Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:64
Datum uitspraak:
03-03-2017
Datum publicatie:
23-06-2017
Zaaknummer(s):
914.2015
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Niet informeren van de bewindvoerder, terwijl de gerechtsdeurwaarder wel op de hoogte was van de onderbewindstelling. Het is vaste jurisprudentie van de kamer dat een bewindvoerder op de hoogte dient te worden gesteld van al hetgeen de bewindvoering aangaat. Exploten dienen op grond van artikel 12 lid 2 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aan de bewindvoerder te worden betekend. Deels gegrond. Geen maatregel.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM4

 

Beslissing van 3 maart 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/595561 / DW RK 15/914 ingesteld door:

 

[   ],

wonende te Zoetermeer,

klager,

gemachtigde: [   ],

 

tegen:

 

[   ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ]

 

1. Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 18 oktober 2015 heeft klager een klacht ingediend tegen (de organisatie van beklaagde), hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij brief, ingekomen op 4 december 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.  De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 20  januari 2017. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De gerechtsdeurwaarder is verschenen. De uitspraak is bepaald op 3 maart 2017.

 

2. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Op 26 maart 2014 is een vonnis ten laste van klager gewezen.

-           Op 28 april 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis aan klager betekend met gelijktijdig bevel om aan de inhoud te voldoen.

-           Bij brief van 20 augustus 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager medegedeeld dat ten laste van hem beslag roerende zaken gelegd zal gaan worden.

-           Op 8 december 2014 en 12 februari 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder getracht ten laste van klager beslag roerende zaken te leggen.

-           Bij beschikking van 5 februari 2015 is klager onder bewind gesteld.

-           De bewindvoerder van klager heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 15 februari 2015 op de hoogte gesteld van de onderbewindstelling.

-           Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder desgevraagd een opgave van het totaal verschuldigde aan de bewindvoerder doen toekomen.

-           Bij brief van 15 juli 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager medegedeeld dat er beslag op zijn roerende zaken gelegd zal gaan worden.

 

3. De klacht

 

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: zich rechtstreeks tot klager heeft gewend zonder de bewindvoerder daarvan op de hoogte te stellen;

b: heeft aangegeven dat er een slotenmaker wordt meegenomen en de kosten daarvan op hem zullen worden verhaald zonder dat er eerder een vergeefse beslagpoging is gedaan, dan wel dat deze poging aan zijn bewindvoerder kenbaar is gemaakt;

c: misbruik maakt van zijn bevoegdheden door hem onder druk te zetten door te dreigen met hoge kosten en andere vervelende gevolgen.

 

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

5. Beoordeling van de klacht

 

5.1 Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

5.2 De klachtonderdelen b en c zijn ongegrond. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde brieven van 8 december 2014 en 12 februari 2015 blijkt dat er wel vergeefse beslagpogingen zijn gedaan ten laste van klager. Een aankondiging van een beslagpoging mag intimiderend overkomen, zolang hieraan een executoriale titel ten grondslag ligt. In het onderhavige geval is er een vonnis ten laste van klager gewezen en er is derhalve sprake van een executoriale titel. De gerechtsdeurwaarder is op grond daarvan gerechtigd tot het treffen van beslagmaatregelen op alle vermogensbestanddelen. Dat het om een waardeloze boedel zou gaan maakt dat niet anders. Bovendien moest dat nog geconstateerd worden. Van misbruik van bevoegdheden door de gerechtsdeurwaarder is geen sprake.

 

5.3 Klachtonderdeel a acht de Kamer gegrond. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat hij heeft verzuimd om de brief van 15 juli 2015 ook aan de bewindvoerder te sturen. Volgens de gerechtsdeurwaarder betrof het een vergissing. Nu de gerechtsdeurwaarder ten tijde van het versturen van de desbetreffende brief op de hoogte was van de bewindvoering had hij de brief ook aan de bewindvoerder moeten sturen. Het is vaste jurisprudentie van de Kamer dat een bewindvoerder op de hoogte dient te worden gesteld van al hetgeen de bewindvoering aangaat. Exploten dienen  op grond van artikel 12 lid 2 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek  aan de bewindvoerder te worden betekend.

 

5.4 De Kamer acht dit onderdeel van de klacht gegrond maar ziet geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel.Een gerechtsdeurwaarder die een vergissing begaat of een fout maakt, maakt zich in het algemeen daarmee niet zonder meer schuldig aan handelen of nalaten dat  tuchtrechtelijk dient te worden bestraft. Dit kan anders zijn wanneer de vergissing of fout klaarblijkelijk gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. Hiervan is echter niet gebleken.

 

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klacht deels  gegrond;

 

-       ziet van het opleggen van een maatregel voor het gegronde deel van de klacht af.

 

Aldus gegeven door mr. A.E. de Vos, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M. Nijenhuis en M. Colijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2017  in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

  

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens