeft gehandeld, in strijd met wat binnen [onderneming1] gebruikelijk was en zonder dat anderen binnen [onderneming1] daarvan wisten, dringt de conclusie zich op dat hij opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. De conclusie in het rapport dat anderen binnen de organisatie van [onderneming1] niet bekend waren met de handelwijze van klager, is dan ook zeer nadelig voor klager, zodat hoge eisen gelden voor de deugdelijkheid van de grondslag van die conclusie.

4.39     De Accountantskamer volgt klager niet zonder meer in diens betoog dat betrokkene onvoldoende grondslag had voor de in nummer 426 vermelde conclusie. Nummer 426 maakt deel uit van paragraaf 8.7, “slotopmerkingen”, waarin conclusies worden getrokken uit de in hoofdstuk 8 van het rapport vermelde bevindingen. In dat hoofdstuk staat de vraag centraal of problemen werden gesignaleerd en of de systemen van [onderneming1] adequaat reageerden. In de nummers 421 tot en met 425 worden die bevindingen aldus samengevat:

421  Uit ons onderzoek naar de vraag “wie wist wat op welk moment” werd duidelijk dat een aantal [onderneming1]-werknemers, actief binnen Sales, Risk Management of Finance, op de hoogte waren van problemen met het biofuels book. Het lijdt geen twijfel dat al deze werknemers, in ieder geval degenen met wie we hebben gesproken, gedurende het hele proces wisten dat er ‘iets’ een probleem veroorzaakte rondom het book.

422   Deze problemen werden echter altijd naar behoren aangepakt met inachtneming van de regels binnen [onderneming1]. Dat betekent dat tekst en uitleg werd ontvangen van de heer [X], dat een probleem werd geëscaleerd naar de heer [F], of dat een niet tijdig verrichte registratie werd rechtgezet.

423  Dat het Intras-systeem mogelijk niet het meest up-to-date systeem was, was genoegzaam bekend bij alle betrokkenen. Dat het systeem niet gebruiksvriendelijk was als het gaat om de handel in biobrandstoffen, vanwege specifieke problemen met certificaten van duurzame en niet-duurzame producten, was ook al geruime tijd bekend en de afdelingen Sales, Risk en Controlling maakten afspraken over praktische workarounds, zodat [onderneming1] de handel in biobrandstoffen kon voortzetten.

424   De laatste paragraaf, gekoppeld aan het feit dat de heer [X] waarschijnlijk de enige specialist binnen de [onderneming1]-organisatie als het gaat om de handel in biobrandstoffen was, maakte dat informatie in het Intras-systeem moeilijk op te sporen en/of te begrijpen was voor anderen. Dat leidde tot talloze vragen aan de heer [X], waarop hij naar we begrijpen altijd een antwoord had waarmee de persoon of de afdeling die de vraag stelde genoegen nam.

425   Anderzijds, vanwege onduidelijkheid over de manier waarop transacties werden ingevoerd in Intras en als enige deskundige binnen het team, was het voor de heer [X] eenvoudig om transacties te verbergen waarvoor hij feitelijk geen toestemming had of om transacties vast te leggen die feitelijk niet bestonden, om nog maar te zwijgen over de mogelijkheden die hij had om gegevens in het systeem aan te passen en daarmee het MTM-bewakingssysteem te ondermijnen en een vertekend beeld te schetsen van de daadwerkelijke blootstelling van [onderneming1] aan de markt en zijn schuldeisers.

4.40     Indien de in de nummers 421 tot en met 425 samengevatte bevindingen juist zijn, heeft de conclusie in nummer 426 van het rapport - anderen dan [X] wisten niet van diens manipulaties - deugdelijke grondslag. De Accountantskamer stelt vast dat klager deze bevindingen (slechts) bestrijdt met twee argumenten. Allereerst zijn de bevindingen gebaseerd op het horen van een te selecte groep medewerkers, vooral afkomstig uit het hogere management. Vervolgens is de in nummer 422 van het rapport weergegeven bevinding onvoldoende gefundeerd, aldus klager[14]. De Accountantskamer zal deze twee argumenten bespreken.

 

4.41     Ten aanzien van het eerste argument geldt naar het oordeel van de Accountantskamer dat van betrokkene uiteraard niet kon worden gevergd om alle medewerkers van [onderneming1] te horen. Betrokkene diende een keuze te maken door een aantal medewerkers te horen met het doel  een zo compleet mogelijk beeld te krijgen. Wanneer na het horen van de aanvankelijk benaderde medewerkers nog essentiële vragen onbeantwoord bleven, diende hij andere medewerkers te horen, al dan niet op aanwijzing van de al gehoorde medewerkers. Indien de wederhoor van klager daartoe aanleiding gaf, diende betrokkene de gehoorde medewerkers opnieuw te horen of ook bij andere medewerkers informatie in te winnen, zeker wanneer klager in zijn wederhoor verwees naar medewerkers die over informatie beschikten die de wederhoor van klager steunde en de bevindingen in het conceptrapport aantastte.

 

4.42     Betrokkene heeft, in zoverre niet weersproken door klager, aangevoerd dat 22 medewerkers zijn geïnterviewd. Het betrof, stelt de Accountantskamer aan de hand van de functieomschrijving van de gehoorde medewerkers in het rapport (vgl. de opsomming in randnummer 38) vast, niet alleen managers, maar ook de beide medewerkers van klager en medewerkers en managers van andere afdelingen. Uit die opsomming volgt inderdaad dat naast de beide medewerkers van klager op de afdeling [B] ook enkele andere medewerkers zijn geïnterviewd die geen managementfunctie hadden. Ten aanzien van de keuze om deze medewerkers te spreken heeft betrokkene toegelicht dat hij en zijn team een lijst hebben samengesteld met personen die op enigerlei wijze betrokken waren bij het Biofuelbook en behulpzaam zouden kunnen zijn bij de beantwoording van de onderzoeksvragen. Volgens betrokkene zijn van alle afdelingen binnen [onderneming1] medewerkers en/of verantwoordelijken gehoord. Indien de aanvankelijk gehoorde medewerkers een vraag niet konden beantwoorden en verwezen naar een andere medewerker is ook die medewerker gehoord, aldus betrokkene die erop wijst dat uiteraard niet alle medewerkers van [onderneming1] konden worden gehoord maar keuzes gemaakt moesten worden. Volgens betrokkene zijn naar aanleiding van de wederhoor van klager dertien medewerkers (opnieuw) gehoord.

 

4.43     Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene aldus op een deugdelijke manier invulling gegeven aan de hiervoor omschreven verplichting om de juiste medewerkers van [onderneming1] te interviewen. Dat in het [BV1]-rapport vijf personen worden genoemd die relevante informatie hadden kunnen verstrekken indien zij zouden zijn gehoord, doet hieraan niet af. Zoals hiervoor is aangegeven, kon van betrokkene niet worden gevergd om alle medewerkers te horen die mogelijk relevante informatie konden verstrekken, maar mocht hij een keuze maken en diende hij die keuze uit te breiden indien het horen van de medewerkers van zijn eerste keuze of de wederhoor van klager daartoe aanleiding gaf. Dat daarvan ten aanzien van de in het [BV1]-rapport genoemde medewerkers sprake is geweest, heeft klager niet onderbouwd. In dit verband merkt de Accountantskamer op dat gesteld noch gebleken is dat klager de namen van deze medewerkers in zijn wederhoor heeft genoemd. Het argument faalt dan ook.

 

4.44     Het tweede argument heeft verweerder weersproken door in het verweerschrift gedetailleerd uiteen te zetten op welke bevindingen uit het rapport de conclusie in nummer 422 van het rapport is gebaseerd. Klager heeft vervolgens niet meer op deze uiteenzetting gereageerd, zodat hij zijn argument in het licht van het verweer van verweerder onvoldoende heeft onderbouwd.

 

4.45     De slotsom is dat ook dit klachtonderdeel faalt.

 

4.46     Klager verwijt betrokkene dat hij in het rapport met betrekking tot de annulering van contracten niet heeft vermeld welke contracten het betreft en op welke datum de contracten zijn geannuleerd.  Onduidelijk is waarop de door betrokkene in het rapport gehanteerde bedragen op zijn gebaseerd. Ook wat in het rapport is vermeld over de annulering van contracten met [onderneming4]/[onderneming7] is onduidelijk, aldus klager[15].

4.47     In zijn verweerschrift heeft betrokkene een toelichting gegeven op de bevindingen in het rapport over de annulering van de contracten. Hij heeft aangegeven dat in het rapport voor de marktwaarde van de geannuleerde contracten is uitgegaan van de vastlegging in Intras en heeft toegelicht waarom ervoor is gekozen om op portfolioniveau en niet per individueel contract te rapporteren.

 

4.48     De Accountantskamer stelt vast dat klager deze, naar het oordeel van de Accountantskamer, plausibele toelichting niet inhoudelijk heeft weersproken, zodat dit klachtonderdeel onvoldoende is onderbouwd en om die reden faalt.

 

4.49     Klager stelt[16] dat betrokkene in zijn rapport gevolgen heeft verbonden aan een e-mailbericht van 14 mei 2014 die niet aan dat e-mailbericht verbonden kunnen worden. Klager heeft ook aangevoerd dat aan de in het e-mailbericht vermelde limiet van [onderneming4] nooit uitvoering is gegeven. De transacties met [onderneming4] werden geregistreerd en gerapporteerd en de afdelingen operational risk en credit risk van [onderneming1] hebben desondanks nooit aan de bel getrokken. Klager wijst er onder verwijzing naar het [BV1]-rapport op dat een MtM limiet (MtM staat voor mark to market exposure) niet werkte. Volgens hem is de overschrijding van de limiet veroorzaakt door de daling van de olieprijs en niet door het toegenomen aantal transacties met [onderneming4]. 



4.50     Het e-mailbericht waarop klager doelt is een e-mailbericht van [G] aan

onder meer [F] en klager, naar aanleiding van een bijeenkomst die dag. In het e-mailbericht is onder meer het volgende vermeld:

“Short recap of our meeting this morning:

- we agree that purely based on financial credit assessment current levels of exposure are

  too high.

- However there are risk mitigation elements increasing our level of comfort:

- [onderneming4] performed last years also in difficult operation situations

-We have a high degree of comfort that [onderneming4]’s business model makes sense: they  made a decent profit despite we think they lost considerably on financial speculative

  trades.

 - Exposure is related to back tender business with [onderneming6].

- Next to this the business with [onderneming4] is highly profitable with a gross margin YtD of USD 3mln. Which makes the risk reward look good even if we would assume a high

   probability of default.

-  [voornaam] indicated to be comfortable with a max exposure of USD10mln provided the

   business we do is physical and related to [onderneming6] tenders. We don’t want financial trades with [onderneming4] in our books.

 

- Actions:

 

  - Translate USD10mln limit in volumetric limits to get an understanding how much

    volume we can do. Credit will draft a proposal.

    (…)

  - Investigate possibility to assign proceeds of contracts between [onderneming4] and [onderneming6]  to us in case [onderneming4] would default.”

 

4.51     In paragraaf 7.3 – “Berekening op basis van verboden transacties”- van zijn rapport heeft betrokkene het volgende vermeld:

“269 Op basis van een op 12 mei 2014 verzonden e-mail kon de afdeling [B] alleen transacties afsluiten met [onderneming4] als deze betrekking hadden op fysieke activiteiten met betrekking tot [onderneming6]-aanbestedingen. Per 15 mei 2014 begon de afdeling [B] met kunstmatige papieren transacties door fysieke transacties af te sluiten. Vanaf dat moment heeft [onderneming4] geen aanbestedingen meer gewonnen van [onderneming6] ontvangen. Het totaalbedrag van deze aan één specifieke wederpartij ([onderneming4]) verkochte kunstmatige gasolieposities is USD 22.229.000 (31 december 2014). Voor details verwijzen wij naar onderstaande grafiek.

(…)

271 uit dit cijfer blijkt dat met name vanaf de tweede helft van 2014 de hoeveelheden aan [onderneming4] verkochte kunstmatige gasolieposities substantieel zijn gestegen.

 

272 Bovendien moesten volgens de heer [F] alle activiteiten van cash against documents worden uitgevoerd, en daarom zou er nooit een debiteurensaldo (vordering) op [onderneming4] kunnen ontstaan. Voor één levering werd een uitzondering gemaakt toen de heer [X] meedeelde dat een trein met biobrandstof van [onderneming4] onderweg was naar [onderneming1]. Uiteindelijk is deze trein nooit aangekomen en dat resulteerde in een levering van [onderneming1] aan [onderneming4] waarvoor geen geld werd ontvangen.

(…)

273 Op basis van bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat uitgaande van de in dit hoofdstuk beschreven aannames de door [onderneming1] geleden schade als gevolg van de resultaten van verboden transacties, die ertoe hebben geleid dat significante verliezen niet aan het licht zijn gekomen en dat [onderneming1] niet in staat was correctieve maatregelen te nemen, uitkomt op een bedrag van USD 95.596.000.”

 

4.52     Volgens betrokkene had het klager op basis van het e-mailbericht van 14 mei 2014 duidelijk moeten zijn dat de maximale ‘exposure’ op [onderneming4] USD 10 miljoen mocht bedragen en dat alleen fysieke transacties met [onderneming4] mochten worden verricht indien daaraan een tender van [onderneming6] ten grondslag lag. Wat betrokkene in het door klager gewraakte randnummer 269 van zijn rapport heeft vermeld, is dan ook op het e-mailbericht van 14 mei 2014 gebaseerd, aldus betrokkene, die erop wijst dat klager dit bericht destijds wel heeft ontvangen, maar toen niet heeft laten weten dat het bericht de gemaakte afspraken onjuist weergeeft. Uit de wederhoor van klager volgt ook dat het klager duidelijk was dat en welke limiet was gesteld, meent betrokkene.

 

4.53     De tekst van het e-mailbericht biedt naar het oordeel van de Accountantskamer voldoende steun voor het oordeel van betrokkene dat op 14 mei 2014 is afgesproken dat alleen transacties mochten worden afgesloten met [onderneming4] indien deze betrekking hadden op fysieke activiteiten met betrekking tot [onderneming6]-aanbestedingen en dat de maximale ‘exposure’ met [onderneming4] USD 10 miljoen bedroeg. Het staat niet ter discussie dat deze limiet na 14 mei 2014 ruimschoots is overschreden. Evenmin staat ter discussie dat na 14 mei 2014 door klager nog diverse transacties zijn aangegaan met [onderneming4]. Betrokkene heeft, onvoldoende weersproken door klager, uiteengezet dat een groot deel van deze transacties in feite ‘synthetische transacties’ waren, omdat op hetzelfde moment een in- en een verkooptransactie werd afgesloten, waardoor materieel in strijd werd gehandeld met de instructie om alleen fysieke verkopen aan [onderneming4] te doen op basis van een back-to-back overeenkomst met [onderneming6]. Naar het oordeel van de Accountantskamer kan er dan ook van worden uitgegaan dat klager na 14 mei 2014 in strijd met de in het e-mailbericht van 14 mei 2014 vastgelegde afspraken heeft gehandeld.

 

4.54     Klager heeft naar het oordeel van de Accountantskamer onvoldoende onderbouwd dat zijn handelen in afwijking van de gemaakte afspraken met instemming van het management van [onderneming1] plaatsvond. Volgens klager was de heer [F] precies op de hoogte van de posities van [onderneming4]. Hij wist van alle transacties die met [onderneming4] werden afgesloten, omdat hij was “ingekopieerd” in de e-mailberichten betreffende deze transacties. Betrokkene heeft dat, naar aanleiding van de wederhoor van klager, nagevraagd bij [F], die dat heeft bestreden. Naar het oordeel van de Accountantskamer kon betrokkene daarmee volstaan, ook omdat hij van klager, zoals door klager niet is weersproken, geen e-mailberichten heeft ontvangen die de stelling over het ‘inkopiëren’ bevestigen. Dat [F], zoals door klager in zijn wederhoor is aangegeven, ervan op de hoogte was dat de afspraken over [onderneming4] slechts ‘voor de bühne’ werden gemaakt en dat [F] om van het ‘gezeur’ over [onderneming4] af te zijn met deze afspraken instemde, wetende dat ze toch niet zouden (kunnen) worden nageleefd, heeft [F], geconfronteerd met dit onderdeel van de wederhoor, ten stelligste betwist. Bij deze stand van zaken mocht betrokkene ervan uitgaan dat de in het e-mailbericht gemaakte afspraken ook reëel waren. De Accountantskamer tekent daarbij aan dat door het opnemen van de reactie in wederhoor van klager voor de lezer van het rapport duidelijk is dat klager de status van het e-mailbericht als een vastlegging van gemaakte afspraken bestrijdt. Ook aan het feit dat de interne controle-afdelingen van [onderneming1] niet aan de bel hebben getrokken, hoefde betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer niet de conclusie te verbinden dat het handelen van klager met [onderneming4] na 14 mei 2014 met instemming van het management van [onderneming1] plaatsvond. In dit verband is van belang dat betrokkene heeft uiteengezet dat de controlemechanismen binnen de organisatie van [onderneming1] niet goed functioneerden en dat klager deze mechanismen bovendien geregeld omzeilde.

 

4.55     Aan klager kan worden toegegeven dat een MtM-limiet beperkingen heeft. De werking van een MtM-limiet is afhankelijk van, onder andere, de marktprijs en hoe groter de afwijking tussen de actuele marktprijs en de contractprijs hoe groter de MtM-exposure is. Maar dat neemt niet weg dat de limiet ondanks die beperkingen, zoals betrokkene terecht opmerkt, wel een signaalfunctie heeft. Op het moment dat de MtM-limiet wordt ‘geraakt’, kan niet zonder meer - zonder overleg met het management - een nieuwe transactie worden aangegaan. Dat klager na overschrijding van de limiet toestemming heeft gevraagd bij, of zelfs overleg heeft gevoerd met zijn leidinggevenden voordat hij nieuwe transacties aanging met [onderneming4], is niet door hem gesteld en ook niet aannemelijk geworden. De gestelde beperkingen van een MtM-limiet doen dan ook niet af aan de vaststelling van betrokkene in zijn rapport dat klager de afgesproken limiet heeft overschreden.

4.56     Klager heeft er ten slotte nog op gewezen dat de overschrijding van de limiet niet het gevolg is van de door hem na 14 mei 2014 gesloten transacties, maar van de daling van de olieprijs. Volgens klager heeft betrokkene daar geen rekening mee gehouden. De Accountantskamer volgt klager niet in deze stelling. In punt 29 van zijn rapport heeft betrokkene al gewezen op de invloed van de dalende olieprijs in de tweede helft van 2014. Uit het rapport van betrokkene - met name uit de figuren 11 en 13 - volgt dat in de tweede helft van 2014 de positie op [onderneming4] nog is vergroot door de transacties die in die perioden zijn afgesloten. De daling van de olieprijs zal dan ook hebben geleid tot een nog grotere overschrijding van de limiet - betrokkene merkt in zijn aanvullend verweerschrift op dat de daling de werking van een accelerator had -, maar klager heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de overschrijding alleen het gevolg is van de dalende olieprijs. Dat volgt ook niet uit het [BV1]-rapport, waarin de na 14 mei 2014 gesloten transacties zijn opgesomd. In dat rapport is niet aangegeven dat op het moment dat deze transacties werden gesloten de MtM-limiet, gelet op de olieprijs op dat moment, niet was overschreden.

4.57     De Accountantskamer acht aannemelijk dat de dalende olieprijs er (mede) toe heeft geleid dat de schade van de transacties die zijn gesloten in strijd met de in het e-mailbericht van 14 mei 2014 vermelde limiet fors is toegenomen. Dat neemt echter niet weg dat wanneer het resultaat in de feitelijke situatie (met deze transacties) wordt vergeleken met het resultaat in de fictieve situatie (zonder deze transacties) rekening moet worden met het effect van de dalende olieprijs. Dat effect is nu eenmaal sterker in de feitelijke situatie dan in de fictieve situatie doordat in de feitelijke situatie veel meer transacties zijn gesloten waarop de dalende olieprijs een negatief effect heeft dan het geval zou zijn geweest in de fictieve situatie, waarin klager conform het e-mailbericht van 14 mei 2014 zou hebben gehandeld. Voor zover in dit klachtonderdeel ook een klacht besloten ligt tegen dit aspect van de begroting van de schade in het rapport van betrokkene, faalt het.

 

4.58     De slotsom is dat dit klachtonderdeel faalt.

 

4.59     Klager verwijt betrokkene dat een deel van de informatie die is verkregen bij het aanvullend onderzoek naar aanleiding van de wederhoor niet in het rapport is verwerkt, waardoor onduidelijk is of deze informatie bijdraagt aan een deugdelijke grondslag[17].

4.60     Met zijn klacht ziet klager op punt 44 van het rapport waar het volgende is vermeld:

“We hebben kennis genomen van de opmerkingen van de heer [X] met betrekking tot de [onderneming1]-organisatie en verscheidene van haar medewerkers. Omdat deze opmerkingen geen directe koppeling hebben met ons onderzoek en uit privacy-overwegingen, zijn wij niet op deze opmerkingen ingegaan in ons rapport. Deze opmerkingen en het gehele document waarin het antwoord van de heer [X] staat, zal afzonderlijk worden voorgelegd aan de raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van [onderneming1].”

 

4.61     Naar het oordeel van de Accountantskamer stond het betrokkene vrij om onderdelen van de wederhoor van klager die niet van belang waren voor zijn onderzoek, niet in zijn rapport op te nemen, zeker wanneer deze onderdelen mogelijk privacygevoelige informatie bevatten over medewerkers van [onderneming1]. Betrokkene heeft in zijn rapport duidelijk aangegeven welke onderdelen van de wederhoor van klager hij relevant achtte en welke niet; de relevante onderdelen zijn integraal opgenomen in het rapport. Op die manier kon klager beoordelen of betrokkene bij de door hem gemaakte selectie tussen relevant en niet-relevant, relevante aspecten over het hoofd heeft gezien. Indien dat het geval was, zou het op de weg van klager hebben gelegen om aan te geven welke relevante aspecten van zijn wederhoor betrokkene onbesproken heeft gelaten in zijn rapport en dus vermoedelijk niet onderzocht zal hebben. Indien dat het geval zou zijn geweest, zou dat tot de conclusie kunnen leiden, althans kunnen bijdragen aan de conclusie, dat het rapport van betrokkene (op onderdelen) onvoldoende grondslag heeft. De Accountantskamer stelt vast dat klager niet heeft aangegeven welke onderdelen van zijn wederhoor betrokkene ten onrechte onbesproken heeft gelaten in zijn rapport. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat betrokkene relevante onderdelen onbesproken heeft gelaten en mogelijk aanvullend onderzoek naar die onderdelen ten onrechte achterwege heeft gelaten. Het klachtonderdeel faalt om die reden.

 

4.62     Klager voert aan dat hij bij [onderneming1] en haar advocaten verzocht heeft om een lijst van bronnen die betrokkene heeft gebruikt en om de verslagen van de gesprekken die betrokkene en zijn team in het kader van het onderzoek hebben gevoerd met medewerkers van [onderneming1][18]. Dit klachtonderdeel richt zich tegen het handelen van [onderneming1] en haar advocaten en is om die reden ongegrond.

 

4.63     Klager wijst erop dat betrokkene in zijn opdrachtbevestiging heeft aangegeven dat hij geen toegang heeft tot de e-mailboxen van de “werkgevers”(de Accountantskamer leest: “werknemers”), maar dat in diverse interviews met werknemers wel e-mailberichten zijn overgelegd. Die e-mailberichten worden in het rapport echter niet beschreven en ook de bronnen worden niet weergegeven[19].

 

4.64     Voor zover in deze opmerking een klacht moet worden gelezen - helemaal duidelijk is dat niet ook vanwege het ontbreken van een toelichting -, is de klacht onvoldoende onderbouwd. De Accountantskamer volgt betrokkene in diens verweer dat uit het rapport genoegzaam blijkt wanneer bepaalde bevindingen of conclusies zijn gebaseerd op e-mailberichten van of aan medewerkers van [onderneming1]. Die berichten zijn dan ook wel aan (het team van) betrokkene overgelegd.

 

4.65     Het klaagschrift bevat onder Klachtonderdeel III een aantal opmerkingen waarin de Accountantskamer naast de reeds besproken en nog te bespreken klachtonderdelen - in de nummers 3.4, 3.7, 3.11, 3.12 en 3.13 - zelfstandige klachten leest. Indien ze klachten bevatten, delen ze het lot van de besproken klachtonderdelen omdat ze daarop voortbouwen of die samenvatten en/of in het licht van het verweer van betrokkene onvoldoende onderbouwd zijn.

 

4.66     Klachtonderdeel IV betreft het toepassen van wederhoor. Bij de bespreking van dit klachtonderdeel zal de Accountantskamer ook betrekken wat klager in andere onderdelen van zijn klacht over de wederhoor heeft aangevoerd.

 

4.67.1  Een deel van de door klager gemaakte verwijten houdt in dat betrokkene hem niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op de wijze van verwerking van de wederhoor in het rapport[20]. De Accountantskamer is, met betrokkene, van mening dat wanneer betrokkene zijn bevindingen in het kader van de wederhoor aan klager heeft voorgelegd, klager in het kader van de wederhoor op die bevindingen is ingegaan en betrokkene in de wederhoor aanleiding ziet nader onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door een derde te confronteren met de wederhoor, betrokkene vervolgens niet verplicht is om de verwerking van de wederhoor, al dan niet met de eventuele reactie van derden, opnieuw voor wederhoor voor te leggen. Voor zover klager betrokkene verwijt dat hij het na wederhoor aangepaste en aangevulde rapport niet opnieuw aan klager heeft voorgelegd, faalt de klacht.

4.67.2  De klacht faalt eveneens gedeeltelijk voor zover deze inhoudt dat betrokkene niet alle conclusies die hij heeft verbonden aan zijn bevindingen ter wederhoor aan klager heeft voorgehouden. Wederhoor is, zoals betrokkene terecht onder verwijzing naar Nba-handreiking 1112 opmerkt, geen doel op zich, maar een waarborg voor het wegnemen of verminderen van een bedreiging voor het naleven van de fundamentele beginselen en dient ertoe een deugdelijke grondslag voor de rapportage te krijgen. Indien een accountant, om zo te bevorderen dat zijn rapportage op een deugdelijke grondslag berust, de door hem vastgestelde bevindingen ter wederhoor voorlegt aan degene wiens handelen object van onderzoek is, is niet altijd noodzakelijk ook de conclusies die hij aan deze bevindingen verbindt ter wederhoor voor te leggen. De aard van persoonsgerichte onderzoeken, en de daarbij betrokken belangen van de persoon tegen wie zich het onderzoek richt en waarbij het onderzoeksrapport veelal in een procedure tegen die persoon wordt ingebracht of deze anderszins direct daarvan nadeel ondervindt, brengt echter met zich dat dit geldt voor zover die bevindingen voldoende deugdelijk grondslag vormen voor de daaruit door de accountant getrokken conclusies, èn het voor de weder te horen persoon voldoende duidelijk is dat uit de voorgelegde bevindingen die conclusies getrokken konden worden. Daarbij merkt de Accountantskamer terzijde op dat ook een door de rechter benoemde accountant als deskundige zijn conceptrapportage, inclusief de daarin getrokken voorlopige conclusies, aan partijen voor wederhoor dient voor te leggen, alvorens deze het rapport finaliseert en uitbrengt.[21] Voorts dient te worden opgemerkt dat de grens tussen bevinding en conclusie niet altijd helder is te onderscheiden en dat het risico bestaat dat de  deskundige onderzoeker al dan niet bewust door tijdens het onderzoek bij hem opkomende voorlopige conclusies het onderzoek te eenzijdig uitvoert. Een waarborg tegen de daaruit voortvloeiende bedreiging voor zijn objectiviteit en/of vakbekwaamheid en zorgvuldigheid kan dan juist zijn ook die voorlopige conclusies ter wederhoor aan de onderzochte persoon voor te leggen.

 

4.68     Het verwijt dat klager betrokkene maakt van het niet ter wederhoor voorleggen van nummer 82 van het rapport faalt om deze reden. Nummer 82 bevat een conclusie[22]. De bevindingen waarop deze conclusie is gebaseerd en die daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, zijn wel aan klager ter wederhoor voorgelegd en die daaruit getrokken conclusie was voor klager niet onbegrijpelijk.

 

4.69     Klager verwijt betrokkene ook dat twee zinnen uit een uitspraak van mevrouw [C], die wel waren opgenomen in het aan klager voor wederhoor gestuurde rapport, niet in het definitieve rapport waren weergegeven[23]. Betrokkene wijst erop dat klager in zijn wederhoor kritiek heeft geuit op deze beide zinnen en deze kritiek ook overeenkwam met wat betrokkene verder had vastgesteld, zodat het voor de hand lag om de beide zinnen in het definitieve rapport weg te laten. Klager heeft deze, naar het oordeel van de Accountantskamer, plausibele verklaring van betrokkene voor het weglaten van de beide zinnen niet weersproken. De klacht ter zake faalt dan ook.

 

4.70     Volgens klager heeft betrokkene ten onrechte enkele onderdelen van het definitieve rapport niet eerst ter wederhoor aan klager voorgelegd. Het betreft allereerst verklaringen van de heren [D] en [H][24]. Naar het oordeel van de Accountantskamer zijn deze verklaringen, die erop neerkomen dat [D] en [H] niet betrokken waren bij de gewraakte transacties in het trade book en dat deze transacties ook niet voor hen kenbaar waren, van belang voor het antwoord op de vraag wie, waar en wanneer op de hoogte was van deze transacties. Het antwoord op deze vraag - volgens betrokkene heeft klager alleen gehandeld en waren anderen daarvan niet op de hoogte - is, zoals hiervoor is uiteengezet, van belang voor de beoordeling van de civiele vordering van [onderneming1] op klager. Betrokkene heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij het overgrote deel van het conceptrapport, waarin diverse verklaringen van derden werden weergegeven, wel ter wederhoor heeft voorgelegd en juist de verklaringen van [D] en [H] niet. Voor zover betrokkene betoogt dat de verklaringen van [D] en [H] niet aan klager hoefden te worden voorgelegd omdat het verklaringen van derden betreft, is dit betoog niet steekhoudend. Een algemene verplichting om iedere verklaring van een derde ter wederhoor voor te leggen bestaat niet, maar wanneer het in een bepaald geval voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag dienstbaar is om een verklaring van een derde ter wederhoor voor te leggen, dient dat wel te gebeuren. De klacht is op dit punt gegrond.

 

4.71     Dat geldt ook voor de klacht dat betrokkene hoofdstuk 7 van zijn rapport niet ter wederhoor aan klager heeft voorgelegd. In dit hoofdstuk is de schade van [onderneming1] berekend. De inhoud van dit hoofdstuk is rechtstreeks en van eminent belang voor de positie van klager, omdat de berekende schade de schade is die het gevolg is van de hem verweten transacties. In punt 273 van zijn rapport schrijft betrokkene niet voor niets dat “de door [onderneming1] geleden schade als gevolg van de resultaten van verboden transacties (…) uitkomt op een bedrag van USD 95.596.000,-.” (onderstreping Accountantskamer). Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.11 is overwogen, diende het rapport van betrokkene, naar betrokkene wist, onder meer ter onderbouwing van de stellingen van [onderneming1] in een civiele procedure waarin [onderneming1] onder meer diende aan te tonen dat en hoeveel zij schade had geleden door het handelen van klager. Betrokkene diende dan ook zorg te dragen voor een deugdelijke grondslag voor zijn conclusies over het bestaan en de omvang van de schade, door de door hem gevonden informatie zoveel mogelijk te verifiëren en door ook op zoek te gaan naar informatie die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. Daarbij geldt bovendien (zie hiervoor 4.67.2) dat in dit omvangrijke onderzoek uit de wel ter wederhoor voorgelegde bevindingen het voor klager onvoldoende duidelijk kon zijn dat betrokkene tot een aan klager toerekenbare schade van USD 95.596.000 zou hebben kunnen concluderen. Hij had dan ook de in dit hoofdstuk vervatte conclusies, naast de voor deze conclusies relevante bevindingen, waarvan overigens ook een deel niet eerder aan klager waren voorgelegd, aan klager ter wederhoor dienen voor te leggen en naar aanleiding van de wederhoor zo nodig nader onderzoek moeten verrichten. Dat heeft hij naar het oordeel van de Accountantskamer ten onrechte nagelaten. De klacht is ook op dit punt gegrond.

 

4.72     Klager verwijt betrokkene ook dat hij een deel van paragraaf 8.4.2 (de nummers 381 tot en met 392 in het definitieve rapport) niet ter wederhoor aan klager heeft voorgelegd[25]. Dit deel van het rapport heeft vooral betrekking op wat op het niveau van de Raad van Bestuur van [onderneming1] is gebeurd, nadat eind 2014/begin 2015 duidelijk werd dat sprake was van problemen binnen de afdeling [B] en is dan ook niet van belang voor het antwoord op de vraag of klager alleen handelde of niet. De Accountantskamer volgt betrokkene dan ook in diens verweer dat dit deel van het rapport geen betrekking heeft op het handelen en nalaten van klager en in zoverre niet van belang is voor een oordeel over dit handelen en nalaten. De klacht is in zoverre ongegrond.

 

4.73     De in nummer 3.5 en 3.6 van het klaagschrift vermelde klachten over de wederhoor zijn in het licht van het door betrokkene gevoerde verweer, als onvoldoende weersproken, ongegrond.

 

4.74     De slotsom is dat klachtonderdeel IV gedeeltelijk gegrond is.

 

 4.75    Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daarover houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkene. In dit verband overweegt de Accountantskamer allereerst dat het onderzoek van betrokkene een uitermate omvangrijk en complex karakter had en in korte tijd moest worden verricht en vervolgens dat van de talloze klachten tegen betrokkene slechts enkele klachten gegrond zijn. Anderzijds heeft betrokkene op een belangrijk punt, dat van noodzakelijk wederhoor, steken laten vallen.  De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

 

5.         Beslissing

 

De Accountantskamer:

 

·      verklaart de klacht gegrond als hiervoor overwogen en voor het overige ongegrond;

 

·      legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van

 

- waarschuwing;

 

·      verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

 

·      verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.

 

 

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. A.L. Goederee en mr. H. de Hek (rechterlijke leden) en Th.A. Verkade RA en H. Geerlofs AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2018.

 

 

 

_________                                                                                     __________

secretaris                                                                                         voorzitter

 

 

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.

 


[1] 2.5 klacht

[2] Klacht nr. 2.8

[3] Klacht nr. 2.9

[4] Klacht nr. 2.4

[5] Klacht nr. 2.2, zie ook klacht 3.3 onder b en c

[6] Klacht nr. 2.3

[7] Klacht 2.6 onder 1

[8] Klacht 2.6 onder 2

[9] Klacht 2.6 onder 3

[10] Klacht 2.6 onder 4

[11] Klacht 2.6 onder 5

[12] Klacht 2.6 onder 6

[13] Klacht 2.7

[14] Klacht 3.3 onder i.

[15] Klacht 3.3 onder a en e.

[16] Klacht 3.3 onder d. en g.

[17] Klacht 3.3 onder h.

[18] Klacht 3.8 en 3.10

[19] Klacht 3.9

[20] Klacht 4.1 en 4.3

[21] Zie de Leidraad voor deskundigen in civiele zaken, paragraaf 5.3.2, nr. 25 e.v.

[22] Klacht 4.2

[23] Klacht 4.4

[24] Klacht 4.5

[25] Klacht 4.6

RA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens