Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2018:22
Datum uitspraak:
05-03-2018
Datum publicatie:
07-03-2018
Zaaknummer(s):
18-093/DB/OB/D
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntFinanciën Zorg voor de cliëntFinanciën Wat een behoorlijk advocaat betaamtBezwaren van de deken
Beslissingen:
Schrapping
Inhoudsindicatie:
Advocaat heeft structureel en stelselmatig contante betalingen van cliënten aanvaard zonder nota’s, zonder kwitanties af te geven en zonder deze betaling af te dragen aan zijn toenmalig werkgever resp. de Raad voor Rechtsbijstand. Gehandeld in strijd met kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit.Dekenbezwaar gegrond. Schrapping.

Oost-Brabant

 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 5 maart 2018

in de zaak 18-093/DB/OB/D

 

 

naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

 

 

 

 

de deken

 

tegen:

 

verweerder

 

 

1         Verloop van de procedure

 

 

1.1     Bij brief aan de raad van 2 februari 2018 met kenmerk nr.48|18|011K, door de raad per e-mail ontvangen op 2 februari 2018 en per post op 5 februari 2018, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant het dekenbezwaar ter kennis van de raad gebracht.

 

1.2     De griffier van de raad heeft de deken en verweerder bij (aangetekend) schrijven van 6 februari 2018 opgeroepen om ter zitting van de raad van 19 februari 2018 te verschijnen.



1.3     Het dekenbezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 19 februari 2018 in aanwezigheid van de deken, verweerder en diens raadsman mr. W. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

 

1.3     De raad heeft kennis genomen van de hiervoor bedoelde brief van de deken met de daarbij behorende bijlagen, alsmede van de nagekomen stukken van de deken van 13 februari 2018.

 

 

 

2         FEITEN

 

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

 

2.1     Verweerder is gedurende circa 7  jaar werkzaam geweest in loondienst van kantoor X & Y te Eindhoven. Verweerder heeft bij dit kantoor zijn stage voltooid en is later als medewerker aan het kantoor verbonden gebleven. Met ingang van 1 november 2017 heeft verweerder het dienstverband beëindigd en is verweerder zijn eigen kantoor begonnen.

 

2.2     Kantoor X & Y is er kort geleden bij toeval achter gekomen dat aan de zijde van verweerder gedurende zijn dienstverband sprake is geweest van ernstige financiële onregelmatigheden. Naar aanleiding daarvan heeft kantoor X & Y verder onderzoek verricht in de door verweerder behandelde dossiers en in de financiële administratie. Uit dat onderzoek is gebleken dat verweerder in de tijd dat hij bij kantoor X & Y werkzaam was regelmatig gelden in contanten van cliënten heeft aanvaard, welke gelden verweerder zich vervolgens heeft toegeëigend en van de ontvangst daarvan derhalve geen mededeling heeft gedaan aan kantoor X & Y. Volgens eigen opgave van verweerder gaat het om een totaalbedrag van circa € 30.000,--. De ontvangen gelden hadden voor een aanzienlijk deel betrekking op zaken waarvoor een toevoeging was afgegeven.

 

2.3     Verweerder heeft voorts in een tweetal gevallen vergoedingen aangeboden gekregen en ook aanvaard als blijk van waardering voor de door hem geleverde rechtsbijstand. In een geval ging het om de aanvaarding van een maatpak ter waarde van € 900,-- en in een ander geval ging het om een reparatie aan de auto van verweerder, voor € 1.000,--.

 

2.4     Verweerder heeft  nauwe contacten heeft onderhouden met de echtgenote van een cliënt van hem, die ten tijde van deze contacten was gedetineerd.

 

2.5     Op 22 januari 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verweerder, zijn voormalige werkgevers mrs. X en Y  en de deken. Tijdens dat gesprek heeft verweerder de hem verweten gedragingen erkend. Hij heeft tevens meegedeeld dat hij de cliënten van wie hij contante betalingen heeft ontvangen, is gaan terugbetalen.

 

2.6     Op 12 februari 2018 heeft kantoor X & Y bij de officier van justitie aangifte tegen verweerder gedaan ter zake verduistering in dienstbetrekking meermalen gepleegd. 

 

 

3         DEKENBEZWAAR

 

3.1     Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

1.   verweerder regelmatig gelden in contanten van cliënten heeft aanvaard, zich deze heeft toegeëigend en de ontvangst daarvan niet heeft medegedeeld aan zijn werkgever, noch aan deze heeft afgedragen. Er werden door verweerder geen nota’s van opgemaakt en geen kwitanties verstrekt. In een aantal gevallen was er tevens sprake van een toevoeging. Aldus heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten;

2.   verweerder buitensporige financiële blijken van waardering van cliënten heeft gekregen en aanvaard, zoals een maatpak en vergoeding van reparatiekosten van zijn auto;

3.   verweerder te nauwe contacten heeft onderhouden met de partner van een gedetineerde cliënt.

Aldus heeft verweerder ernstig inbreuk gemaakt op de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid, in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 6.27 Verordening op de Advocatuur, zich in een mogelijk chantabele positie gemanoeuvreerd en daarmee het vertrouwen in en het aanzien van de advocatuur geschaad.

 

 

4         VERWEER

 

4.1     Verweerder erkent dat hij regelmatig betalingen van cliënten in contanten heeft aanvaard, dat hij zich deze betalingen heeft toegeëigend en de ontvangst daarvan niet heeft medegedeeld aan zijn werkgever. Verweerder erkent ook dat voor de door hem ontvangen betalingen geen kwitanties zijn verstrekt en dat er door hem geen nota’s zijn opgemaakt. Voorts erkent verweerder dat aan verschillende van deze cliënten die hem contant betaald hebben een toevoeging was verleend. Verweerder realiseert zich dat hij daarmee zijn cliënten, zijn ex-werkgever en de raad voor rechtsbijstand heeft benadeeld. In totaal zou het volgens verweerder gaan om circa € 30.000,--.

 

4.2     Verweerder erkent daarnaast dat hij financiële blijken van waardering heeft ontvangen in de vorm van een maatpak en betaling van een deel van de reparatiekosten van de auto van verweerder, maar hij betwist dat sprake was van  buitensporige vergoedingen.

 

4.3     Tot slot erkent verweerder dat hij nauwe contacten heeft onderhouden met de partner van een gedetineerde cliënt. Verweerder betwist dat er sprake is geweest van fysiek contact, maar geeft wel toe dat er ongepaste what’s appberichten zijn uitgewisseld.

 

4.4     Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij zich realiseert dat hij verkeerd heeft gehandeld. Verweerder zegt inzicht te hebben in zijn handelen en geeft aan dat hij zijn fouten wilde herstellen door de cliënten in kwestie terug te betalen. Daarmee was verweerder ook al uit zichzelf begonnen. Verweerder heeft de door hem gemaakte fouten niet zelf aan zijn ex-werkgever op willen biechten, maar heeft inmiddels wel een bedrag van € 30.000,-- in depot gestort zodat de door de ex-werkgever geleden schade kan worden vergoed. Verweerder begrijpt dat zijn gedragingen tuchtrechtelijk zware consequenties zullen hebben, maar vraagt om een tweede kans en verzoekt de raad van ook om hem niet te schrappen, maar hooguit te schorsen, waarbij aan die schorsing diverse voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals terugbetaling van de ten onrechte ontvangen bedragen en vergoeding van de door zijn ex-werkgever en de raad voor rechtsbijstand geleden schade.



 

5         BEOORDELING

 

5.1     Verweerder erkent, met een kleine nuancering, zich schuldig te hebben gemaakt aan de in het dekenbezwaar genoemde gedragingen. Het verweer van verweerder betreft hoofdzakelijk de door de raad op te leggen maatregel en niet de vraag of het dekenbezwaar al dan niet gegrond is. Dat het dekenbezwaar gegrond is, staat daarmee vast. Verweerder heeft immers gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt en heeft daarmee in strijd met artikel 46 van de Advocatenwet gehandeld.

 

5.2     Nu het dekenbezwaar gegrond is, dient te raad te beoordelen welke maatregel aan verweerder moet worden opgelegd. Verweerder heeft betoogd dat hij inzicht zou hebben getoond in zijn handelen en vraagt om een tweede kans. Verweerder wijst op het feit dat hij uit eigener beweging is gaan terugbetalen en verweerder stelt dat de financiële problemen die hij destijds had, nu voorbij zijn, zodat hij niet nog eens in de verleiding zal komen om zich op deze wijze gelden toe te eigenen die hem niet toekomen. Verweerder geeft daarnaast aan dat hij zich onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld waardoor hij van mening is dat hij sterker in zijn schoenen staat en niet weer in dezelfde valkuil zal vallen.

 

5.3     Een advocaat die zich gedraagt zoals een behoorlijk advocaat betaamt, dient zich te houden aan de kernwaarden voor de advocatuur, die sinds 1 januari 2015 zijn vastgelegd in art. 10a Advocatenwet. In dit geval zijn met name de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit in het geding. De kernwaarde integriteit houdt onder andere in dat de advocaat zich gedraagt in overeenstemming met de professionele normen voor de advocatuur, zoals die zijn samengevat in art. 46 Advocatenwet. Financiële integriteit is voor de advocatuur een groot goed en dient dan ook beschermd te worden. 

 

5.4     De raad is van oordeel dat de gedragingen van verweerder zeer laakbaar zijn. Verweerder heeft gedurende een periode van bijna twee en een half jaar structureel en stelselmatig contante betalingen van cliënten aanvaard, zonder dat daaraan nota’s ten grondslag lagen, zonder kwitanties af te geven en zonder deze betalingen af te dragen aan zijn ex-werkgever. Verweerder heeft zich deze gelden simpelweg toegeëigend, zonder daarbij rekening te houden met de belangen van zijn cliënten, zijn ex-werkgever en de raad voor rechtsbijstand. Verweerder heeft zich daarmee volstrekt niet gehouden aan de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit.

 

5.5     Verweerder was en is werkzaam in de strafrechtpraktijk. Juist in die praktijk is het risico aanwezig van blootstelling  aan  invloeden en verleidingen, waaraan de advocaat weerstand moet kunnen bieden. Verweerder heeft door zijn handelen duidelijk gemaakt dat hij onvoldoende weerbaar is voor deze verleidingen. Het ongepaste gedrag jegens de partner van zijn eigen cliënt die op dat moment gedetineerd was, is daar een voorbeeld van. Voorts heeft verweerder op het moment dat hij zelf in financiële moeilijkheden zat gedacht een oplossing te kunnen vinden door het zich toe-eigenen van gelden die hem niet toekwamen. Verweerder heeft zich daardoor in een onmogelijke positie gebracht. Dat verweerder zich zelf schuldig heeft gemaakt aan diverse strafbare feiten,  maakt hem als advocaat extra kwetsbaar en bovendien chantabel.

 

5.6     De raad is van oordeel dat verweerder onvoldoende inzicht heeft getoond in de onjuistheid van zijn handelen. Verweerder erkent weliswaar de verweten gedragingen en heeft aangegeven de schade als gevolg van zijn handelen te willen compenseren, maar de raad neemt het verweerder zeer kwalijk dat hij heeft getracht zijn handelen te verheimelijken. Verweerder is dan wel begonnen met het terugbetalen van de cliënten van wie hij ten onrechte gelden heeft aangenomen, maar hij heeft zijn ex-werkgever niet uit zichzelf over zijn handelen willen vertellen. Pas op het moment dat bij toeval het handelen van verweerder aan het licht kwam, heeft verweerder zich gedwongen gezien zijn ex-werkgever te informeren. Dat getuigt niet van inzicht in het onjuiste handelen.

 

5.7     De raad rekent het verweerder daarbij ook zwaar aan dat verweerder per 1 november 2017 een eigen kantoor is gestart met een compagnon aan wie hij vooraf niets heeft verteld over zijn handelen. Indien hij daadwerkelijk wroeging zou hebben gekregen en echt schoon schip had willen maken, had het op de weg van verweerder gelegen om ook zijn nieuwe compagnon vooraf te informeren over zijn handelen. Dit heeft hij echter niet uit zichzelf gedaan. Verweerder heeft juist jarenlang gewacht totdat zijn handelen toevallig aan het licht was gekomen.

 

5.8     Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat hij de gevolgen van zijn handelen zelf ongedaan wilde maken of op wilde lossen, maar dat hij het laatste beetje geheim wilde houden omdat hij zich teveel schaamde voor wat hij heeft gedaan. Pas toen hij geen andere keus meer had dan op te biechten wat hij had gedaan, is verweerder openheid van zaken gaan geven. De raad kan dit niet anders zien dan als een poging van verweerder om zijn handelen te verheimelijken, hetgeen hem kwalijk te nemen is. Dit getuigt bovendien van een gebrek aan inzicht in de ernst van het handelen van verweerder.  

 

5.9     Door verweerder is ter zitting aangevoerd dat zijn financiële problemen voorbij zijn en dat hij zich onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld. Nu er nog geen diagnose is afgegeven, is onduidelijk om wat voor behandeling het dan gaat. Onderliggende stukken waaruit een en ander zou blijken, zijn niet overgelegd. Bovendien heeft verweerder niets kunnen aanvoeren om de raad ervan te overtuigen dat er geen gevaar voor herhaling bestaat, te meer omdat hij  net een eigen kantoor is gestart met alle financiële druk van dien, zeker rekening houdend met de mogelijkheid van uitsluiting van verweerder door  de raad voor rechtsbijstand  van verdere deelname aan het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.

 

6         MAATREGEL

 

6.1     Verweerder heeft zich gedragen op een wijze die het vertrouwen in de advocatuur op grove wijze heeft beschaamd. Verweerder heeft met name de kernwaarde van integriteit geschonden. De financiële integriteit is voor de advocatuur een dusdanig groot goed dat deze moet worden beschermd. Voor advocaten die de financiële gedragsregels met voeten treden is binnen de advocatuur geen plaats. De raad ziet in het door verweerder gevoerde verweer geen redenen om verweerder nog een tweede kans te geven. De ernst van de gedragingen van verweerder en het gevaar voor herhaling zijn daarvoor te groot. De raad zal derhalve aan verweerder de maatregel van schrapping van het tableau opleggen.

 

 

7         KOSTENVEROORDELING

 

7.1     Aangezien het dekenbezwaar gegrond is verklaard ziet de raad aanleiding om verweerder, gelet op artikel 48ac, eerste lid, onder b, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op EUR 750. De raad bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de Nederlandse Orde van Advocaten door overmaking naar rekeningnummer IBAN: NL85 INGB 0000079000, BIC: INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

 

7.4   De raad ziet voorts aanleiding om verweerder overeenkomstig artikel 48ac, eerste lid, onder c, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die de Staat in verband met de behandeling van de zaak heeft gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van EUR 500 en moeten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing worden betaald op rekeningnummer NL05 INGB 0705 0039 81 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR,” en het zaaknummer.

 

 

BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

-             verklaart het dekenbezwaar gegrond;

 

-             legt aan verweerder de maatregel van schrapping op ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;

 

-             veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten;

 

-            veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 500 aan de Staat.

 

 

Aldus beslist door mr.W.E.A. Gimbrère-Straetmans,voorzitter, mrs. L.J.G. de Haas, N. Lindhout-Schot, leden, bijgestaan door mr. C.M. van den Reekals griffier en uitgesprokenin het openbaar op 5 maart 2018.

 

 

 

Griffier                                                                 Voorzitter

 

 

 

 

 

 

 

Mededelingen van de griffier ter informatie:

 

verzending

Deze beslissing is in afschrift op5 maart 2018

 

 

 

verzonden aan:

 

de deken

verweerder

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant

de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

de secretaris van de Nederlandse Orde van Advocaten

het College van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten

 

 

 

rechtsmiddel



Van deze beslissing staat hoger beroep bij het Hof van Discipline open voor:

verweerder

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.





Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

 

a.               Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 85452, 2508 CD Den Haag

b.               Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres:

Kneuterdijk 1, 2514 EM Den Haag

 

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof viatelefoonnummer088-2053777.



c.               Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is088-2053701

Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post, voorzien van een originele handtekening, te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

 

d.         Per e-mail

Het e-mailadres van het Hof van Discipline is:griffie@hofvandiscipline.nl.

 

Tegelijkertijd  met de indiening per e-mail dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post, voorzien van een originele handtekening, te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

 

Informatie ook op www.hofvandiscipline.nl

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens