Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGZRSGR:2017:115
Datum uitspraak:
11-07-2017
Datum publicatie:
11-07-2017
Zaaknummer(s):
2016-318
Onderwerp:
Grensoverschrijdend gedrag
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Gegronde klacht tegen een arts. De arts is met het voeren van persoonlijke gesprekken met klaagster over relationele en familiaire aangelegenheden en het maken van in de behandelrelatie ongepaste complimenten jegens klaagster, reeds ernstig tekort geschoten in het houden van gepaste afstand. Daarbij is op basis van ongeloofwaardige en inconsistente verklaringen van de arts voor het college voldoende aannemelijk geworden dat de arts zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan de door klaagster gestelde (ongewenste) lijfelijke intimiteiten. Schorsing voor de duur van een maand.

 

Datum uitspraak: 11 juli 2017       

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

 

A,

wonende te B,

klaagster

 

tegen:

 

C, arts

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H.H. Fuchs, werkzaam te Den Haag.

 

 

1.           Het verloop van de procedure

 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 21 december 2016

- het verweerschrift met bijlagen

- de brief van mr. Fuchs van 24 april 2017.

 

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

 

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van dinsdag 23 mei 2017. Klaagster, vergezeld van haar echtgenoot, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.



2.        De feiten



1.1             Klaagster is sinds 2002 in verband met nek-, rug- en knieklachten in behandeling bij

een instituut voor [……] te D. Daar werd zij sinds 2012 voornamelijk behandeld door verweerder.

 

1.2             Verweerder is in E opgeleid tot en werkzaam geweest als gynaecoloog. Na in

Nederland zijn artsendiploma te hebben behaald, is hij enige tijd werkzaam geweest in een huisartsenpraktijk en is daarna als bedrijfsarts aan de slag gegaan. Sinds ongeveer twaalf jaar is verweerder als orthomanueel arts werkzaam bij eerdergenoemd instituut voor orthomanuele therapie.

 

1.3             Klaagster werd circa een keer per kwartaal door verweerder behandeld. Tijdens deze

behandelingen droeg klaagster een onderbroek en sokken. Klaagster was tevreden over het resultaat van deze behandelingen.

 

1.4             Op vrijdag 16 mei 2016 is klaagster voor het laatst door verweerder behandeld. Ten

aanzien van deze behandeling heeft verweerder – onder de gebruikelijke eenregelige weergave van de behandeling – in zijn handgeschreven dossier genoteerd:

‘Pat. wil nota in januari – “haar budget is op”. Geweigerd – is fraude doen we niet hier. En wil ik je verzoeken om naar andere behandelaar te gaan – je komt veel te vaak. Misschien kan iemand anders je beter helpen!

P.S. Nota liet ze liggen – dat zij nog later wil over hebben!!!’

 

1.5             Naar aanleiding van deze behandeling heeft klaagster nog dezelfde dag een brief

geschreven naar de directie van eerdergenoemd instituut [……] waarin klaagster schrijft:

‘C heeft mij tijdens de behandeling meerdere malen op mijn mond gezoend en ook eenmaal op mijn rug. Ik heb hem verzocht te stoppen met dit gedrag, maar hij leek zichzelf niet in de hand te hebben. Daarnaast maakte hij opmerkingen die ik zeker niet als compliment heb opgevat.

Het kwam op mij over alsof ik een lustobject voor hem was geworden.

Ik voelde me zeer onveilig, gekwetst en bedreigd, daar ik ook slechts in onderbroek gekleed was.

            Hij maakte nog allerlei excuses voor zijn handelen welke volslagen belachelijk zijn en dit heb ik hem ook tevergeefs gezegd.

De laatste tijd vertelde C mij over zijn privéleven. Ik voelde mij daar ongemakkelijk bij, maar het hinderde mij nog niet dusdanig om naar een andere behandelaar te vragen.

Ik maakte uit zijn verhalen wel op dat zijn houding naar vrouwen ongehoord kan zijn, helemaal verbaasd was ik vandaag daarom niet. Desalniettemin was ik tijdens de laatste behandeling zo overrompeld dat ik niet in staat was de behandelkamer te verlaten.’

 

2.          De klacht



Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij zich grensoverschrijdend jegens haar heeft gedragen door tijdens de behandeling ongepaste opmerkingen jegens haar te maken en haar op haar mond en rug te zoenen. Hierdoor is de tussen klaagster en verweerder ontstane vertrouwensband onherstelbaar beschadigd en heeft hij zijn positie als behandelend arts ernstig misbruikt.

 

4.       Het standpunt van verweerder

 

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.       De beoordeling



5.1       Verweerder ontkent dat hij klaagster heeft gezoend en ongepaste opmerkingen heeft

gemaakt. Verweerder heeft verklaard dat hij klaagster wel complimenten heeft gemaakt over het feit dat zij een slank lichaam heeft na het krijgen van drie kinderen en dat zij een mooi kapsel had. Eveneens heeft verweerder ter zitting erkend dat hij tijdens zijn behandeling van klaagster eveneens met haar sprak over zijn privéleven waarbij ook relationele en familiaire problemen aan de orde kwamen. Volgens verweerder begon hij hier echter niet uit zichzelf over; hij gaf enkel antwoord op de vragen van klaagster.

 

5.2       Het College stelt voorop dat het tot de professionele verantwoordelijkheid van de

hulpverlener behoort om te allen tijde gepaste afstand ten opzichte van zijn patiënten te bewaren. Dit geldt in dit geval temeer omdat verweerder als orthomanueel arts zijn patiënten nagenoeg geheel ontkleed behandelt. Met het voeren van (hoogst)persoonlijke gesprekken met klaagster over relationele en familiaire aangelegenheden, heeft verweerder een grens overschreden. Daarvoor is niet relevant of verweerder – zoals klaagster stelt – uit zichzelf over deze onderwerpen begon of dat hij enkel antwoord gaf op vragen van klaagster. Verweerder had zich hoe dan ook van het voeren van dergelijke persoonlijke gesprekken met klaagster moeten onthouden.

 

5.3       Ook de complimenten van verweerder over het slanke lichaam en mooie kapsel van

klaagster horen niet thuis in de arts-patiëntrelatie. De KNMG uitgave ‘Seksueel contact

tussen arts en patiënt: Het mag niet, het mag nooit’ vermeldt in dit kader (op p. 3-4):

           ‘Expliciete seksuele toespelingen, zelfs al zijn ze ‘goed bedoeld’ horen binnen de arts-patiëntrelatie niet thuis. Maar ook impliciete seksuele toespelingen kunnen verkeerd vallen, en dus schaden. De opvatting over wat geaccepteerd taalgebruik is, en wat niet, kan overigens sterk variëren in verschillende sociale groepen. Wat sommige mannen normale en leuke, en misschien zelfs niet eens seksueel getinte grapjes vinden, vinden sommige vrouwen helemaal niet grappig. (…)

            Artsen wordt aangeraden een bewust preventief beleid te voeren, en zo veel mogelijk ambiguïteit te vermijden. Dit houdt onder andere in dat artsen duidelijke instructies geven over het ontkleden en geen onnodig lichamelijk onderzoek uitvoeren. Omdat het kan verschillen hoe mensen grapjes en lichamelijk contact waarderen dient de arts hier de grootst mogelijke voorzichtigheid te betrachten.’

 

5.4       De stelling van klaagster dat verweerder haar tijdens de behandeling op 16 december

2016 heeft gezoend op haar mond en rug wordt door verweerder betwist. In de (mede ter

zitting) door partijen aangedragen feiten en omstandigheden ziet het College echter

aanleiding om meer geloof te hechten aan het verhaal van klaagster in dit kader dan aan de

betwisting daarvan door verweerder.

Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- De inhoud van de door verweerder in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van de twee patiënten die klaagster op 16 december 2016 in de wachtkamer hebben gezien lijken – gezien hun onderlinge gelijkenis ondanks het feit dat deze patiënten elkaar niet kennen – geheel of in belangrijke mate door verweerder te zijn gedicteerd. Het College hecht derhalve weinig waarde aan de inhoud van deze verklaringen, die de juistheid van de betwisting door verweerder overigens ook geenszins ondersteunen.

- Ten aanzien van de verklaring van de assistente van verweerder heeft het College ter zitting vastgesteld dat de bewering van de assistente dat zij er op 16 december 2016 niet was (‘De laatste afspraak was op een dag dat ik er niet was! Wel had ik die afspraak gemaakt! Ik weet me te herinneren, dat ik toen wel bij mezelf dacht, dat ik blij was dat ik er dan niet zou zijn!’) niet klopt. Ter zitting is de stelling van klaagster dat de assistente op de betreffende dag weldegelijk aanwezig was, door verweerder bevestigd.

- Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij tijdens de behandeling op 16 december 2016 aan klaagster had voorgesteld de behandelrelatie te beëindigen (hetgeen door klaagster wordt betwist). In zijn verweerschrift heeft verweerder hiervoor als reden aangedragen dat de behandeling onvoldoende aansloeg en een andere behandelaar klaagster wellicht beter zou kunnen helpen (hetgeen door verweerder op enig moment ook zo in het medisch dossier van klaagster is genoteerd). Ter zitting heeft verweerder echter verklaard dat zijn motief voor het willen beëindigen van de behandelrelatie niet zozeer was dat de behandeling niet aansloeg, maar dat hij zich in toenemende mate ongemakkelijk voelde bij de persoonlijke gesprekken die klaagster met hem voerde en dat de relatie daardoor te persoonlijk was geworden. Op de vraag van het College waarom dit door verweerder niet reeds in zijn verweerschrift naar voren was gebracht, kon verweerder geen duidelijk laat staan aannemelijk antwoord geven. Bovendien had het voor de hand gelegen dat verweerder het door hem als ongepast geduide gedrag van klaagster met haar had besproken, hiervan aantekening had gemaakt in het medische dossier en zijn voornemen daarom de behandelrelatie met klaagster te beëindigen, te bespreken met een collega. Dit alles heeft verweerder echter evenmin  gedaan. Het College acht de stelling van verweerder, dat het initiatief om de behandelrelatie te beëindigen van hem kwam (omdat klaagster zich ongepast jegens hem gedroeg) en dus niet van klaagster, op grond van bovenstaande inconsistenties ongeloofwaardig.

-  Anders dan (de gemachtigde van) verweerder in het verweerschrift heeft gesteld, is verweerder in het verleden in zijn hoedanigheid van bedrijfsarts eerder geconfronteerd geweest met een tuchtklacht (in eerste aanleg en hoger beroep). Deze tuchtklacht – die onder andere inhield dat verweerder zich jegens de klaagster in die zaak vrijpostig had opgesteld en stereotype denkbeelden had geuit over mannen- en vrouwenrollen – is weliswaar ongegrond verklaard, het feit dat verweerder hierover in het verweerschrift in deze zaak niet eerlijk is geweest alsmede de soortgelijke aard van deze klacht doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van verweerder in het algemeen.

Het College kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder op alle mogelijke manieren probeert te verbloemen dat hij in zijn gedrag jegens klaagster ernstig over de schreef is gegaan.

 

5.5       Al met al concludeert het College dat verweerder met het voeren van persoonlijke

gesprekken met klaagster over relationele en familiaire aangelegenheden en het maken van in

de behandelrelatie ongepaste complimenten jegens klaagster, reeds ernstig tekort is geschoten in het houden van gepaste afstand. Daarbij is op basis van voornoemde ongeloofwaardige en inconsistente verklaringen van verweerder, voor het College voldoende aannemelijk geworden dat verweerder zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan de door klaagster gestelde (ongewenste) lijfelijke intimiteiten.

 

De slotsom is dat de klacht gegrond is. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Voor de vraag welke maatregel passend is weegt zwaar mee dat verweerder de grenzen van een gepaste afstand jegens klaagster ver heeft overschreden. Dergelijke gedragingen – alsmede ook de ongeloofwaardige wijze waarop verweerder daar in de onderhavige procedure verweer tegen heeft gevoerd – zijn dermate strijdig met hetgeen van een integere en betrouwbare zorgverlener verwacht mag worden dat een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van een maand passend en geboden is.

 

Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bekend worden gemaakt op hierna te vermelden wijze.

 

6.       De beslissing



Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

 

schorst de inschrijving van verweerder in het BIG-register voor de duur van een maand.

 

bepaalt dat om redenen, aan het algemeen belang ontleend, deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift  Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Deze beslissing is gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. dr. A. Wilken, lid-jurist, dr. S. Veersema, dr. B.J. Bouma en dr. J.W. van ’t Wout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.

 

 

 

voorzitter                                                                                          secretaris

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij niet-ontvankelijk is

            verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

            volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde

            belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens