Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGZRAMS:2017:74
Datum uitspraak:
27-06-2017
Datum publicatie:
27-06-2017
Zaaknummer(s):
2016/158
Onderwerp:
Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:
 Klaagster, die destijds 34 weken zwanger was,verwijt de huisarts dat zij medicatie (Ibuprofen)heeft voorgeschreven die schadelijk is voor hetongeboren kind. De klacht heeft voorts betrekkingop de bejegening.   Gegrond

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

 

Beslissing naar aanleiding van de op 10 mei 2016 binnengekomen klacht van:

 

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: C,

 

tegen

 

D,

huisarts,

werkzaam te E,

v e r w e e r s t e r.

 

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift;

-                     het aanvullend klaagschrift;

-                     het verweerschrift met de bijlagen;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                     het proces-verbaal van het op 23 november 2016 gehouden vooronderzoek, alwaar verweerster niet is verschenen.

 

De klacht is op een openbare zitting van 16 mei 2017 behandeld.

Klaagster was aanwezig en werd bijgestaan door haar moeder, C. Verweerster is niet op de zitting verschenen.

 

2.         De feiten

2.1.      Klaagster, geboren april 1991, heeft op 30 januari 2016 de huisartsenpost van G bezocht. Klaagster had een kaakontsteking, in verband waarmee zij in de aanloop naar het bezoek aan de huisartsenpost al diverse (spoed)tandartsen had gezien. In de ochtend van 30 januari 2016 had een weekendtandarts klaagster een antibioticakuur (Doxycycline) voorgeschreven. Klaagster heeft zich vervolgens, samen met haar moeder, tot de huisartsenpost van G gewend, omdat zij de door de tandarts voorgeschreven antibiotica niet kon binnenhouden, veel pijn had en haar kaak was opgezwollen. Klaagster was op dat moment 34 weken zwanger. Verweerster was die dag als waarnemend huisarts werkzaam op voornoemde huisartsenpost.

 

2.2       Verweerster heeft klaagster tijdens het consult onder meer Ibuprofen voorgeschreven. Op het verzoek van (de moeder van) klaagster om klaagster op te nemen, heeft verweerster afwijzend gereageerd. Klaagster is diezelfde avond opgenomen in het H in I, aan welk ziekenhuis de gynaecoloog van klaagster is verbonden.

 

2.3.      Een door klaagster bij de klachtencommissie J (J) ingediende klacht is deels gegrond verklaard. Op de mondelinge behandeling van deze klacht is verweerster niet verschenen.

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster klaagster medicijnen heeft voorgeschreven die gevaarlijk kunnen zijn voor haar ongeboren kind. Daarnaast verwijt klaagster verweerster dat zij niet naar haar heeft geluisterd en ook na afloop niet meer met klaagster heeft willen spreken.  

 

4.           Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

5.1.      Ter beantwoording van de vraag of verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij heeft te betrachten ten opzichte van klaagster - en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld – zal het college de klachtonderdelen achtereenvolgens behandelen.

 

5.2.      Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, inhoudende dat verweerster klaagster ten onrechte Ibuprofen heeft voorgeschreven, oordeelt het college als volgt. Vast staat dat toediening van Ibuprofen aan zwangere vrouwen in het derde trimester van de zwangerschap, zeer risicovol is en om die reden als contra geïndiceerd mag worden beschouwd. Verweerster is niet op de zitting verschenen en zij heeft in het verweerschrift evenmin toegelicht waarom zij desondanks heeft besloten om klaagster dit middel voor te schrijven. De door klaagster gestelde en door verweerster niet betwiste omstandigheden, te weten dat klaagster verweerster eerst zelf heeft gewezen op de contra-indicatie voor het innemen van Ibuprofen tijdens het laatste trimester van de zwangerschap, dat verweerster vervolgens hierover nog eens door de apotheker is gebeld, en dat verweerster desondanks bleef vasthouden aan haar advies, zonder bijvoorbeeld eerst een gynaecoloog te consulteren, rekent het college verweerster aan, te meer omdat verweerster daarmee blijk heeft gegeven zich ook niet toetsbaar op te stellen. Dit alles heeft tot gevolg dat het college met klaagster van oordeel is dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het eerste klachtonderdeel is dan ook gegrond.

 

5.3.      Ook het tweede klachtonderdeel is gegrond. Klaagster heeft uiteengezet hoe het consult op 30 januari 2016 is verlopen en dat verweerster – zoals hiervoor besproken – niet heeft geluisterd naar de door klaagster geuite zorgen over het voorgeschreven medicijn. Daarnaast heeft klaagster gesteld dat haar moeder op verschillende momenten heeft getracht om met verweerster in contact te komen om de gebeurtenissen te bespreken, maar dat verweerster gemaakte afspraken telkens uitstelde en deze uiteindelijk heeft afgezegd. Hiermee heeft verweerster niet de zorg betracht jegens klaagster en haar moeder die zij in haar hoedanigheid van huisarts had behoren te betrachten. Dat verweerster vervolgens ook niet is verschenen bij de behandeling van de door klaagster ingediende klachtprocedure bij J, noch bij het in het kader van de onderhavige procedure gehouden vooronderzoek of de zitting, maakt dat klaagster en haar familie een verklaring voor het handelen van verweerster, dan wel enig teken van begrip van de zijde van verweerster zijn onthouden. Ook dit valt verweerster naar het oordeel van het college tuchtrechtelijk te verwijten.

 

5.4.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster en haar naasten had behoren te betrachten.

 

5.5       Verweerster heeft klaagster door te handelen op de wijze zoals hiervoor uiteengezet, onnodig in gevaar gebracht en haar onvoldoende serieus genomen. Klaagster heeft zich bovendien niet toetsbaar opgesteld. De oplegging van na te melden maatregel is daarvoor passend.

 

6. De beslissing

 

Het college:

-         verklaart de klacht gegrond;

-         legt op de maatregel van berisping.

 

 

Aldus beslist door:

mr. E.A. Messer, voorzitter,

J.C. van der Molen, K. Haasnoot en drs. P.A.M. Beker, leden-arts,

mr. dr. G.M. Boekhoudt, lid-jurist,

bijgestaan door mr. J.M. Sodderland-Elzas, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 27 juni 2017 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

 

 

WG                                                                                                    WG

secretaris                                                                                          voorzitter

 



 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens