Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2018:10
Datum uitspraak:
09-02-2018
Datum publicatie:
28-02-2018
Zaaknummer(s):
C/13/616591 / DW RK 16/1091
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. Bankbeslag waardoor klager onder de beslagvrije voet kwam te leven. De kamer is het niet met de beslissing van de voorzitter eens.Onder de in de beslissing vermelde feiten en omstandigheden en feiten stelt de kamer vast dat de gerechtsdeurwaarder ten tijde van de beslaglegging in elk geval (voldoende) inzicht had in de inkomsten en uitgaven van de debiteur en dat er geen ruimte was voor een maandelijkse betaling. Indien de ontvangen gegevens omtrent de financiële situatie van klager onvoldoende waren, had het op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen nadere stukken bij klager op te vragen. De kamer benadrukt dat beslaglegging onder een bank ten laste van een debiteur een ingrijpend middel is. Er lag al beslag op het inkomen van klager als gevolg waarvan hij nog slechts een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet overhield waarvan hij de lopende kosten van bestaan moet voldoen. Door de gerechtsdeurwaarder is niet aannemelijk gemaakt dat er een aanleiding was om te veronderstellen dat de bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering en toeslagen van klager, aan de hand waarvan de beslagvrije voet is vastgesteld, werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn.  Dat, zoals door de gerechtsdeurwaarder ter zitting is aangevoerd, er soms toch nog geld blijkt te zijn, is daartoe te algemeen gesteld. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden had de gerechtsdeurwaarder kunnen weten dat het door hem gelegde bankbeslag geen soelaas zou bieden om tot verhaal van de vordering te komen.Het verzet wordt gegrond verklaard, de beslissing van de voorzitter wordt vernietigd, de klacht wordt gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 9 februari 2018 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 27 september 2016 met zaaknummer C/13/605423 /  DW RK 16/333 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/616591 / DW RK 16/1091 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

 

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 29 maart 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 4 mei 2016, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 27 september 2016 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 27 september 2016. Bij brief van 11 oktober 2016 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij e-mail van 11 december 2017 heeft klager medegedeeld niet ter zitting te kunnen verschijnen en tevens een aanvullende toelichting gegeven. Deze e-mail van klager is doorgezonden aan de gerechtsdeurwaarder. Het verzetschrift is behandeld ter openbare zitting van 15 december 2017 alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 2 februari 2018. Deze is vervolgens aangehouden tot 9 februari 2018.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

 

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

 

De kamer verwijst voor de feiten naar hetgeen de voorzitter in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de voorzitter geen bezwaar gemaakt, zodat ook de kamer van die feiten uitgaat.

  

4. De oorspronkelijke klacht

 

Klager beklaagt zich er in hoofdzaak over dat de gerechtsdeurwaarder bankbeslag heeft gelegd op 24 maart 2016, terwijl de gerechtsdeurwaarder bekend was met de financiële situatie van klager. Klager was voor zijn levensonderhoud geheel afhankelijk van het bedrag dat onder het bankbeslag viel.

 

5. De beslissing van de voorzitter

 

5.1. De voorzitter heeft op de klacht overwogen dat klager bij vonnis is veroordeeld en nadien heeft nagelaten de vordering vrijwillig te voldoen. Het door de gerechtsdeurwaarder op 24 maart 2016 gelegde bankbeslag is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm, nu klager op grond van artikel 3:276 BW met zijn hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is daarbij niet gebleken.

 

5.2. De voorzitter heeft verder overwogen dat een beslagvrije voet niet geldt indien beslag wordt gelegd onder een bank. Onder omstandigheden kan er sprake zijn van misbruik van recht, bijvoorbeeld indien bekend is dat dat de beslagen rekening uitsluitend uit een bron wordt gevoed waarvoor wel een beslagvrije voet geldt, maar dat dient in een procedure voor de gewone rechter te worden vastgesteld, waarbij het aan klager is om aannemelijk te maken dat hiervan sprake is. Het is niet aan de tuchtrechter om tot een inhoudelijke beoordeling van dit geschil over te gaan. De door klager ingediende klacht stuit hierop af.

 

6. De gronden van het verzet

 

Klager is het niet met de beslissing van de voorzitter eens. Klager wijst op een uitspraak van de kamer van 20 mei 2014 welke zaak volgens klager op hoofdpunten gelijk is aan zijn zaak. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder twee jaar lang op de hoogte gehouden van zijn financiële situatie en heeft hem ook heeft gewezen op voormelde uitspraak. De gerechtsdeurwaarder was bekend met het feit dat klager leeft van een uitkering waarop al beslag lag en met het feit dat klager geen andere inkomsten heeft. Het beslag werd gelegd twee dagen na uitbetaling van de huurtoeslag. Klager kan aantonen dat hij altijd snel reageert en de gerechtsdeurwaarder alle benodigde informatie geeft. Klager heeft alle benodigde info op zijn computer staan en die informatie is met een toelichting direct beschikbaar voor wie daarom verzoekt.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

7.1. Beoordeeld dient te worden of de gerechtsdeurwaarder op grond van de hem bekende omstandigheden van klager in dit geval wel bankbeslag had mogen leggen. Bij die beoordeling neemt de kamer het volgende in aanmerking. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat de gerechtsdeurwaarder al vanaf 2008 tevergeefs heeft getracht het vonnis ten uitvoer te leggen. Er is in 2011 beslag gelegd door een collega-gerechtsdeurwaarder die in 2014 een herberekening van de beslagvrije voet heeft gemaakt, waardoor het beslag moest worden opgeheven en de gerechtsdeurwaarder uit het door hem in 2013 gelegde beslag geen gelden heeft ontvangen. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder gesteld dat naderhand is gebleken dat dit ten onrechte was, maar de kamer kan dit niet vaststellen nu dit niet nader is onderbouwd. Daarnaast staat vast dat de gerechtsdeurwaarder klager herhaaldelijk heeft verzocht  om een betalingsregeling voor te stellen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit door de gerechtsdeurwaarder op 25 maart 2015 en 10 juni 2015 aan klager verzonden brieven. Klager heeft daarop bij berichten van 2 april 2015 en 15 juni 2015 gereageerd onder meer met de mededeling dat door aan het verzoek te voldoen, zijn inkomen onder de beslagvrije voet zou komen te liggen. De gerechtsdeurwaarder was op de hoogte van de financiële situatie omdat hij in zijn brief aan klager van 10 juni 2015 onder meer heeft medegedeeld dat hij geen gelden ontvangt omdat de uitkering van klager lager is dan de beslagvrije voet. Bij brief van 11 september 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om een overzicht van zijn financiële situatie, voorzien van een  betalingsvoorstel. Bij e-mail van 18 oktober 2015 heeft klager de gerechtsdeurwaarder een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven toegezonden en medegedeeld dat al uit het overzicht valt op te maken dat er naast het beslag geen aflossingscapaciteit was. Op 11 januari 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klager opnieuw om een betalingsvoorstel verzocht. Klager heeft op 17 januari 2016 gereageerd met de mededeling dat hij zijn situatie al herhaaldelijk had uitgelegd en er geen ruimte was voor een extra aflossing naast het beslag op zijn uitkering.

 

7.2. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder ten tijde van de beslaglegging in elk geval (voldoende) inzicht had in de inkomsten en uitgaven van de debiteur en dat er geen ruimte was voor een maandelijkse betaling. Indien, zoals door de gerechtsdeurwaarder in zijn brief van klager van 25 maart 2016 vermeld, de op 18 oktober 2015 ontvangen gegevens omtrent de financiële situatie van klager onvoldoende waren, had het op zijn weg gelegen nadere stukken bij klager op te vragen, zoals hij na de beslaglegging  in zijn brief van 25 maart 2016 heeft gedaan. De kamer benadrukt dat beslaglegging onder een bank ten laste van een debiteur een ingrijpend middel is. Er lag al beslag op het inkomen van klager als gevolg waarvan hij nog slechts een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet overhield waarvan hij de lopende kosten van bestaan moet voldoen. Door de gerechtsdeurwaarder is niet aannemelijk gemaakt dat er een aanleiding was om te veronderstellen dat de bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering en toeslagen van klager, aan de hand waarvan de beslagvrije voet is vastgesteld, werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn.  Dat, zoals door de gerechtsdeurwaarder ter zitting is aangevoerd, er soms toch nog geld blijkt te zijn, is daartoe te algemeen gesteld. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden had de gerechtsdeurwaarder kunnen weten dat het door hem gelegde bankbeslag geen soelaas zou bieden om tot verhaal van de vordering te komen.  Dat het een executant is toegestaan beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen doet hieraan niet af.

8. De Kamer acht het verzet dus gegrond. De beslissing van de voorzitter zal daarom worden vernietigd. De Kamer acht termen aanwezig de gerechtsdeurwaarder na te melden maatregel op te leggen. De Kamer acht deze maatregel passend en geboden.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor gerechtsdeurwaarder

 

-      verklaart het verzet gegrond;

-      vernietigt de beslissing van de voorzitter;

-      verklaart de klacht gegrond,

-      legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, voorzitter, mr. A. Sissing en M.W. de Ruijter, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens