Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGZRZWO:2017:118
Datum uitspraak:
07-07-2017
Datum publicatie:
07-07-2017
Zaaknummer(s):
304/2016
Onderwerp:
Schending beroepsgeheim
Beroepsgroep:
Fysiotherapeut
Beslissingen:
Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:
 Klacht tegen fysiotherapeut gegrond. Verweerder heeft niet gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening doordat hij aan een medisch adviseur meer informatie heeft verstrekt dan hem op basis van de gegeven volmacht, toestemmingsformulier en gedragsregels was toegestaan, een deel van de informatie feitelijk onjuist was en hij klaagster niet in kennis heeft gesteld van de verstrekte informatie. Maatregel: waarschuwing.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

 

Beslissing d.d. 7 juli 2017 naar aanleiding van de op 2 december 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

 

A, wonende te B,

 

k l a a g s t e r

 

-tegen-

 

C, fysiotherapeut, werkzaam te B,

bijgestaan door mr. M. Christe, verbonden aan KBS advocaten te Utrecht,

 

v e r w e e r d e r 

 

 

 

1.   HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Dit blijkt uit het volgende:

-         het klaagschrift met de bijlagen;

-         het verweerschrift met de bijlagen;

-         het proces-verbaal van het op 27 februari 2017 gehouden mondeling vooronderzoek;

-         het schrijven, van klaagster, met bijlage, binnengekomen op 29 mei 2017;

-         het schrijven van klaagster, met bijlagen, binnengekomen op 30 mei 2017;

-         het schrijven, namens verweerder, met bijlagen binnengekomen op 1 juni 2017.



De zaak is behandeld ter openbare zitting van 16 juni 2017, alwaar zijn verschenen klaagster en verweerder. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

 

 

2.   DE FEITEN

 

Op grond van de stukken (waaronder het patiëntendossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1935, is van 1 oktober 2013 tot en met 4 november 2013 door verweerder behandeld in verband met klachten na een ongeval in een lijnbus. Klaagster is in februari 2014 nog twee keer bij verweerder geweest.

 

In de patiëntgegevens is opgetekend bij 28 februari 2014, voor zover thans van belang:

Eigen idee over de spierklachten van de afgelopen jaren:  zou het fibromyalgie kunnen zijn?”

 

Op 6 december 2013 heeft klaagster een medische volmacht verleend aan ARAG rechtsbijstand tot het namens klaagster opvragen, ontvangen en inzien van alle door hen noodzakelijk geachte medische informatie over klaagster.

 

Op 28 augustus 2014 heeft de medisch adviseur van ARAG rechtsbijstand aan verweerder verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

Wanneer vond het/de eerste consult/behandeling n.a.v. bovengenoemde plaats?

Wat waren uw bevindingen?

Welke behandeling heeft u ingesteld?

Hoe is het verdere beloop geweest van het genezingsproces?

Zijn er op dit moment nog klachten? Zo ja, welke?

Is er een nieuwe afspraak met betrokkene gemaakt en zo ja, wanneer?

Hebt u betrokkenen nog doorverwezen (collega/specialist) en zo ja met welk resultaat?”

 

Verweerder heeft op 15 september 2014 op verzoek van de medisch adviseur van ARAG rechtsbijstand op schrift gestelde informatie overgelegd. Daarin staat onder meer, voor zover thans van belang voor de klacht, opgetekend:

Op 28 februari 2014 heeft zij zich weer bij mij gemeld met klachten aan nek (cto) en lage rug. Zij gaf daarbij ook aan al langere tijd bekend te zijn met fibromyalgie.

 

Op 25 oktober 2016 heeft de huisarts van klaagster een medische verklaring afgegeven waarin wordt verklaard dat de diagnose fibromyalgie nooit gesteld is bij klaagster.

 

 

3.   HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

 

Klaagster verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij het beroepsgeheim heeft geschonden, door zonder toestemming van en zonder voorafgaande inzage door klaagster, informatie aan een medisch adviseur te geven. Het betreft onjuiste informatie, waar door de medisch adviseur niet om is verzocht en waardoor klaagster is geschaad in haar afhandeling in een schadeclaim. Verweerder heeft met zijn handelen de zorgplicht jegens klaagster verzaakt en niet gehandeld conform de beroepsethiek voor fysiotherapeuten.

Verder heeft klaagster geklaagd over het feit dat het aan haar verstrekte patiëntendossier qua inhoud verschilt van het aan het college toegezonden dossier. Ook verwijt zij verweerder dat hij onvoldoende dossier heeft gevoerd.

Tot slot verwijt klaagster verweerder dat hij in de tuchtprocedure medische informatie aan het college heeft overgelegd.

 

 

4.   HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

 

Verweerder voert – zakelijk weergegeven – aan dat wat betreft het schenden van het beroepsgeheim geen verplichting bestaat om de betrokkene de informatie voor te leggen alvorens de informatie aan de medisch adviseur te verstrekken. Klaagster heeft een medische volmacht aan ARAG rechtsbijstand verleend voor het opvragen van de informatie. Verweerder erkent dat dit geleid heeft tot een misverstand in de onderhavige situatie. Verweerder zal zich in de toekomst meer bewust zijn van de wijze waarop deze informatie gebruikt kan worden.

Verweerder heeft ten behoeve van de leesbaarheid van het dossier voor klaagster enkele zinnen uitgeschreven c.q. geëxpliciteerd, alsmede een enkele zin onder een ander kopje geplaatst. Per abuis is één zin weggevallen.

Verweerder herkent zich verder niet in de verwijten omtrent het niet handelen volgens de zorgplicht, en het niet naleven van de beroepsethiek.

 

 

5.   DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

 

5.1         

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

 

5.2

Naar aanleiding van de klacht dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden en in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht en de beroepsethiek, overweegt het college het volgende. Vaststaat dat door klaagster een medische volmacht en een toestemmingsformulier medische informatie zijn ondertekend. Op grond daarvan mocht verweerder antwoorden op vragen van de medisch adviseur. Daarbij dient hij echter wel de zogenaamde “Beroepsethiek en Gedragsregels voor de fysiotherapeut” in acht te nemen. In artikel 37d van deze regels staat het volgende:

“De fysiotherapeut zal zich in het schriftelijk verslag aan derden beperken tot het beantwoorden van gerichte vragen, waarbij hij slechts relevante, medische informatie van feitelijke aard verstrekt. De fysiotherapeut dient zich derhalve te onthouden van het geven van oordelen of conclusies. (…)”

 

Het college is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met deze gedragsregel door op de vraag “Zijn er op dit moment nog klachten? Zo ja, welke?”te antwoorden: “Zij gaf daarbij ook aan al langere tijd bekend te zijn met fibromyalgie.” Informatie van feitelijke aard op de genoemde vraag dient zich te beperken tot een omschrijving van de klachten. Een dooreen patiënt genoemde diagnose valt daar niet onder. Bovendien was de informatie feitelijk onjuist.Uit het patiëntdossier blijkt namelijk – en ter zitting is deze gang van zaken door verweerder bevestigd – dat klaagster op de vraag van verweerder wat haar eigen idee was over de oorzaak van haar spierklachten, de wedervraag heeft gesteld of het fibromyalgie zou kunnen zijn. Klaagster heeft dus niet gezegd dat zij al langer bekend was met fibromyalgie.

 

Naar aanleiding van de klacht dat verweerder de informatie heeft verstrekt zonder dat klaagster die informatie eerst had gezien, overweegt het college het volgende. In artikel 37d van de meergenoemde gedragsregels is het volgende vermeld:

“Daarnaast dient de fysiotherapeut de patiënt in kennis te stellen van de inhoud van de informatie die hij aan de derde verstrekt. (…)”

 

Hoewel hieruit niet kan worden afgeleid dat verweerder gehouden was de brief die hij aan de medisch adviseur heeft geschreven eerst aan klaagster voor te leggen, had hij haar in ieder geval wel in kennis moeten stellen van de inhoud van de verstrekte informatie. Dit heeft hij niet gedaan.

 

Samenvattend oordeelt het college dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de onder 5.1 geformuleerde norm doordat hij meer informatie heeft verstrekt dan hem op basis van de gegeven volmacht, toestemmingsformulier en gedragsregels was toegestaan, een deel van de informatie feitelijk onjuist was en hij klaagster niet in kennis heeft gesteld van de verstrekte informatie. Om die reden is het klachtonderdeel gegrond.

 

 

5.3

Verweerder heeft toen klaagster haar dossier opvroeg – naar eigen zeggen ten behoeve van de leesbaarheid – een aantal zinnen uitgeschreven en een aantal zinnen onder een ander kopje geplaatst. Daarbij is één zin weggevallen. Klaagster heeft over deze handelwijze geklaagd. Het college oordeelt, onder verwijzing naar vaste tuchtrechtspraak, dat het achteraf aanpassen van het medisch dossier zonder daarover transparant te zijn (bijvoorbeeld door erbij te zetten wat precies is toegevoegd op welke datum en waarom) niet is toegestaan. Patiënten moeten er immers op kunnen vertrouwen dat het dossier een volledige en waarheidsgetrouwe weergave van de gang van zaken bevat. In zoverre is het klachtonderdeel gegrond. Dit geldt niet voor het klachtonderdeel waarin klaagster stelt dat verweerder onvoldoende dossier heeft gevoerd. Verweerder heeft in het dossier uitgebreid verslag gedaan van de gang van zaken en heeft daarmee ruimschoots aan de norm voldaan. In zoverre is het klachtonderdeel dan ook ongegrond.

 

5.4

Naar aanleiding van de klacht dat verweerder in zijn verweer in deze procedure medische gegevens heeft overgelegd, overweegt het college dat het overleggen van medische gegevens in kader van de verdediging in een tuchtrechtelijke procedure is toegestaan. De door verweerder overgelegde gegevens zijn relevant in het kader van zijn verdediging, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is.

 

5.5

Nu de klacht deels gegrond is wordt een maatregel opgelegd. Het college heeft bij het bepalen van de maatregel rekening gehouden met de omstandigheid dat verweerder zich niet bewust was van de overschrijding van de geldende gedragsregels en ter zitting heeft aangegeven hier in de toekomst meer aandacht aan te zullen besteden. Verder acht het college van belang dat verweerder niet eerder met een tuchtrechtelijke maatregel is geconfronteerd. Alles overziend kan in dit geval daarom worden volstaan met een waarschuwing.

 

 

6.    DE BESLISSING

 

Het college waarschuwt verweerder.

 

 

 

Aldus gedaan door mr. P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, J.M. Uijen en G. van der Sluis, leden-fysiotherapeuten, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2017 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                  

                                                                                                  

 

 

 

                                                                                                                voorzitter

 

 

 

 

                                                                                                                 secretaris

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

                                                                                                                                      

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens